Inleiding
1) Fauna en flora
Ontstaan (4,5 miljoen jaar geleden)
Het heelal
Oerknal: extreme hitte na oerknal waardoor er niks was
Na … jaar
Elektronen en protonen zorgen voor ontstaan van atomen zoals waterstof DOOR grote druk +
wrijving
Ontstaan …
1. Kernfusie: door hoge druk en warmte ontstaan van helium -> energie komt vrij (ster: zon)
2. ontstaan planeten: ook warme deeltjes MAAR niet warm genoeg voor kernfusie
Continenten
Afkoeling zorgt voor verharding: korst
➢ drijft op magma
➢ verschuift
Pangea = supercontinent
➢ Alle huidige continenten plakken aan elkaar
Eerste leven
Ééncelligen
Zonder celkern
Vaak in water en in warmte
Meercelligen
Algen
➢ Zetten waterstof om in zuurstof -> dit laten ze los DUS zuurstof in het water: er ontstaan
meercelligen (collageen : verbinding maken)
= cambrium explosie -> veel meer gedierte
Ontstaan vissen
➢ Amfibieën sommigen
GEEN leven op aarde: te weinig zuurstof + Uv-licht doodt hen (er is nog geen ozonlaag)
Planten (evolutie)
1. Mossen
➢ Ozonlaag ontstaat + zuurstofgehalte omhoog
2. Sporenplanten (varens)
➢ Groter: kunnen meer zonlicht afnemen en kunnen dus beter aan fotosynthese doen
Hiertussen!!
3. Zaadplanten
➢ Zelfde moment als reptielen
4. Bedektzadige
➢ Zelfde moment als vogels: vogels verplaatsen stuifmeel -> bestuiving
Dieren (evolutie)
1. Vissen (water)
2. Amfibieën (water en land; water is noodzakelijk)
3. Reptiel (water en land; water is NIET nodig)
Inslag komeet: 4. Zoogdieren (begonnen klein want dino’s aten alles op
weinig eten, 5. Vogels (komen van dino’s)
dino’s sterven uit 6. Primaten (apensoort: grijpen, intelligentie, complexe bewegingen) -> eerste mensaap
, Mens (evolutie)
1. Homo habilis: eerste werktuigen
2. Homo sapiens: nu
Evolutietheorie (Darwin)
Een organisme past zich aan, aan de omgeving om te overleven. Indien de aanpassing niet mogelijk
is, sterft het organisme
Voortplanting is dus alleen voor de geëvolueerde organismen
Begrippen
Individu 1 organisme
Levensgemeenschap Meerdere levende organismen
Populatie Organismen van dezelfde soort
Ecosysteem Niet-levende en levende organismen samen
Voedselketen Fases van voedsel (wordt gegeten door…)
Producent – consument
Voedselkringloop Producent – consument – reducent
Reducent: van organisch (uitwerpselen) naar anorganisch (mineralen
die producent nodig heeft)
Voedselnet-web Meerdere voedselketens samen
Voedselpiramide Voorstelling: wie eet wie
Bovenaan (punt) veel voedsel nodig om te overleven
Fotosynthese CO2 + water omgezet in suiker (bouwstof plant) en zuurstof doormiddel
van zonlicht in de bladgroenkorrels
2) Taxonomie van Linnaeus
Indeling volgens:
Stam
Klasse
Orde
Familie
Geslacht
Soort
Moeten vruchtbare nakomelingen kunnen maken
Rijk
5 rijken volgens Whittacker
➢ Rijk der schimmels ➢ Ééncelligen met kern (eukaryoten)
-> zonder celdifferentiatie -> eencelligen met kern
-> meercelligen met kern -> met celdifferentiatie
-> zonder bladgroenkorrels -> zonder bladgroenkorrels
➢ Plantenrijk Bv. algen, malaria, …
-> meercelligen met kern
-> met celdifferentiatie ➢ Ééncelligen zonder kern (prokaryoten)
-> met bladgroenkorrels -> eencelligen zonder kern
➢ Dierenrijk -> zonder celdifferentiatie
-> meercelligen met kern -> zonder bladgroenkorrels
-> met celdifferentiatie Bv. bacteriën, …
-> zonder bladgroenkorrels
Een virus leeft NIET: het gebruikt andere cellen om zich voor te planten!
,Wereldoriëntatie in de klas
1) Grondprincipes
Verwondering en bewondering (1)
Tot beleving komen
Creëren van kansen
Stel gerichte vragen
Laat kinderen zelf onderzoeken
Dialoog: vertellen/vragen stellen
Imitatie!
Wees zelf als leerkracht niet bang!
Werkelijkheid als uitgangspunt (2)
Directe waarneming
(Alle) zintuigen betrekken
Vraagt organisatie (leerwandeling, materialen, …)
Actief (3)
Zelf waarnemen, ,experimenteren, nadenken
Zoveel mogelijk met de zintuigen
Nadien waarnemingen vergelijken, ordenen en bespreken
Verantwoordelijkheid (4)
1. Voor dier, mens en omgeving
Kinderen leren omgaan met en zorgen voor de natuur
2. Als leerkracht
Loop vooraan
Doe zelf ook mee
Mag geen vak apart zijn (5)
Andere vakken erbij betrekken, integratie
Bv. rekenen bij een slootonderzoek
2) De 3 H’s
Hoofd (5)
Kennis
Functie?
Hoe gebruikt?
Begripsontwikkeling
Hart (1 en 4)
Zorgzaamheid
Betrokkenheid + verantwoordelijkheid
Verwondering
Handen (2 en 3)
Effectief doen
Materialen hanteren
Onderzoeken / vaardigheden
Zintuigen
3) De 3 H’s verwerven met outdoor education
Actief en constructief leren (ervaringen)
Buitenactiviteiten (handen)
Milieu-educatie (hoofd)
Andere vakken bij betrekken
Persoonlijke en sociale ontwikkeling (hart)
Samenwerken in de natuur (uitgestelde voldoening, soms maanden wachten op
resultaat -> zelfdiscipline)
, 4) Ontwikkelingspsychologie
Kleuter
Geen onderscheid tussen fantasie en werkelijkheid
Animisme
Natuur krijgt menselijke kenmerken
Motorisch ingesteld
Waarnemen!
1 graad
ste
Minder egocentrisme + onderscheid fantasie en werkelijkheid beter
Causaal redeneren
Oorzaak-gevolg
Spelvorm
Natuur heeft sociale functie
Spelen in de natuur
2 graad
de
Werkelijkheid primeert
Sociale ontwikkeling
Dragen zorg voor natuur
Ruimtelijk inzicht en actieradius omhoog
Voorstellingen van abstractere verschijnselen mogelijk (weersverschijnselen, klimaat,
ecosystemen,…)
Natuur om te gebruiken
Meer onderzoeken
3 graad
de
Willen gehoord worden
Sociale en morele ontwikkeling
Verantwoordelijkheid, discussiëren, …
Kinderen NIET het gevoel geven dat alles slecht is
Onderzoek
5) Structuur van een WERO-les
Beginsituatie + doelen -> voorkennis
Altijd vertrekken vanuit een probleem
Introductie
Voorkennis + nieuwsgierigheid prikkelen
Concentratie opwekken
Vrije exploratie
Wat weten de lln. al en wat willen ze te weten komen?
Sturen naar de leerdoelen (+ verwoorden), naar problemen binnen onderwerp
Vragen stellen
Onderzoeksfase
Werken aan de doelen
Leerinhoud aanbrengen
Opzoekwerk, proefjes
Actief meedoen
Rapportage
Verwoorden (klassikaal) van de ondervindingen
Klassikaal verwerken
Verankering in een breder perspectief: verdieping en engagement (kan zeer verschillend zijn)
Herhaling
Uitbreiden, (nieuwe) leerstof, extra + niet-beantwoorde vragen (vrije-exploratie beantwoorden)
Actief afsluiten