1. Één allel voor oogkleur
a. bepaalt onafhankelijk van het andere allel hoe de eigenschap tot uitdrukking
komt
b. zit op een chromosoom dat overgeërfd werd van de moeder of vader
c. beide antwoorden zijn juist
2. Als je twee gelijke allelen hebt voor een eigenschap ben je
a. heterozygoot
b. homozygoot
c. monozygoot
d. duozygoot
3. Het genotype is
a. ontstaan bij de bevruchting
b. het totaal van alle waarneembare eigenschappen of kenmerken van een
organisme
c. beide antwoorden zijn juist
4. Een mens heeft
a. 24 paar homologe chromosomen
b. 44 heterosomen en 2 autosomen
c. 2 heterosomen en 44 autosomen
5. In de genetica is…
a. het X-chromosoom minder belangrijk dan het Y-chromosoom
b. Een haploïde cel een cel met 23 chromosomen
c. mitose verantwoordelijk voor de aanmaak van geslachtscellen
6. Mutaties
a. hebben altijd een negatieve invloed
b. kunnen geboorteafwijkingen of miskramen teweegbrengen
c. in kiemcellen zijn niet erfelijk
7. trisomie 21 is
a. een genmutatie
b. een verandering in de structuur van het chromosoom
c. een verandering in het aantal chromosomen
8. Wat is fout?
a. straling, chemische stoffen en sommige virussen kunnen een geïnduceerde
mutatie veroorzaken.
b. spontane mutaties worden meestal enkel opgemerkt als ze de functie van
een gen negatief beïnvloeden. Ze komen vaker voor bij oudere vaders.
c. achondroplasie komt vooral voor bij jonge vaders en vermindert de aanmaak
van kraakbeen bij de foetus.
, d. h
et syndroom van Marfan en progeria zijn voorbeelden van spontane
mutaties.
9. Mucoviscidose is
a. een spontane mutatie
b. een genmutatie
c. autosomaal recessief
d. een verandering in de structuur van een chromosoom
e. antwoord b & c zijn juist
f. alle antwoorden zijn fout
10.genmutaties kunnen komen door
a. deletie, insertie
b. translatie, substitutie
c. beide antwoorden zijn fout
11.Diagnostiek van mucoviscidose
a. kan via de guthrie-test
b. gebeurt enkel via een zweettest bij een negatief resultaat op de hielprik
c. antwoord a & b zijn fout
12.wat is geen voorbeeld van een genmutatie?
a. syndroom van Marfan
b. sikkelcelanemie
c. mucoviscidose
13.Een genoommutatie
a. treedt op door een fout in de celdeling (non-disjunctie)
b. is een afwijking in de hoeveelheid chromosomen
c. is een afwijking in de structuur van een chromosoom
d. antwoord a & b zijn juist
e. antwoord a & c zijn juist
14.trisomie 21 is een voorbeeld van
a. polyploïdie
b. aneuploïdie
c. nullisomie
15.Het syndroom van Turner is een voorbeeld van
a. nullisomie (X0)
b. monosomie (X0)
c. trisomie (XXY)
16.Het syndroom van klinefelter is een voorbeeld van
a. nullisomie (X0)
b. monosomie (X0)
c. trisomie (XXY)