HOOFDSTUK 1: INLEIDING
Examen:
4-5 open vragen
Belangrijk:
- De termen en concepten exact gebruiken zoals in de curcus.
- De termen en concepten juist defineren
- Verbanden tussen verschillende hoofdstukken kennen.
o Bv: Dat is in Engeland gebeurd welke link zie je dat nu in wallornie aan het gebeuren is?
1.1 WAT IS RUIMTELIJEK PLANNING?
De basisdefinitie komt uit het EU Compendium (1999) (ontstaan in de jaren '90 na de Europese
eenmaking):
"Spatial planning refers to the methods used largely by the public sector to influence the future
distribution of activities in spaces."
In de kern is ruimtelijke planning:
• Allocatievraagstuk: Waar wordt welke functie het best gelokaliseerd? (Bijv. Waar komt een
nieuw voetbalstadion?).
• Distributievraagstuk: Hoe worden de activiteiten verdeeld over de ruimte in verhouding tot
de bevolking? (Bijv. Hoeveel voetbalstadions hebben we nodig voor deze regio?).
De drie nuances op de EU-definitie
1. "Largely by the public sector" (De actoren)
o Wel: De overheid (publieke sector) heeft het monopolie op wetten en vergunningen.
o Nuance: De overheid plant niet alleen; er is sprake van complexe netwerken (publiek,
semipubliek en privaat). Ook de private sector doet aan ruimtelijke planning (bijv.
multinationals die locaties kiezen voor nieuwe fabrieken, of winkelketens die de
optimale ligging van handelspanden bepalen).
2. "Future distribution" (De tijdshorizon)
o Wel: Planning is sterk toekomstgericht. Ruimtelijke processen veranderen erg traag.
Strategische plannen kijken vaak 15 tot 30 jaar vooruit (Bijv. Structuurplan Vlaanderen:
15 jaar; Beleidsplan Ruimte 2018: kijkt tot 2050).
o Nuance: Planning gaat ook over het heden. Het omvat het dagelijks ruimtelijk
management en beheer (handhaving en het verlenen van vergunningen).
3. "Activities in space" (Vorm & functie)
o Vorm: De fysieke verschijningsvorm van de gebouwde omgeving (bijv. bouwhoogte,
bouwdiepte, materiaalgebruik).
o Functie: De invulling van de ruimte (bijv. wonen, industrie, commercieel, recreatie,
natuur, landbouw).
1
,Internationele planningsysteem
Historische context
• Klassieke oudheid: Hippodamus van Milete (5de eeuw v. Chr.) wordt gezien als de eerste
stadsplanner (Griekse orthogonale/raster-stadsplannen).
• Middeleeuwen: Vaak "ongepland", maar wel al bouwreglementen voor veiligheid (brand) en
leefbaarheid, of plannen voor grote publieke werken (vestingmuur, haven).
• Moderne ruimtelijke planning: Ontstaat pas in de tweede helft van de 19e eeuw, parallel
met de opkomst van de natiestaten in Europa.
1.2 RUIMTELIJKE TERMEN
Ruimtelijke ordening
(Engels: Spatial planning / Frans: Aménagement du territoire / Duits: Raumordnung)
• Twee betekenissen:
1. De feitelijke ruimtelijke toestand zoals die er nu bij ligt (het resultaat van
maatschappelijke processen). Bijvoorbeeld: "De ruimtelijke ordening in Vlaanderen is
geen toonvoorbeeld."
2. Het beleidsdomein dat zich bezighoudt met het plannen van de ruimte.
• Kenmerken: Dit beleidsdomein is erg breed. Het omvat niet alleen planning, maar ook het
verlenen van vergunningen, handhaving en monitoring.
• Vlaams niveau: Valt onder het Departement Omgeving.
Stedenbouw
(Engels: Urban design of urbanism / Frans: Urbanisme)
• = Het domein dat specifiek gericht is op het ontwerp en de fysiek-ruimtelijke ontwikkeling
van de stad, stadsdelen of nederzettingen.
• Wortels: Heeft intellectuele wortels in de architectuur en de ingenieurswetenschappen. Er
ligt een sterke nadruk op vormgeving en ontwerp.
• Dubbele betekenis: Kan ook verwijzen naar de gemeentelijke of stedelijke diensten die
verantwoordelijk zijn voor het ruimtelijke beleid (zoals de 'dienst stedenbouw' die
vergunningen aflevert).
• Examentip: De term 'urbanisatie' is een gallicisme en kun je op het examen beter vermijden.
Stadsontwikkeling
(Engels: Urban development / Frans: Développement urbain)
• = Slaat op de geïntegreerde, sociaal-ruimtelijke ontwikkelingen van steden of stadsdelen.
• Verschil met stedenbouw: Stadsontwikkeling is breder dan stedenbouw omdat het naast het
fysieke ontwerp ook sociale en economische dimensies meeneemt. Het is dus
multidisciplinair.
• Beleidsveld: Valt onder 'Stedenbeleid' en hoort in Vlaanderen bij het Departement
Binnenlands Bestuur.
• Voorbeeld (Schipperskwartier Antwerpen): De herontwikkeling van deze prostitutiebuurt
greep niet alleen in op het openbaar domein (fysiek), maar omvatte ook sociale projecten
zoals de oprichting van een gezondheidscentrum en een gecentraliseerd prostitutiecentrum
(Villa Tinto).
2
,Internationele planningsysteem
Planologie
• = De wetenschappelijke reflectie rond planning (de wetenschap achter het plannen).
• Geschiedenis: Het is een vrij recente term die in 1929 voor het eerst werd gebruikt door de
Nederlandse planner De Casseres in zijn publicatie "Grondslagen der planologie".
• Wortels: Ontwikkeld in de 20ste eeuw met wortels in de architectuur en stedenbouw, maar
ook sterk beïnvloed door sociale, politieke, exacte wetenschappen en sociale geografie.
Omgevingsbeleid
• = Verwijst naar de groeiende integratie tussen ruimtelijke planning en het milieubeleid.
• Brede blik: Ook andere ruimtelijke domeinen zoals het beleid rond monumenten en
landschappen worden hier nu onder gerekend.
• Vlaams niveau: Dit zie je direct terug in de structuur van de overheid: het vroegere
Departement Ruimte is samengevoegd met het Departement Milieu en Natuur tot het
huidige Departement omgeving.
De schaal van stedenbouw (urban design)
Stedenbouw een tussenpositie inneemt: het is groter dan architectuur (dat focust op één gebouw),
maar kleiner en fysieker dan ruimtelijke planning (dat focust op hele regio's en structuren).
1. Het de brug slaat tussen de private actor (de individuele bouwer) en de publieke actor (de
overheid die de stad beheert).
2. Het altijd gaat over de relatie tussen de vorm van de gebouwen (Built form) en de kwaliteit
van de openbare ruimte (Urban space) op het niveau van de straat, de wijk en de stad.
3
, Internationele planningsysteem
1.3 WAAROM RUIMTELIJKE PLANNING
Waarom de overheid zich überhaupt bemoeit met de ruimte. De markt regelt dit namelijk niet
vanzelf perfect.
Het EU Compendium (1999) geeft drie hoofdargumenten waarom ruimtelijke planning een
noodzakelijke overheidstaak is.
1. Een meer rationele organisatie van het landgebruik en de onderlinge verbindingen
De overheid zorgt ervoor dat functies op een logische, slimme plek liggen ten opzichte van elkaar,
zodat de samenleving vlot en veilig kan functioneren.
• Negatieve effecten voorkomen (Functies scheiden): Je wilt geen zware, vervuilende
chemische bedrijven pal naast een rustige woonwijk zetten (vanwege lawaai, geur en
gevaar). Planning zorgt dat die industrie op een specifiek bedrijventerrein komt.
• Positieve effecten versterken (Functies verbinden/nabijheid): Je wilt dat voorzieningen zoals
scholen, supermarkten en sporthallen in de nabijheid van woonkernen liggen, zodat kinderen
er veilig naartoe kunnen wandelen of fietsen.
2. Het afwegen van de vraag naar ontwikkeling tegenover de bescherming van de omgeving
De ruimte is schaars, en iedereen wil er iets mee. Planning functioneert hier als
een scheidsrechter die de belangen afweegt. Dit noemen we het afwegen van ruimteclaims:
• Harde sectoren versus zachte sectoren: Er is een constante spanning tussen 'harde' sectoren
(die beton en infrastructuur vragen, zoals wonen, industrie, wegen, ontspanning) en 'zachte'
sectoren (die open ruimte vragen, zoals natuur, bos en landbouw).
• Voorbeeld: Als een projectontwikkelaar een nieuw bos wil kappen om er een woonwijk
(harde sector) te bouwen, moet de overheid via planning de afweging maken: hebben we op
die plek meer nood aan woningen, of is de bescherming van de natuur en de biodiversiteit
(zachte sector) daar belangrijker?
3. Het bereiken van sociale en economische doelstellingen
Ruimtelijke planning is geen doel op zich, maar een middel om de maatschappij sociaal en
economisch sterker te maken.
• Economisch doel: Zorgen voor een goede economische motor door strategische locaties te
voorzien voor havens, logistieke centra of winkelstraten, en te zorgen dat die vlot bereikbaar
zijn via wegen of het spoor.
• Sociaal doel: Zorgen voor sociale rechtvaardigheid. Bijvoorbeeld door te verplichten dat er in
een nieuwe woonwijk ook een percentage betaalbare of sociale woningen moet komen, of
door te zorgen dat álle burgers (ongeacht inkomen) toegang hebben ik een groen park in hun
buurt.
"Waarom doen we aan ruimtelijke planning volgens het EU Compendium
1. Rationeel ordenen (Logische plek voor functies, bijv. scholen dichtbij, industrie ver weg).
2. Belangen afwegen / Ruimteclaims balanceren (Harde sectoren zoals wonen/industrie versus
zachte sectoren zoals natuur/milieu).
4