Methodologie van de Sociale wetenschappers
Henk Roose & Bart Meuleman
Universiteit Gent
,H1: WAAROM SOCIAALWETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK?
Methodologie De wijze waarop het hele proces
van
wetenschapsbeoefening
functioneert, en houdt dus niet
alleen de kennis en beheersing van
methoden en technieken in.
Micro-, meso- en macroniveau Het niveau van de analyse of
theorie; micro verwijst naar het
(inter-)individuele niveau, macro
naar het maatschappelijke
systeem en meso zit hier
tussenin, bv. op het niveau
organisaties of
bedrijven.
H2: BOUWSTENEN EN SOORTEN SOCIAALWETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK
Sociaalwetenschappelijk onderzoek De productie van geldige en
betrouwbare kennis over de
sociale realiteit door het
combineren van theorie en
empirie, waarbij methodologische
principes
rigoureus worden toegepast.
Theorie Het geheel van samenhangende
uitspraken of proposities die
bepaalde fenomenen
beschrijven
of verklaren.
Concept Een algemeen en abstract idee dat
als een label dient om concreet
waarneembare zaken
of
fenomenen te categoriseren.
Formele theorie Een soort theorie die ervan uitgaat
dat je allerhande sociale
fenomenen los van de concrete
inhoud kan verklaren vanuit enkele
vormelijke basisprincipes.
Grand theory Een soort theorie die sociale
fenomenen probeert te vatten
vanuit één abstract conceptueel
kader, waarin het ordenen van
concepten belangrijker is dan het
, begrijpen van de sociale
werkelijkheid.
Middle range theory Theorieën die berusten op een
reeks aannames over één
bepaald sociaal fenomeen, waaruit
hypothesen kunnen worden
afgeleid die op hun beurt
empirisch
getoetst worden.
Verifieerbaarheid De mogelijkheid om door
observatie te toetsen of
theoretische aannames
overeenstemmen met de realiteit.
Falsifieerbaarheid De mogelijkheid om door
observatie de eventuele
onjuistheid van kennis aan te
tonen, weerlegbaarheid.
Repliceren Het herhalen van onderzoek om te
kijken of je tot dezelfde conclusies
komt.
Empirie Het ervaren van de wereld rondom
ons door waarneming.
Deductie Een gevolgtrekking van het
algemene naar het bijzondere.
Inductie Op basis van specifieke
waarnemingen komen tot een
algemene regel.
Betrouwbaarheid De mate van consistentie van een
meting, de mate waarin een
meetinstrument dezelfde
resultaten oplevert bij herhaalde
metingen onder soortgelijke
condities.
Validiteit De afwezigheid van systematische
fouten of vertekening in het
onderzoek; ook geldigheid
genoemd.
Meetvaliditeit De mate waarin een
meetinstrument meet wat het
zou
moeten meten.
Interne validiteit De mate waarin waargenomen
relaties in een empirische studie
een correcte weerspiegeling zijn
van de werkelijkheid.
Externe validiteit De mate waarin bevindingen uit
onderzoek bij een specifieke
populatie ook voor een ruimere
populatie gelden, ook wel
veralgemeenbaarheid genoemd.
, Peer review Het laten evalueren van
wetenschappelijke bevindingen
door collega-wetenschappers.
Theoriegericht onderzoek Onderzoek dat gericht is op de
ontwikkeling van theorie, waarbij
kennisproductie de primaire
drijfveer is; ook wel fundamenteel
onderzoek genoemd.
Praktijkgericht onderzoek Onderzoek dat gericht is op het
oplossen van een praktisch,
maatschappelijk probleem.
Evaluatieonderzoek Een vorm van
praktijkgericht onderzoek –
gebruikmakend van
sociaalwetenschappelijke
procedures – om de effectiviteit
van sociale interventies te
onderzoeken.
Actieonderzoek Een vorm van praktijkgericht
onderzoek dat tot doel heeft
kennis te verspreiden onder de
deelnemers aan het onderzoek en
zo politieke actie te stimuleren.
Triangulatie Een manier om eenzelfde
onderzoeksvraag zowel met
kwalitatieve als kwantitatieve
gegevens van antwoord te
voorzien teneinde de geldigheid
ervan te
maximaliseren.