26/01
Thema 1.
Ontwikkelingspsychologie: bestudeert de manier waarop mensen
opgroeien en veranderen, van wieg tot … de wetenschap die
het gedrag van de mens bestudeert in de verschillende fasen van zijn
ontwikkelen
Levenslooppsychologie: in oorsprong enkel de ontwikkelingspsychologie
van de volwassenen, nu vaak als overkoepelende term gebruikt, het is een
descriptieve en een verklarende wetenschap
Descriptief: louter beschrijven van leeftijdsverschillen op de diverse
domeinen van het functioneren
Verklarend: verklaren van de processen aan de basis van
ontwikkelingsgebonden gedragsveranderingen
Ontwikkelingsprobleem: als een kind langdurig en ernstig achterblijft op
zijn leeftijdsgenoten meerwaarde:
- Goed referentiekader ‘normale ontwikkeling’ waaraan we cliënten
kunnen spiegelen
- Inzicht in normale vs afwijkende ontwikkeling
- Inzicht in problemen, … die leeftijdsgenoten zijn
- Inleving en inzicht in leefwereld van client
3 factoren:
- Nature
- Nuture
- Zelfbepaling
Ontwikkelingsfase:
1. Prenatale fase
2. Baby: 0 – 18 maanden
3. Peuter: 18 maanden – 3 jaar
4. Kleuter 3 – 6 jaar
5. Lagere schoolkind: 6 – 12 jaar
6. Adolescentie: 12 – 24 jaar
7. Volwassene: 25 – 65 jaar
8. Oudere: +65 jaar
Ontwikkelingsdomeinen:
, - Lichamelijk: motorisch of zintuigelijk
- Cognitief: verstandelijk (denken en geheugen) & taal
- Persoonlijkheid: identiteitsontwikkeling & ontwikkeling van de eigen
wil
- Sociaal: omgang & acceptatie van anderen en sociaal gedrag
- Emotioneel: ontwikkeling van gevoelens van vertrouwen en
veiligheid
- Moreel: ontwikkeling van normen en waarden
- Spel- en tekenontwikkeling
- Seksueel: gedrags-, lichaams-, en lustbeleving, waardering van
eigen lichaam
Ontwikkelingspsychologen:
Freud De psycho – seksuele ontwikkeling
Erikson Psychosociale ontwikkeling
Piaget De stadia van cognitieve ontwikkeling
Bandura Leren door imitatie
Vygotsky De zone van naaste ontwikkeling
Kohlberg Morele ontwikkeling
Bowlby Hechtingstheorie
Freud: Oostenrijkse neuroloog, aandacht voor psycho – seksuele
ontwikkeling, onderscheid tussen es, ego, superego
- Ego: ik, ich, controleren van driften, uitstellen of afremmen,
realiteitsprincipe – wat is mogelijk?
- Es: driften, onbewuste ongestuurd, het lustprincipe – onmiddellijke
bevrediging van behoeften
- Superego: geweten, ideaalprincipe – waarden en normen
Gevolgen van traumatische ervaringen:
- Fixatie: blijven steken in een fase
- Regressie: terugkeer naar een eerdere fase. Bv. bij stress – roken
Orale fase: 0-1 jaar:
- Erogene zone: mond
- Kenmerken: vertrouwen en comfort door orale stimulatie (voeding),
vooral overgeleverd aan driften
- Indien behoefte niet vervuld: duimzuigen, roken
- Indien overdreven vervuld: afhankelijk en onzelfstandig
,Anale fase: 1 – 3 jaar
- Erogene zone: anale gebied
- Kenmerken: controle over sluitspier, plezier in het inhouden van
uitwerpselen
- Effect van fixatie: te vroeg – controlegewoontes, perfectionistisch,
niet genoeg – te vrijgevig, aanstellerig
Latentiefase: 6 – 11 jaar
- Kenmerken: fantasieën uit oedipale crisis, seksuele/ agressieve
fantasieën zijn onderdrukt in de vorige fase, rustperiode, jongens en
meisjes hebben weinig interesse in mekaar
Genitale fase: 11/13 – 18 jaar
- Erogene zone: genitaliën
- Kenmerken: vrijmaken van ouders, lukt zelden helemaal, relatie met
andere geslacht
Erikson: Duitse psycholoog, aandacht voor psychosociale ontwikkeling
8 fasen:
8 fasen:
1. Basisvertrouwen VS wantrouwen 0 – 1 jaar
2. Autonomie VS schaamte en twijfel: 1 – 4 jaar
3. Initiatief VS schuld: 4 – 6 jaar
4. Vlijt VS minderwaardigheid 6 – 12 jaar
5. Identiteit VS identiteitsverwarring: 13 – 22 jaar
6. Intimiteit VS isolement: 22 – 40 jaar
7. Generativiteit VS stagnatie: 40 – 65 jaar
8. Integriteit VS wanhoop: 65+ jaar
, 1. basisvertrouwen (basis trust, belang van positieve ervaringen,
zelfvertrouwen) VS wantrouwen (wereld is vijandig, moeilijkheden bij
aangaan van sociale relaties) – baby
2. Autonomie (omgeving verkennen, zelfredzaamheid stijgt,
aanmoediging vanuit de omgeving) VS schaamte en twijfel
(onvoldoende aanmoediging, moeizame zindelijkheidstraining) -
peuter
3. Initiatief (kleuters leren zelf plannen, ontdekken van eigen
geslacht, ouders bepalen grenzen) VS schuld (te veel controle:
angst en afhankelijkheid, te weinig controle: geen geweten of
schuldgevoel) - kleuter
4. Competentie / vlijt (om hard te werken: school, hobby, sport) VS
minderwaardigheid (veel succes: geen inlevingsvermogen,
overmoedig – veelvuldig falen: gebrek aan zelfvertrouwen)-
schoolkind
5. Identiteit (ontdekken van eigen ik) VS identiteitsverwarring
(verwarring over eigen identiteit, risico om verloren te lopen) -
puber
6. Intimiteit (vinden van partner om te settelen) VS isolement
(ontbreken van een partner, moeilijkheden bij aangaan relaties) -
volwassene
7. Generativiteit (gezin stichten, carrière maken) VS stagnatie
(ontbreken van carrière en gezin, gevoelens van bitterheid en) -
volwassene
8. Integriteit (tevreden gevoel over levensloop) VS wanhoop
(ontevreden over levensloop, risico op depressieve en bittere
gevoelens) – oudere