Module 1: Inleiding levenslooppsychologie
1. Wat is levenslooppsychologie?
Levenslooppsychologie is de wetenschap die bestudeert hoe het gedrag van
mensen verandert gedurende het hele leven.
Deze veranderingen kunnen betrekking hebben op:
motorische ontwikkeling
sociale ontwikkeling
emotionele ontwikkeling
taalontwikkeling
cognitieve ontwikkeling
Hoewel ieder mens uniek is, bestaan er ook duidelijke gelijkenissen tussen
mensen. Levenslooppsychologen zoeken naar patronen in de ontwikkeling en
proberen te begrijpen:
hoe veranderingen plaatsvinden;
waarom ze plaatsvinden;
welke factoren daarbij een rol spelen.
Indeling van de ontwikkelingspsychologie
De ontwikkelingspsychologie wordt traditioneel onderverdeeld in vier grote
domeinen:
1. Kinderpsychologie
2. Jeugdpsychologie
3. Psychologie van de volwassenheid
4. Psychologie van de ouderdom
2. Factoren die de ontwikkeling sturen
2.1 Nature-nurturedebat
Een belangrijke vraag binnen de levenslooppsychologie is: Wordt ontwikkeling
vooral bepaald door erfelijkheid of door de omgeving?
1. Nature
Bij de naturevisie ligt de nadruk op:
erfelijke aanleg;
DNA;
genetische factoren.
1
, Volgens deze visie hebben aangeboren kenmerken de grootste invloed op de
ontwikkeling.
2. Nurture
Bij de nurture-visie ligt de nadruk op:
opvoeding;
ervaringen;
omgeving.
Volgens deze visie wordt ontwikkeling vooral gevormd door wat iemand
meemaakt.
3. Wisselwerking tussen nature en nurture
Vandaag gaat men ervan uit dat ontwikkeling ontstaat door een voortdurende
wisselwerking tussen:
erfelijkheid;
omgevingsinvloeden.
Beide factoren beïnvloeden elkaar voortdurend.
2.2 De rol van erfelijkheid
Wat is erfelijk bepaald?
Elke mens beschikt over DNA:
46 chromosomen
duizenden genen
Deze genen bevatten informatie voor de aanmaak van eiwitten.
Deze eiwitten zijn belangrijk voor:
de bouw van het lichaam;
de werking van organen;
de ontwikkeling van de hersenen.
Erfelijkheid heeft invloed op onder andere:
intelligentie;
temperament;
gevoelens;
verlangens;
persoonlijkheidskenmerken.
Erfelijkheid alleen is niet voldoende
Aangeboren mogelijkheden komen niet automatisch tot ontwikkeling.
Daarvoor zijn ook nodig:
het juiste moment;
een geschikte omgeving;
voldoende stimulatie.
2.3De rol van milieu en omgeving
1. Omgevingsinvloeden
De omgeving heeft een belangrijke invloed op de groei en ontwikkeling van een
persoon.
Voorbeelden:
opvoeding;
school;
vrienden;
cultuur;
sociale ervaringen.
2. Kritische en gevoelige periodes
2
, Tijdens bepaalde periodes in de ontwikkeling zijn kinderen extra gevoelig voor
invloeden uit de omgeving.
Een voorbeeld hiervan is sociale isolatie.
Mensen hebben contact met anderen nodig om zich volledig te kunnen
ontwikkelen.
3. Belang van opvoeding
De manier waarop ouders met hun kinderen omgaan heeft een grote invloed op
de ontwikkeling.
Deze invloed beperkt zich niet tot de kindertijd, maar kan doorwerken gedurende
het hele leven.
2.4De interactie tussen erfelijkheid en milieu
Het is moeilijk om precies te bepalen hoeveel invloed erfelijkheid of omgeving
afzonderlijk heeft.
Bij sommige kenmerken speelt erfelijkheid een grotere rol, bijvoorbeeld:
lichaamslengte;
temperament.
Erfelijke invloed = direct
Bij andere kenmerken speelt de omgeving een grotere rol, bijvoorbeeld:
taalontwikkeling;
schoolse vaardigheden.
Erfelijke invloed = indirect
Meestal zijn beide factoren sterk met elkaar verweven.
3. De psychosociale identiteitstheorie van Erikson
Uitgangspunt
Volgens Erikson verloopt de ontwikkeling via acht levensfasen.
In elke fase moet een persoon zich aanpassen aan nieuwe:
sociale situaties;
emotionele uitdagingen.
Door deze aanpassingen bouwt men
zijn psychosociale identiteit op.
Dit betekent: Je goed voelen in jezelf
én in je omgeving.
Kernconflicten
Elke levensfase wordt gekenmerkt door
een specifiek kernconflict.
De manier waarop iemand met dit
conflict omgaat, beïnvloedt de verdere
ontwikkeling.
Erikson onderscheidt:
8 levensfasen
8 kernconflicten
Deze conflicten worden verder
besproken bij de verschillende
leeftijdsfasen.
4. De cognitieve ontwikkelingstheorie van Piaget
4.1Uitgangspunt
Piaget onderzocht hoe het denken van kinderen zich ontwikkelt.
3
, Hij stelde zich vragen zoals:
Hoe denken kinderen?
Hoe lossen zij problemen op?
Hoe ontwikkelt intelligentie zich?
4.2Belangrijke kenmerken
Volgens Piaget:
verloopt de ontwikkeling in verschillende stadia;
de grootste evolutie doet zich voor bij kinderen
doorlopen alle kinderen dezelfde volgorde (=universeel);
de inhoud van het denken kan wel verschillen (opvoeding/cultuur);
kan het tempo verschillen van kind tot kind.
Factoren die het tempo beïnvloeden:
intellectuele aanleg;
temperament;
ervaringen;
stimulatie vanuit de omgeving.
4.3Vier ontwikkelingsstadia
1. Sensomotorische periode (baby: 0 – 2 jaar)
Kinderen leren via:
zintuigen;
bewegingen.
2. Pre-operationele periode (peuter/kleuter: 2 – 7 jaar)
Kenmerken:
ontwikkeling van taal;
symbolisch denken;
nog geen duidelijk onderscheid tussen fantasie en werkelijkheid.
3. Concreet-operationele periode (schoolkind: 7 – 12 jaar)
Kenmerken:
logisch denken;
oplossen van concrete problemen.
4. Formeel-operationele periode (vanaf adolescentie: 12 jaar +)
Kenmerken:
abstract denken;
complex redeneren;
hypothetisch denken.
4.4Cognitie
Definitie: Cognitie verwijst naar alle mentale processen die betrokken zijn bij
het verwerken van informatie.
Cognitie bestaat uit drie onderdelen:
4