1. ALGEMENE INLEIDING
1.1 NOODZAKELIJKE VAARDIGHEDEN VOOR GESCHIEDENIS
1.1.1 SITUEREN IN DE TIJD
Fundamentele eenheden: indeling aangereikt door natuur
- Dag: gemiddelde duur van de wenteling van de aarde om eigen as
- Maand: de periode tussen twee volle manen of de duur van de baan van de
maan rond de aarde. Duurt hoeveel dagen? ca. 29
- Jaar: duur van de wenteling van de aarde rond de zon (ca. 365,25… dagen)
Door de mens toegevoegde tijdseenheden:
- Week: groepering van dagen.
In de Joods-christelijke traditie: zeven. Het vindt zijn oorsprong bij het
scheppingsverhaal uit het Oude Testament waarbij God de wereld schiep in 6
dagen en de 7e dag rustte hij uit. Doorheen de eeuwen en over de wereld
verspreid zijn er echter verschillende manieren om dagen te groeperen,
variërend van 5 tot 10 dagen
- Uren: De Babyloniërs hadden een dagindeling van 12 uren net als wij, met dit
verschil dat de duur van 1 uur niet helemaal vaststond namelijk afhankelijk
van de seizoenen. in de loop van de middeleeuwen kwam er een uniform uur. Dit
was nodig om de juiste dagindeling voor de gebedsmomenten te kunnen maken.
Het waren dan ook monniken die in Europa de uitvinders waren van het
“mechanisch uurwerk”, al moet gezegd dat de Chinezen de allereerste waren. Zij
maakten al mechanische uurwerken vanaf de 9e à 10e eeuw.
- Minuten en seconden: pas recente ‘uitvindingen’. Dateren van de 18e – 19e eeuw
Tijdsbegrippen aangereikt door de chronologie:
Decennium: 10 jaar (1 tot 10)
Eeuw: 100 jaar bv. 1901 t.e.m. 2000
Millennium: 1000 jaar bv.2001 t.e.m. 3000
1.1.2 SITUEREN IN DE RUIMTE
Centrale vraag: waar hebben bepaalde gebeurtenissen zich voorgedaan?
Vaardigheden:
- Kunnen situeren op kaart (ook op blinde kaart)
1
, - Kunnen kaart lezen a.d.h.v. de gegevens (gebruikte kleuren en symbolen) uit
legende
- Kunnen analyseren en interpreteren van gegevens op kaart
- Kunnen kaarten vergelijken en veranderingen en evoluties vaststellen
1.1.3 SITUEREN BINNEN (EEN VAN) DE VIER MAATSCHAPPELIJKE DOMEINEN
De mens gemeenschapswezen: hij leeft samen met
medemensen in groepsverband
Wil men als samenleving overleven dan moeten problemen in
groep worden aangepakt
Onderscheiden vier domeinen:
Politieke levensomstandigheden: betrekking op de manier
waarop de mens zijn samenleving organiseert en bestuurt.
Gaat ook over relatie met andere landen + militaire
geschiedenis
Economische levensomstandigheden: informeren ons over manier waarop mensen
hun levensonderhoud voorzien (drie economische sectoren)
Sociale levensomstandigheden: verhouding tussen verschillende groepen in
samenleving
Culturele levensomstandigheden: werpen licht op zoektocht van de mens naar de
zin van zijn bestaan (bv. religie) en op zijn streven naar kennis (onderwijs, wetenschap)
en schoonheid (kunst)
1.1.4 KRITISCH ONTLEDEN VAN BRONNENMATERIAAL
Geschiedenis betekent letterlijk: ‘alles wat geschied (=gebeurd) is’.
Grondig analyseren van bronnenmateriaal veronderstelt drietal zaken
- bronnen plaatsen binnen een brede historische context
- bronnen bevragen naar hun bruikbaarheid (in functie van de gestelde
onderzoeksvraag)
- bronnen bevragen naar hun betrouwbaarheid
Feiten: uitspraken die we kunnen controleren en waarover geen discussie bestaat
Bv. Egypte werd geregeerd door farao’s
Mening: wanneer je ergens een mening over hebt, dien je die met goede argumenten te
onderbouwen. Dus altijd uitleggen waarom jij iets vindt
Bv. farao Ramses II was een goede vorst voor zijn volk
2
,1.1.5 STANDPLAATSGEBONDENHEID, EEN BELANGRIJK BEGRIP
→ Standplaatsgebondenheid betekent dat je altijd kijkt vanuit je eigen tijd,
waarden en ervaringen. Dat beïnvloedt hoe je het verleden begrijpt.
→ Jonge leerlingen kijken spontaan met een hedendaagse bril naar historische
situaties. Daardoor oordelen ze snel of vergelijken ze met vandaag.
→ Historisch denken vraagt dat je die bril bewust leert afzetten en probeert te
kijken vanuit het perspectief van mensen uit het verleden.
→ De dobbelsteenmetafoor toont dit mooi: iedereen ziet iets anders,
afhankelijk van waar hij staat. Zo werkt het ook met geschiedenis.
→ Wie geen rekening houdt met standplaatsgebondenheid, legt moderne
normen op aan het verleden. Dat zie je in uitspraken zoals “ze hadden
toen ook al…” of “ze konden toen nog niet…”.
→ Je kan leerlingen bewust maken van hun eigen bril door hen te laten
oordelen over samenlevingsvormen (jagers-verzamelaars, Atheense
democratie, Sparta…). Hun argumenten tonen vaak hoe sterk ze vergelijken
met vandaag.
→ Het begrip wordt vaak uitgelegd als het dragen van een bril: je ziet het
verleden altijd door een bepaald perspectief.
1.2 DE ALGEMENE PERIODISERING VAN DE GESCHIEDENIS
1.2.1 INDELING IN TIJDVAKKEN
Een tijdvak = bepaalde periode van geschiedenis met aantal belangrijke
gemeenschappelijke kenmerken
Indeling in tijdvakken als doel de lange en complexe geschiedenis v/d mens te
ordenen
Klassieke indelingen die wij gebruiken gebaseerd op westerse beschaving (Europa).
dus weinig zin voor geschiedenis van Azië, Afrika of Amerika
De 7 tijdvakken die algemeen gebruikt worden in secundair onderwijs:
1 Oudste tijden / prehistorie tot ca. 3500
2 Het oude nabije oosten ca. 3500 v.C. – ca. 800 v.C.
3 De klassieke oudheid ca. 800 v.C. – 450 na C.
4 De middeleeuwen 450 - ca. 1450
5 De vroegmoderne tijd ca. 1450 – ca. 1750
6 De moderne tijd ca. 1750 – 1945
7 De eigen tijd vanaf 1945
voor basisonderwijs situatie onduidelijk geen mooie afstemming van lager op
secundair onderwijs, noch tussen katholiek onderwijs en gemeenschapsonderwijs
3
, Het nieuwe leerplan ‘oriëntatie op de wereld’ v/h katholiek onderwijs hanteert
volgende indeling in 4 heel brede en vage periodes:
Prehistorie / oudheid tot ca. 500 n.C
Middeleeuwen ca. 500 n.C – ca. 1500
Nieuwe tijden ca. 1500 – ‘onze tijd’
Tijd waarin het voor lln nog mogelijk is om
Onze tijd
levende getuigen te ontmoeten
Het leerplan van gemeenschapsonderwijs (GO!) hanteert afwijkende indeling in 5
tijdvakken:
Prehistorie tot 3800 v.C.
Oudheid 3800 v.C. – 500 na C.
Middeleeuwen 500 – 1500
Nieuwe tijden 1500 – 1945
Onze tijd 1945 – …
1.2.2 HET GEBRUIK VAN TIJDSBANDEN
Doel en belang
De historische tijdband is een essentieel didactisch hulpmiddel in de lagere
school.
Door de tijdband regelmatig te gebruiken, krijgen leerlingen visuele en
structurele steun.
Het samenbrengen van historische elementen op één lijn helpt om verbanden te
leggen.
Werkwijze
De tijdband groeit doorheen de derde graad en wordt voortdurend aangevuld.
Er wordt niet gewerkt met vooraf ingevulde tijdbanden: enkel wat leerlingen zelf
geleerd en verwerkt hebben, komt erop.
Ook belangrijke inzichten uit de tweede graad krijgen een plaats.
Nieuwe leerinhouden starten steeds vanuit het activeren van voorkennis.
4