Samenvatting Privaatrecht
DEEL 1: Personen- en familierecht
Hoofdstuk 1: De mens
Afdeling 1: Het bestaan van de fysieke persoon
6. ‘Bestaan’ – Het bestaan van de persoon is zijn juridisch ‘zijn’. Elke fysieke persoon die ‘bestaat’
heeft rechtspersoonlijkheid en is m.a.w. drager van rechten en verplichtingen. Het bestaan van een
fysieke persoon begint met zijn geboorte en eindigt met zijn dood.
§ 1. Begin
7. Het bestaan – Het bestaan van de mens als rechtssubject neemt een aanvang bij de geboorte.
Rechtspersoonlijkheid wordt slechts toegekend indien:
- Het kind levend geboren wordt
- Het kind levensvatbaar is
Soms worden aan de nog ongeboren vrucht bepaalde rechten toegekend m.b.t. erven, het ontvangen
van schenkingen en de erkenning. Het ongeboren kind kan na zijn geboorte slechts aanspraak maken
op deze rechten indien het reeds verwekt was vóór de rechten openvielen en indien het levend en
levensvatbaar geboren werd.
9. Abortus – De beschermingsmaatregelen vóór de geboorte hebben hoofdzakelijk betrekking op de
wetgeving over zwangerschapsonderbreking. De huidige regeling is vervat in de Abortuswet van 15
oktober 2018, deze wet regelt de vrijwillige abortus. Abortus kan vanuit verschillende perspectieven
bekeken worden:
- Naargelang hij spontaan optreedt (spontane abortus of miskraam)
- Naargelang het doel waarvoor hij gepleegd: om therapeutische redenen (omwille van de
gezondheid van de moeder), om eugenetische redenen (wanneer het ongeboren kind zwaar
misvormd is), om sociale redenen (na verkrachting,…)
- Naargelang de vrouw erin heeft toegestemd of niet
- Naargelang de persoon die de abortus uitvoert: medisch geschoold persoon (medische
abortus), niet-medisch geschoold personeel.
Vóór de regeling van de zwangerschapsonderbreking bij wet van 1990, was elke opzettelijke
zwangerschapsonderbreking met het doel de vrucht te doden en met de doding van de vrucht als
gevolg strafbaar. De Abortuswet neemt de strafbaarheid weg onder de volgende cumulatieve
omstandigheden: de abortus moet gebeuren op verzoek en met toestemming van de vrouw, door
een geneesheer in medisch verantwoorde omstandigheden, gedurende de eerste 84 dagen van de
zwangerschap of wanneer de zwangere vrouw in een noodsituatie verkeert.
10. Aangifteverplichtingen n.a.v. de geboorte – De aangifte van de geboorte moet binnen de 15
dagen na de bevalling gedaan worden door de vader/meemoeder of de moeder.
1
,§ 2. Einde
11. Dood – De lichamelijke dood is het einde van de fysieke persoon en meteen ook het einde van de
rechtspersoonlijkheid. M.b.t. het overlijden van een persoon zijn een aantal belangrijke juridische
problemen gerezen:
- De juiste vaststelling van het ogenblik van overlijden
- Het conflict tussen enerzijds het recht om rustig te sterven en het respect voor menselijk
leven. Hiertegenover staan therapeutische hardnekkigheid. Dit geldt wanneer behandeling
te lang en zinloos wordt volgehouden en ze niet meer levensverlengend is, maar eerder
stervensverlengd is. Ook wanneer men in een zinloos geworden behandeling blijft volharden
en de behandeling niet in verhouding is met het verwachte resultaat van de patiënt.
Een ander soort hardnekkigheid is diagnostische hardnekkigheid. Dat geldt wanneer het uitvoeren
van onderzoeken niet in verhouding staat tot wat men nog als behandeling kan aanbieden.
- Het juridische statuut van het lijk
Er wordt automatisch een autopsie uitgevoerd op kinderen van -18 maanden die onverwacht en
medisch onverklaard overlijden, deze gaat echter niet door als één van de ouders zich ertegen verzet.
A. Vaststelling van het overlijden. Overlijden is niet noodzakelijk een momentaan feit of gebeurtenis,
maar het is dikwijls een proces dat zich in de tijd kan uitstrekken. Daardoor is het niet eenvoudig om
het juiste moment van overlijden vast te stellen. Er is nog geen enkel wettelijk criterium m.b.t. de
vaststelling van het overlijden. De eenvoudigste vaststelling is die van ‘lijk’, d.w.z. de toestand van een
menselijk lichaam na overlijden. Een mens is dood bij volledige en definitieve afwezigheid van elke
hersenwerking. Soms is het mogelijk dat een aantal functies kunstmatig in stand worden gehouden
(kunstmatige bloedsomloop, kunstmatige beademing,…). Deze toestand heet klinische dood.
B. Recht om rustig te sterven. Bij het stervenproces, vnl. het recht om menswaardig te sterven, dient
rekening gehouden te worden met een aantal inzichten die soms strijdig zijn met elkaar:
- De onaantastbaarheid van het menselijk leven als een van de pijlers van onze maatschappij
- Een beperkte mate van zelfbeschikking voor het rechtssubject bij de beoordeling van de
kwaliteit van zijn levenssituatie.
1. Interventie in het stervenproces. Eenieder heeft het recht om ongestoord te sterven: de
onaantastbaarheid van het sterfbed.
2. Medische handelingen met als oogmerk te doden. De Euthanasiewet van 28 mei 2002 creëert een
wettelijk kader voor euthanasie.
a. Begrip ‘euthanasie’. “Het opzettelijk levensbeëindigend handelen door een andere dan de
betrokkene, op diens verzoek”. Vroeger was euthanasie enkel voorbehouden voor terminale
patiënten, nu is het begrip ruimer ingevuld en geldt het voor:
- Terminale patiënten
- Patiënten, die zich in een uitzichtloze situatie bevinden van aanhouden en ondraaglijk lijden,
zowel fysiek als psychisch, en ongeneeslijk zijn.
2
,b. Principiële strafbaarheid. De hierboven omschreven euthanasie valt onder de strafrechtelijke
kwalificatie van doding en doodslag.
c. Toegelaten euthanasie. Er zijn enkele voorwaarden die vervuld moeten zijn opdat euthanasie niet
als een misdrijf zou worden beschouwd:
- De euthanasie moet toegepast zijn door een arts. Het optreden door andere personen dan
een arts (bv familieleden, verpleegkundigen) blijft strafbaar.
- Een vrijwillig, overwogen en herhaald verzoek, in schriftelijke vorm, door een meerderjarige,
handelingsbekwame persoon of een ontvoogde minderjarige. Dit verzoek kan worden
vervangen door een wilsverklaring, die geldig is voor onbepaalde duur. De wilsverklaring
wordt opgemaakt voor het geval de betrokkene zijn wil niet meer kan uiten.
- Terminale toestand of uitzichtloze toestand van aanhouden lijden, dat ongeneeslijk lijkt. Bij
een oordeelsbekwame minderjarige patiënt is euthanasie toegelaten als hij zich in een
medisch uitzichtloze toestand bevindt van aanhoudend en ondraaglijk fysiek lijden en dat
binnen een afzienbare termijn het overlijden tot gevolg heeft.
- Naleving van alle voorwaarden en procedures (informatie, controle, consultatie en aangifte).
(toevoeging slide: de meerderjarige of ontvoogde minderjarige patiënt zich in een medisch
uitzichtloze toestand bevindt van aanhoudend en ondraaglijk fysiek of psychisch lijden dat niet
gelenigd kan worden, en dat het gevolg is van een ernstige en ongeneeslijke, door ongeval of ziekte
veroorzaakte aandoening;
de minderjarige patiënt die oordeelsbekwaam is, zich in een medisch uitzichtloze toestand bevindt
van aanhoudend en ondraaglijk fysiek lijden dat niet gelenigd kan worden en dat binnen afzienbare
termijn het overlijden tot gevolg heeft, en dat het gevolg is van een ernstige en ongeneeslijke, door
ongeval of ziekte veroorzaakte aandoening)
d. Geen mensenrecht. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft in de zaak Diana Pretty
uitgemaakt dat euthanasie geen beschermd mensenrecht is. Zij was terminaal ziek en wou dat haar
zelfmoord haar hielp met zelfmoord te plegen omdat ze het zelf niet kon. Het EVRM wordt hierdoor
niet geschonden door haar het recht op zelfdoding niet toe te kennen.
e. Geen verplichting tot medewerking. Een arts kan niet verplicht worden om mee te werken aan
euthanasie.
3. Medische handelingen zonder oogmerk te doden. De problematiek van interventie in het levens- en
stervenproces zonder het oogmerk te doden, maar waar de dood als gevolg intreedt, kan in
verschillende typegevallen worden onderverdeeld.
a. Het toedienen van pijnbestrijdingsmiddelen, zelfs indien ze de dood tot gevolg kunnen hebben, is
geen euthanasie. Niet het doden is het doel van deze handeling, wel de pijnbestrijding.
b. Zinloze of onverantwoorde medische ingrepen niet toepassen strookt vanzelfsprekend zowel met
de medische ethiek als met het recht.
c. Het kunstmatig in leven houden en de mogelijkheden die de huidige geneeskunde biedt, kunnen
aanleiding geven tot delicate problemen. Als medisch gezien de dood is ingetreden (in geval van
klinische dood), behoren alle activiteiten gestaakt te worden, behalve degene die nodig zijn om het
lichaam in een toestand te houden die geschikt is voor transplantatie.
3
, Als de dood niet is ingetreden, bv langdurige comapatiënt, rijst de vraag m.b.t. de stopzetting van
kunstmatige technieken voor het in leven houden evenals het voortzetten van de kunstmatige
voeding. In ons rechtsstelsel is er geen bevredigend antwoord aanwezig.
d. Men kan aannemen dat personen die over een vrije wil beschikken, het recht hebben om een
medische (levensreddende/levensverlengende) behandeling te weigeren. Dit kan bv door religieus-
filosofische inzichten of omwille van de kwaliteit van het leven. Als de wil wordt geuit door de ouders
van minderjarigen, moet de beslissing van de ouders kunnen worden getoetst door de jeugdrechter.
C. Rechtsstatuut van het lijk. Het wegnemen van organen voor transplantatie is geregeld in de
Orgaantransplantatiewet. De wetgever koos voor een positief stelsel, d.w.z. dat na het overlijden bij
iedereen organen mogen worden weggenomen, behalve in geval van verzet ingeschreven in het
bevolkingsregister. Het mag niet bij een overlijden wegens ongekende oorzaak. De anonimiteit van de
donor moet gewaarborgd blijven.
§ 3. Onzekerheid over het bestaan
12. Onzekerheid – Er zijn situaties waarin het bestaan van de persoon probleem oplevert.
A. Afwezige. De afwezige is degene die opgehouden is te verschijnen waar hij zijn woonplaats of zijn
verblijfplaats had en van wie mens geen nieuws heeft ontvangen, zodat men niet weet of hij leeft op
dood is. Als men 3 maanden geen nieuws heeft ontvangen, kan de vrederechter het vermoeden van
afwezigheid vaststellen. Na 5 jaar afwezigheid kan de familierechtbank een verklaring van
afwezigheid afleveren. Dat staat gelijk met het overlijden.
B. Vermiste. Een vermiste is degene van wie men redelijkerwijze weet dat hij dood is, maar van wie
men het lijk niet kan terugvinden.
C. Eenvoudig niet-aanwezige. Hiermee wordt bedoeld de persoon die men niet aantreft in zijn
woonplaats, alhoewel men met zekerheid weet dat hij nog in leven is.
Afdeling 2: Biotechnologie en het recht
13. Lichaam en recht. Het menselijk lichaam is als zodanig geen voorwerp van een juridische regeling
in het Burgerlijk Wetboek. Algemeen werd aangenomen dat het menselijk lichaam een
publiekrechtelijk statuut vertoonde, in die zin dat een persoon niet over zijn eigen lichaam kan
beschikken zoals hij over zijn goederen kon beschikken. Er zijn belangrijke ontwikkelingen geweest in
de 20e en 21e eeuw, we onderscheiden één ontwikkelingskanaal.
B. Verhoogde zeggenschap over het eigen lichaam. Dit werd via maatschappelijke ontwikkeling in
het recht zichtbaar gemaakt. Deze ontwikkeling zorgde ervoor dat de wetgeving over abortus en
euthanasie werd gewijzigd en dat er een wetgeving ontstond over tatoeage en piercing.
Afdeling 3: Persoonlijkheidsrechten
14. Begrip – Persoonlijkheidsrechten zijn rechten die rechtstreeks met de rechtspersoonlijkheid
verbonden zijn. Alle elementen van de staat van een persoon zijn persoonlijkheidsrechten. Het zijn
geen patrimoniale rechten, d.w.z. niet in geld waarneembaar of verhandelbaar. Schendingen ervan
kunnen aanleiding geven tot schadevergoeding. Ze zijn onveranderlijk en niet vatbaar voor verjaring.
Dit is bv het geval voor naam, geslacht, privacy, woonplaats,…
4
DEEL 1: Personen- en familierecht
Hoofdstuk 1: De mens
Afdeling 1: Het bestaan van de fysieke persoon
6. ‘Bestaan’ – Het bestaan van de persoon is zijn juridisch ‘zijn’. Elke fysieke persoon die ‘bestaat’
heeft rechtspersoonlijkheid en is m.a.w. drager van rechten en verplichtingen. Het bestaan van een
fysieke persoon begint met zijn geboorte en eindigt met zijn dood.
§ 1. Begin
7. Het bestaan – Het bestaan van de mens als rechtssubject neemt een aanvang bij de geboorte.
Rechtspersoonlijkheid wordt slechts toegekend indien:
- Het kind levend geboren wordt
- Het kind levensvatbaar is
Soms worden aan de nog ongeboren vrucht bepaalde rechten toegekend m.b.t. erven, het ontvangen
van schenkingen en de erkenning. Het ongeboren kind kan na zijn geboorte slechts aanspraak maken
op deze rechten indien het reeds verwekt was vóór de rechten openvielen en indien het levend en
levensvatbaar geboren werd.
9. Abortus – De beschermingsmaatregelen vóór de geboorte hebben hoofdzakelijk betrekking op de
wetgeving over zwangerschapsonderbreking. De huidige regeling is vervat in de Abortuswet van 15
oktober 2018, deze wet regelt de vrijwillige abortus. Abortus kan vanuit verschillende perspectieven
bekeken worden:
- Naargelang hij spontaan optreedt (spontane abortus of miskraam)
- Naargelang het doel waarvoor hij gepleegd: om therapeutische redenen (omwille van de
gezondheid van de moeder), om eugenetische redenen (wanneer het ongeboren kind zwaar
misvormd is), om sociale redenen (na verkrachting,…)
- Naargelang de vrouw erin heeft toegestemd of niet
- Naargelang de persoon die de abortus uitvoert: medisch geschoold persoon (medische
abortus), niet-medisch geschoold personeel.
Vóór de regeling van de zwangerschapsonderbreking bij wet van 1990, was elke opzettelijke
zwangerschapsonderbreking met het doel de vrucht te doden en met de doding van de vrucht als
gevolg strafbaar. De Abortuswet neemt de strafbaarheid weg onder de volgende cumulatieve
omstandigheden: de abortus moet gebeuren op verzoek en met toestemming van de vrouw, door
een geneesheer in medisch verantwoorde omstandigheden, gedurende de eerste 84 dagen van de
zwangerschap of wanneer de zwangere vrouw in een noodsituatie verkeert.
10. Aangifteverplichtingen n.a.v. de geboorte – De aangifte van de geboorte moet binnen de 15
dagen na de bevalling gedaan worden door de vader/meemoeder of de moeder.
1
,§ 2. Einde
11. Dood – De lichamelijke dood is het einde van de fysieke persoon en meteen ook het einde van de
rechtspersoonlijkheid. M.b.t. het overlijden van een persoon zijn een aantal belangrijke juridische
problemen gerezen:
- De juiste vaststelling van het ogenblik van overlijden
- Het conflict tussen enerzijds het recht om rustig te sterven en het respect voor menselijk
leven. Hiertegenover staan therapeutische hardnekkigheid. Dit geldt wanneer behandeling
te lang en zinloos wordt volgehouden en ze niet meer levensverlengend is, maar eerder
stervensverlengd is. Ook wanneer men in een zinloos geworden behandeling blijft volharden
en de behandeling niet in verhouding is met het verwachte resultaat van de patiënt.
Een ander soort hardnekkigheid is diagnostische hardnekkigheid. Dat geldt wanneer het uitvoeren
van onderzoeken niet in verhouding staat tot wat men nog als behandeling kan aanbieden.
- Het juridische statuut van het lijk
Er wordt automatisch een autopsie uitgevoerd op kinderen van -18 maanden die onverwacht en
medisch onverklaard overlijden, deze gaat echter niet door als één van de ouders zich ertegen verzet.
A. Vaststelling van het overlijden. Overlijden is niet noodzakelijk een momentaan feit of gebeurtenis,
maar het is dikwijls een proces dat zich in de tijd kan uitstrekken. Daardoor is het niet eenvoudig om
het juiste moment van overlijden vast te stellen. Er is nog geen enkel wettelijk criterium m.b.t. de
vaststelling van het overlijden. De eenvoudigste vaststelling is die van ‘lijk’, d.w.z. de toestand van een
menselijk lichaam na overlijden. Een mens is dood bij volledige en definitieve afwezigheid van elke
hersenwerking. Soms is het mogelijk dat een aantal functies kunstmatig in stand worden gehouden
(kunstmatige bloedsomloop, kunstmatige beademing,…). Deze toestand heet klinische dood.
B. Recht om rustig te sterven. Bij het stervenproces, vnl. het recht om menswaardig te sterven, dient
rekening gehouden te worden met een aantal inzichten die soms strijdig zijn met elkaar:
- De onaantastbaarheid van het menselijk leven als een van de pijlers van onze maatschappij
- Een beperkte mate van zelfbeschikking voor het rechtssubject bij de beoordeling van de
kwaliteit van zijn levenssituatie.
1. Interventie in het stervenproces. Eenieder heeft het recht om ongestoord te sterven: de
onaantastbaarheid van het sterfbed.
2. Medische handelingen met als oogmerk te doden. De Euthanasiewet van 28 mei 2002 creëert een
wettelijk kader voor euthanasie.
a. Begrip ‘euthanasie’. “Het opzettelijk levensbeëindigend handelen door een andere dan de
betrokkene, op diens verzoek”. Vroeger was euthanasie enkel voorbehouden voor terminale
patiënten, nu is het begrip ruimer ingevuld en geldt het voor:
- Terminale patiënten
- Patiënten, die zich in een uitzichtloze situatie bevinden van aanhouden en ondraaglijk lijden,
zowel fysiek als psychisch, en ongeneeslijk zijn.
2
,b. Principiële strafbaarheid. De hierboven omschreven euthanasie valt onder de strafrechtelijke
kwalificatie van doding en doodslag.
c. Toegelaten euthanasie. Er zijn enkele voorwaarden die vervuld moeten zijn opdat euthanasie niet
als een misdrijf zou worden beschouwd:
- De euthanasie moet toegepast zijn door een arts. Het optreden door andere personen dan
een arts (bv familieleden, verpleegkundigen) blijft strafbaar.
- Een vrijwillig, overwogen en herhaald verzoek, in schriftelijke vorm, door een meerderjarige,
handelingsbekwame persoon of een ontvoogde minderjarige. Dit verzoek kan worden
vervangen door een wilsverklaring, die geldig is voor onbepaalde duur. De wilsverklaring
wordt opgemaakt voor het geval de betrokkene zijn wil niet meer kan uiten.
- Terminale toestand of uitzichtloze toestand van aanhouden lijden, dat ongeneeslijk lijkt. Bij
een oordeelsbekwame minderjarige patiënt is euthanasie toegelaten als hij zich in een
medisch uitzichtloze toestand bevindt van aanhoudend en ondraaglijk fysiek lijden en dat
binnen een afzienbare termijn het overlijden tot gevolg heeft.
- Naleving van alle voorwaarden en procedures (informatie, controle, consultatie en aangifte).
(toevoeging slide: de meerderjarige of ontvoogde minderjarige patiënt zich in een medisch
uitzichtloze toestand bevindt van aanhoudend en ondraaglijk fysiek of psychisch lijden dat niet
gelenigd kan worden, en dat het gevolg is van een ernstige en ongeneeslijke, door ongeval of ziekte
veroorzaakte aandoening;
de minderjarige patiënt die oordeelsbekwaam is, zich in een medisch uitzichtloze toestand bevindt
van aanhoudend en ondraaglijk fysiek lijden dat niet gelenigd kan worden en dat binnen afzienbare
termijn het overlijden tot gevolg heeft, en dat het gevolg is van een ernstige en ongeneeslijke, door
ongeval of ziekte veroorzaakte aandoening)
d. Geen mensenrecht. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft in de zaak Diana Pretty
uitgemaakt dat euthanasie geen beschermd mensenrecht is. Zij was terminaal ziek en wou dat haar
zelfmoord haar hielp met zelfmoord te plegen omdat ze het zelf niet kon. Het EVRM wordt hierdoor
niet geschonden door haar het recht op zelfdoding niet toe te kennen.
e. Geen verplichting tot medewerking. Een arts kan niet verplicht worden om mee te werken aan
euthanasie.
3. Medische handelingen zonder oogmerk te doden. De problematiek van interventie in het levens- en
stervenproces zonder het oogmerk te doden, maar waar de dood als gevolg intreedt, kan in
verschillende typegevallen worden onderverdeeld.
a. Het toedienen van pijnbestrijdingsmiddelen, zelfs indien ze de dood tot gevolg kunnen hebben, is
geen euthanasie. Niet het doden is het doel van deze handeling, wel de pijnbestrijding.
b. Zinloze of onverantwoorde medische ingrepen niet toepassen strookt vanzelfsprekend zowel met
de medische ethiek als met het recht.
c. Het kunstmatig in leven houden en de mogelijkheden die de huidige geneeskunde biedt, kunnen
aanleiding geven tot delicate problemen. Als medisch gezien de dood is ingetreden (in geval van
klinische dood), behoren alle activiteiten gestaakt te worden, behalve degene die nodig zijn om het
lichaam in een toestand te houden die geschikt is voor transplantatie.
3
, Als de dood niet is ingetreden, bv langdurige comapatiënt, rijst de vraag m.b.t. de stopzetting van
kunstmatige technieken voor het in leven houden evenals het voortzetten van de kunstmatige
voeding. In ons rechtsstelsel is er geen bevredigend antwoord aanwezig.
d. Men kan aannemen dat personen die over een vrije wil beschikken, het recht hebben om een
medische (levensreddende/levensverlengende) behandeling te weigeren. Dit kan bv door religieus-
filosofische inzichten of omwille van de kwaliteit van het leven. Als de wil wordt geuit door de ouders
van minderjarigen, moet de beslissing van de ouders kunnen worden getoetst door de jeugdrechter.
C. Rechtsstatuut van het lijk. Het wegnemen van organen voor transplantatie is geregeld in de
Orgaantransplantatiewet. De wetgever koos voor een positief stelsel, d.w.z. dat na het overlijden bij
iedereen organen mogen worden weggenomen, behalve in geval van verzet ingeschreven in het
bevolkingsregister. Het mag niet bij een overlijden wegens ongekende oorzaak. De anonimiteit van de
donor moet gewaarborgd blijven.
§ 3. Onzekerheid over het bestaan
12. Onzekerheid – Er zijn situaties waarin het bestaan van de persoon probleem oplevert.
A. Afwezige. De afwezige is degene die opgehouden is te verschijnen waar hij zijn woonplaats of zijn
verblijfplaats had en van wie mens geen nieuws heeft ontvangen, zodat men niet weet of hij leeft op
dood is. Als men 3 maanden geen nieuws heeft ontvangen, kan de vrederechter het vermoeden van
afwezigheid vaststellen. Na 5 jaar afwezigheid kan de familierechtbank een verklaring van
afwezigheid afleveren. Dat staat gelijk met het overlijden.
B. Vermiste. Een vermiste is degene van wie men redelijkerwijze weet dat hij dood is, maar van wie
men het lijk niet kan terugvinden.
C. Eenvoudig niet-aanwezige. Hiermee wordt bedoeld de persoon die men niet aantreft in zijn
woonplaats, alhoewel men met zekerheid weet dat hij nog in leven is.
Afdeling 2: Biotechnologie en het recht
13. Lichaam en recht. Het menselijk lichaam is als zodanig geen voorwerp van een juridische regeling
in het Burgerlijk Wetboek. Algemeen werd aangenomen dat het menselijk lichaam een
publiekrechtelijk statuut vertoonde, in die zin dat een persoon niet over zijn eigen lichaam kan
beschikken zoals hij over zijn goederen kon beschikken. Er zijn belangrijke ontwikkelingen geweest in
de 20e en 21e eeuw, we onderscheiden één ontwikkelingskanaal.
B. Verhoogde zeggenschap over het eigen lichaam. Dit werd via maatschappelijke ontwikkeling in
het recht zichtbaar gemaakt. Deze ontwikkeling zorgde ervoor dat de wetgeving over abortus en
euthanasie werd gewijzigd en dat er een wetgeving ontstond over tatoeage en piercing.
Afdeling 3: Persoonlijkheidsrechten
14. Begrip – Persoonlijkheidsrechten zijn rechten die rechtstreeks met de rechtspersoonlijkheid
verbonden zijn. Alle elementen van de staat van een persoon zijn persoonlijkheidsrechten. Het zijn
geen patrimoniale rechten, d.w.z. niet in geld waarneembaar of verhandelbaar. Schendingen ervan
kunnen aanleiding geven tot schadevergoeding. Ze zijn onveranderlijk en niet vatbaar voor verjaring.
Dit is bv het geval voor naam, geslacht, privacy, woonplaats,…
4