Hoofdstuk 1: Wat is een handicap?
Handicap: elk langdurig en belangrijk participatieprobleem ve persoon dat
veroorzaakt wordt door het samenspel tss functiestoornissen van mentale,
psychische, lichamelijke of zintuigelijke aard, beperkingen bij het uitvoeren van
activiteiten en persoonlijke en externe factoren
Modellen om naar handicap te kijken
ICF-model: Internationale Classificatie van menselijk Functioneren
- Op een systemische en dynamische manier naar cliënt(systeem) kijken
- Om info over functioneren ve persoon (en evt problemen bij functioneren)
te registreren
- Biedt systeem waarmee de gezondheidstoestand van mensen en hun
functionele beperkingen kunnen worden gedefinieerd en gemeten
- Integreert medisch en sociaal model dmv biopsychosociale benadering
- ICF is een vb. ve integratief model/integratieve visie
Menselijk functioneren wordt opgevat als resultaat van dynamische
wisselwerking tss biologische, psychologische en sociale
(maatschappelijke) factoren
INDIVIDUELE MODELLEN
- Probleem ligt binnen individu, bij persoon met de handicap (handicap is
persoonlijke tragedie)
Persoon moet meer inspanning doen om erbij te horen
- Interventies zijn gericht op individu
Anders-zijn moet gecorrigeerd worden door training en medische
interventie
Professional beslist wat verbetert moet worden om kwaliteit vh
leven terug op aanvaardbaar niveau te krijgen
Kritiek: medicalisering vd handicap: handicap is geen ziekte, er wordt te
veel gekeken naar het probleem zonder te kijken naar de maatschappij
Vb. Dokter geeft ouders advies over al dan niet afbreken ve zwangerschap bij
foetus met bepaalde geboorteafwijking. (Dokter is deskundige op medisch vlak)
Vb. ICIDH-model: International Classification of Impairments, Disabilities and
Handicaps-model & DSM: Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders
, 1. Religieus-moreel model
Gericht op existentiële, op zingeving, zoekt antwoord op de vraag
waarom men een handicap heeft of net niet
Handicap gezien als straf voor zonde
o Handicap is de schuld vd persoon zelf
Soms gezien als geschenk van God
2. Medisch model
Handicap als afwijking die geminimaliseerd moet worden
Proberen te genezen of fysieke gevolgen zoveel mogelijk beperken
(fysieke revalidatie)
Individu moet zich normaliseren en zich aanpassen ad samenleving
Dominante model in vele Westerse landen
3. Cultureel model
Hebben ve handicap is bepaalde manier van id wereld staan
Handicap is een unieke ervaring, een meerwaarde
Handicap maakt deel uit vd identiteit
SOCIAAL MODEL
- Als reactie op individuele modellen
- Oorzaak vd handicap ligt buiten individu (bij de omgeving)
- Onderscheid functiebeperking en handicap
Functiebeperking: beperking van lichamelijke of geestelijke functie
Handicap: wanneer samenleving drempels opwerpt, ontoegankelijk
is en geen gelijke kansen biedt: onaangepastheid vd omgeving
- Focus op inclusieve samenleving (samenleving past zich aan)
Kritiek: onvoldoende aandacht voor individueel verhaal, pijn en lijden
INTEGRATIEF MODEL
- Zoekt midden tss individuele en sociale model
- Handicap gezien als beperking die deel uitmaakt vd persoon EN waar
sociale/maatschappelijke omgeving rol speelt id beleving
Vb. AAIDD: Supports Intensity Scale vd American Association on Intellectual
Developmental Disabilities
,ICIDH (voorloper van ICF-model)
ICIDH: International Classification of Impairments, Disabilities and Handicaps
- Meerdimensionale kijk op menselijk functioneren
- Onderscheiding van aandoeningen en consequenties op 3 niveaus:
Orgaan niveau: impairments/stoornissen
Niveau van activiteiten vh individu: disabilities/beperkingen
Niveau vd reactie vd samenleving op aanwezigheid van stoornissen
en beperkingen bij de persoon: handicap
Handicap (hier): culturele, sociale en economische consequenties voor individu
vd aanwezigheid van stoornissen en beperkingen
Kritiek:
- Suggestie van causaliteit (pijlen staan slechts in 1 richting)
Eerder sprake van interactie tss kernelementen ipv oorzakelijk
verband
- Negatieve terminologie: focus op wat niet lukt en beperkingen
- Onderwaarderen vd rol vd sociale en maatschappelijke omgeving als
bevorderende of belemmerende factor
ICF
ICF: International Classification of Functioning, Disability and Health
- Menselijk functioneren is resultaat van dynamische wisselwerking tss
iemands gezondheidsproblemen en de context
- Basisonderscheid tss lichamelijke structuren en functies (1) en activiteiten
(2) en participatie (3)
Handicap gaat over blijvende hindernissen op lichamelijk gebied alsook
gebied bij uitvoeren van activiteiten en deelname ad samenleving
, - ICF biedt duidelijk systeem waarmee menselijk functioneren en evt
problemen beschreven worden vanuit 3 onderling verbonden (maar te
onderscheiden) perspectieven:
Perspectief vh menselijk organisme: functies en anatomische
eigenschappen
o Fysiologische en sensorische functies
o Mentale functies
o Anatomische eigenschappen
Perspectief vh menselijk handelen: activiteiten
o Feitelijke prestaties ih dagelijks leven
Perspectief vd deelname ah maatschappelijk leven: participatie
Beïnvloedende factoren: gezondheidstoestand, persoonlijke factoren en
externe factoren
Termen uitgelegd:
- Functies: fysiologische en mentale eigenschappen vh menselijk organisme
(intellectuele functies, temperament, aandacht of slaap…)
- Anatomische eigenschappen: positie, aan- of afwezigheid, vorm en
continuïteit vd onderdelen vh menselijk lichaam (lichaamsdelen,
orgaanstelsels…)
Stoornissen: afwijkingen in of verlies van functies of anatomische
afwijkingen (id kindertijd en adolescentie: vertraging id ontwikkeling
van functies)
- Activiteiten: onderdelen vh menselijk handelen die beschreven en
waargenomen kunnen worden
Beperkingen: moeilijkheden die individu heeft met uitvoeren van
activiteiten
- Participatie: deelname ve individu ah maatschappelijk leven als lid vd
samenleving (gecompliceerde relatie tss iemands gezondheidstoestand en
persoonlijke factoren enerzijds en omgevingsfactoren anderzijds)
Participatieprobleem kan rechtstreeks voortkomen uit sociale
omgeving, zonder iemand stoornis in functie of beperking in activiteit
ervaart
- Externe- of omgevingsfactoren: fysieke en sociale omgeving waarin een
persoon leeft
- Persoonlijke (interne) factoren: individuele achtergrond en kenmerken ve
persoon die geen deel uitmaken vd functionele gezondheidstoestand
(geslacht, ras, leeftijd, karakter, coping-gedrag, opvoeding…)