Hoofdstuk 1: Psychologie: een palet van theorieën
Psychologie
Psychologie: wetenschap waarbij het gedrag, de gedachten en de gevoelens van
mensen worden bestudeerd en de omstandigheden waarin de 3 G’s ervaren
worden (studieobject)
Gebruikt hiervoor methoden en theorieën: beschrijven en verklaren, vooral
op individueel niveau
Grenzen en legitimiteit vd wetenschap worden beïnvloed door
maatschappelijk draagvlak: in welke mate vindt de samenleving de
wetenschap belangrijk?
Theorieën
- Psychologie gebruikt meerdere theorieën/referentie- of interpretatiekaders
Eenzelfde verschijnsel wordt verschillend verklaard
Functies van theorieën:
1. Systematiserende of ordenende functie
Ordenen van losse feiten, observaties en onderzoeksresultaten
Geformuleerde verbanden moeten herhaalbaar zijn: wat in het ene
onderzoek wordt aangetroffen, wordt in het andere ook aangetroffen
Wetenschappers hun waarneming is theoriegeladen: hun
referentiekader bepaalt wat ze zien en waar ze nadruk op leggen
2. Verklaren en voorspellen
Verklaren door aantonen dat 3G’s in specifieke omstandigheden
bereikt worden
Voorspellen adhv verklaringen
3. Heuristische functie
Op grond van vorige inzichten kunnen nieuwe voorspellingen
gedaan worden
Bedenken wat nog niet bekend is
Stimuleren van nieuwe ideeën
,Psychologische stromingen
Elke stroming heeft:
- Een geschiedenis
Altijd een historische ontwikkeling
Altijd invloed van cultuur en tijdstip van ontstaan
Stromingen reageerden op elkaar
Vaak sprake van wisselende modes: slingerbeweging
Stromingen maken gebruik van elkaars inzichten
Nadruk op effectiviteit: evidence based
- Een mensbeeld: opvatting over wat typisch menselijk is
Beschrijving vd kenmerkende eigenschappen
o Gaat over verschil tss mens en dier, kind en volwassene
Verwijzing hoe mensen behoren te zijn (doelbeeld/voorbeeld ter
navolging)
o Morele visie: hoe een mens zich hoort te gedragen
o Eigen handelen aansturen en anderen hun gedrag beoordelen
Mensbeelden id psychologie
Niveaus van menselijk gedrag:
- Persoonlijk niveau
- Organistisch niveau
- Mechanistisch niveau
Hoe hoger het niveau, hoe complexer het gedrag
MECHANISTISCH MENSBEELD
- Mens is een mechanisme: samengesteld uit afzonderlijke delen
- Mensen als mechanieken die door externe en/of innerlijke krachten worden
voortbewogen
- Ieder mens en ieder menselijk deeltje is afzonderlijk te bestuderen
Implicaties:
- Geen onderscheid tss dieren en mensen: mens is een ingewikkeld dier
- Lineair causaal verklaringsmodel: 1 of meerdere oorzaken voor gedrag
gezocht (causaal) en verband tss oorzaak en gedrag is rechtlijnig/lineair (A
veroorzaakt B)
- Het geheel is gelijk aan de som der delen: gedrag is een optelsom van
onderdelen
- Invloed vd omgeving is niet essentieel
,ORGANISTISCH MENSBEELD
- Mensen als organismen: groeien en bloeien als 1 geheel
- Organisme kent interne dynamiek: lichaam en geest beïnvloeden elkaar en
zijn niet los van elkaar te zien
- Ook externe dynamiek: organisme staat in verbinding met omgeving
Implicaties:
- Vergelijkingen met dieren kunnen zinvol zijn, maar mensen hebben
complexe sociale of culturele omgeving
- Circulair causaal verklaringsmodel: sprake van wisselwerking (A
veroorzaakt B en B veroorzaakt A)
- Geheel is meer dan de som der delen: gedrag ontstaat door interacties en
wisselwerking
- Mensen zijn niet los vd omgeving te bestuderen
PERSONALISTISCH MENSBEELD
- Unieke karakter vd mens benadrukt
- Mensen scheppen ook zelf cultuur
Implicaties:
- Mensen moeten als mens bestudeerd worden (geen vgl met dieren)
- Mensen moeten als 1 geheel bestudeerd worden
- Mensen handelen doelgericht: mensen geven zin aan hun leven
Vb. 2 mensen maken hetzelfde mee, maar reageren er anders op
Gebruikmaken van mensbeelden en methoden
Pragmatisch argument: verschillende mensbeelden gebruiken
- Elke stroming levert een bril waarmee mensen de werkelijkheid
waarnemen en interpreteren (andere bril = andere kijk)
- Zoeklicht: elke stroming benadrukt een deel vd werkelijkheid en zet een
ander deel tussen haakjes
- Gebruik maken van verschillende methoden: verklaren, begrijpen
(verstehen) en hermeneutisch
, De algemene systeemtheorie (AST)
- Biedt een overkoepelend kader voor alle verschillende wetenschappen en
theorieën
- Metatheorie: het is een theorie over theorieën
Systeemniveaus en uitgangspunten:
1. De werkelijkheid is op te delen in verschillende
hiërarchische niveaus
2. Elk niveau functioneert als een open systeem
Niveau = systeem: houdt zichzelf in stand
Systeem staat in contact met de omgeving
(hogere niveaus) en wisselt energie,
materie en info uit (open systeem)
3. Hiërarchisch hoger niveau is complexer dan
lagere niveaus
Hoger niveau bevat kenmerken van
lagere niveaus
Geheel is meer dan de som der delen
4. Geen enkel niveau is te herleiden tot de niveaus
eronder of erboven, het ene niveau beïnvloedt het
andere wel
5. Een persoon is het hoogste niveau van biologische
hiërarchie en laagste vd sociale hiërarchie
Biopsychosociale model
Gedrag wordt verklaard vanuit:
- Biologisch niveau (hersenen, genen, hormonen)
- Psychisch niveau (denken, emoties, persoonlijkheid)
- Sociaal niveau (opvoeding, cultuur, relaties)