Erikson + Piaget + Openboekexamenvragen met modelantwoorden
DEEL 1: VOLLEDIG OVERZICHT ERIKSON
Erikson beschrijft de psychosociale ontwikkeling van de mens als een reeks van 8
levensfasen. In elke fase moet een persoon een kernconflict oplossen. Een
positieve oplossing levert een sterkte op die helpt in volgende levensfasen.
Leeftij Negatieve
Fase Kernconflict Positieve uitkomst
d uitkomst
Vertrouwen ↔
Babytijd 0-1 j Basisvertrouwen Wantrouwen
Wantrouwen
Autonomie ↔
Peutertijd 1-3 j Zelfstandigheid Twijfel aan zichzelf
Schaamte/Twijfel
Initiatief ↔
Kleutertijd 3-6 j Durven ondernemen Schuldgevoel
Schuldgevoel
IJver ↔ Minderwaardighei
Schoolperiode 6-12 j Competentiegevoel
Minderwaardigheid d
Identiteit ↔
Adolescentie 12-20 j Sterke identiteit Identiteitscrisis
Identiteitsverwarring
Jongvolwassenheid 20-40 j Intimiteit ↔ Isolement Hechte relaties Eenzaamheid
Middenvolwassenhe Generativiteit ↔ Bijdragen aan
40-65 j Egoïsme, stilstand
id Stagnatie volgende generatie
Integriteit ↔
Ouderdom 65+ j Levenswijsheid Spijt, bitterheid
Wanhoop
1. Babytijd: Vertrouwen versus Wantrouwen
Wat gebeurt er? De baby is volledig afhankelijk van verzorgers.
Wanneer verzorgers: sensitief reageren, veiligheid bieden, voorspelbaar
zijn
ontwikkelt het kind vertrouwen.
Voorbeeld: Baby huilt → ouder reageert → baby leert: "De wereld is veilig en
mensen helpen mij."
Risico: Bij verwaarlozing of inconsistente zorg: "Niemand helpt mij."
Gevolg: onzekerheid, angst, wantrouwen
Link met hechting: Veilige hechting ondersteunt basisvertrouwen.
2. Peutertijd: Autonomie versus Schaamte/Twijfel
Wat gebeurt er? Peuters ontdekken: "Ik kan het zelf."
Voorbeelden: zelf eten, zelf stappen, zelf kiezen
Positieve ondersteuning: Ouders geven ruimte om te oefenen.
Gevolg: zelfstandigheid, zelfvertrouwen
Negatieve ondersteuning: Steeds horen: "Dat kan jij niet." "Laat mij maar
doen."
Gevolg: schaamte, twijfel
3. Kleutertijd: Initiatief versus Schuldgevoel
Wat gebeurt er? Kinderen nemen initiatief.
Voorbeelden: fantasiespel, rollenspel, vragen stellen, nieuwe dingen proberen
Positief: Volwassenen stimuleren initiatief.
Gevolg: ondernemingszin, creativiteit
Negatief: Kind krijgt voortdurend kritiek.
Gevolg: schuldgevoel, angst om fouten te maken
, 4. Schoolperiode: IJver versus Minderwaardigheid
Wat gebeurt er? Kind vergelijkt zichzelf met anderen.
Belangrijk: school, sport, hobby's
Positief: Succeservaringen: "Ik kan iets."
Ontwikkelt: competentie, doorzettingsvermogen
Negatief: Veel falen of negatieve feedback: "Ik ben dom."
Ontwikkelt: minderwaardigheidsgevoelens
5. Adolescentie: Identiteit versus Identiteitsverwarring
Wat gebeurt er? Centrale vraag: "Wie ben ik?"
De jongere onderzoekt: waarden, overtuigingen, studie, werk, relaties
Positief: Duidelijke identiteit.
Negatief: Identiteitsverwarring.
Voorbeelden: geen richting vinden, voortdurend van mening veranderen
6. Jongvolwassenheid: Intimiteit versus Isolement
Wat gebeurt er? Men zoekt diepe relaties. Niet enkel liefdesrelaties.
Ook: hechte vriendschappen, emotionele verbondenheid
Positief: Intimiteit.
Negatief: Isolement.
7. Middenvolwassenheid: Generativiteit versus Stagnatie
Generativiteit: Iets bijdragen aan volgende generaties.
Voorbeelden: kinderen opvoeden, lesgeven, vrijwilligerswerk, mentor zijn
Stagnatie: Focus uitsluitend op zichzelf.
Voorbeelden: enkel eigen behoeften, geen maatschappelijke betrokkenheid
8. Ouderdom: Integriteit versus Wanhoop
Integriteit: Terugblikken op het leven met tevredenheid.
Gedachte: "Ik heb een goed leven gehad."
Wanhoop: Veel spijt.
Gedachte: "Ik heb mijn leven verspild."