Nederlands: Spreken & Luisteren
1
, LEESBEVORDERING
KENMERKEN VAN KINDERBOEKEN: DE LITERAIRE ANALYSE
Leesbevordering = alles wat het leesplezier aanwakkert bij kinderen en jongeren.
Meer plezier → meer motivatie → meer lezen → betere taalvaardigheid en
leescompetentie.
Doel: leerlingen intrinsiek motiveren (ze lezen uit zichzelf, niet omdat het moet)
a) Personages
Personen en personages
● Het personage, de persoon
● Verzonnen verhaalfiguren
● Niet altijd mensen (bv. dieren planten voorwerpen,...)
● Sommige lijken levensecht, andere zijn duidelijk fantasiefiguren
Term Betekenis Voorbeeld
Personen echte mensen uit het echte oma, vrienden, ouders,...
leven
Personages verzonnen figuren in roodkapje, harry potter,
verhalen donald duck,...
Types en karakters
● Types (flat characters)
○ Veranderen niet tijdens het verhaal → geen karakterontwikkeling
○ Hebben enkele duidelijke eigenschappen
○ Dienen vaak een duidelijke functie in het verhaal
○ Vooral te vinden in stripverhalen of sprookjes
■ Vb. de strenge leraar, grappige opa, de held en de boef,...
● Karakters (round characters)
○ Belangrijkste personages (vaak de hoofdfiguren)
○ Hebben diepgang: gevoelens, gedachten, twijfels
○ Hun gedrag is niet voorspelbaar
○ Ze groeien of veranderen tijdens het verhaal → ontwikkeling
○ Kunnen het verhaal een onverwachte wending geven
■ Vb. Harry Potter groeit van verlegen jongen naar moedige held
■ Vb. Matilda leert haar kracht gebruiken tegen onrecht
2
,Hoe leer je personages kennen?
De indruk die je van verhaalfiguren krijgt wordt vooral bepaald door:
1. Uiterlijke kenmerken: lichamelijke kenmerken, kleding, gedrag, taalgebruik, milieu
2. Innerlijke kenmerken: gedachten, gevoelens, karakter
3. Meningen: hun wel of niet hardop uitgesproken meningen over zichzelf en anderen
en de wereld om hen heen
4. Reacties: hun reacties op gebeurtenissen en uitspraken van anderen.
Waarden en normen van personages:
● Elk personage handelt vanuit zijn eigen waarden en normen.
● Vraag jezelf af:
○ Waarom handelt hij/zij zo?
○ Zou jij hetzelfde doen?
→ Dit helpt om te begrijpen waarom je iemand sympathiek of
onsympathiek vindt.
b) Vertelstandpunt
Het vertelstandpunt bepaalt vanuit welk perspectief een verhaal verteld wordt.
Het beïnvloedt hoeveel de lezer weet, hoe het verhaal aanvoelt en hoe sterk je je
identificeert met de personages.
De ik-verteller
● De ik-figuur is een personage in het verhaal.
● De lezer ziet alles door zijn/haar ogen.
● Je kent alleen de gedachten en gevoelens van de ik-persoon.
● Geeft een subjectieve (persoonlijke) kijk op het verhaal.
● Van andere personages weet je enkel wat de ik-figuur over hen vertelt.
○ Vb. “Ik wist niet of hij de waarheid sprak, maar mijn hart bonsde.”
→ De lezer beleeft het verhaal vanuit één persoon.
Voordeel: sterke betrokkenheid
Nadeel: beperkte kennis → de ik-figuur kan zich vergissen of iets verzwijgen.
De personale (of hij/zij-) verteller
● Het verhaal wordt verteld door de ogen van één personage, maar in de hij/zij-
vorm.
● Je kent alleen de gedachten van dat personage, niet van de anderen.
● Ook hier is de blik subjectief, maar het lijkt alsof er geen verteller is.
○ Vb. “Hij voelde zijn hart sneller slaan toen hij de deur opende.”
→ De lezer beleeft het verhaal vanuit hem, maar zonder "ik".
De auctoriale (of alwetende) verteller
● De verteller speelt geen rol in het verhaal.
● Vertelt over de personages in de hij/zij-vorm.
● Weet alles: gedachten, gevoelens, verleden, toekomst, gebeurtenissen op andere
plaatsen.
3
, ● Kan de lezer rechtstreeks aanspreken of commentaar geven.
● Geeft een breder overzicht dan de personages zelf.
○ Vb. “Roodkapje wist niet dat de wolf haar al van ver had gezien.”
→ De verteller weet méér dan Roodkapje.
Andere vertelvormen
● Soms wisselt het vertelstandpunt per hoofdstuk of scène.
● Er kunnen meerdere ik- of hij/zij-vertellers zijn.
● Ook mogelijk:
○ Wij-perspectief: “Wij renden zo snel als we konden.”
○ Je-perspectief: “Je loopt het donkere bos in.”
→ Zo krijg je verschillende visies op dezelfde gebeurtenissen.
Identificatie = je leeft mee met een personage, voelt wat hij/zij voelt.
● Gaat het makkelijkst als:
○ het personage een leeftijdsgenoot is
○ of in een herkenbare situatie zit.
● Maar een goed geschreven verhaal zorgt dat je ook meeleeft met iemand heel
anders dan jijzelf.
c) Tijd
Chronologisch vs. niet-chronologisch
● Chronologisch:
○ Gebeurtenissen volgen elkaar op in de juiste tijdsvolgorde.
○ Duidelijk en gemakkelijk te volgen (bv. sprookjes: “Er was eens…”).
● Niet - chronologisch:
○ Gebeurtenissen staan niet in volgorde, om spanning of verrassing te
creëren.
○ De lezer krijgt niet meteen alle info.
● Vooruitwijzing: hint naar iets wat nog zal gebeuren → spanning
● Terugverwijzing: korte verwijzing naar iets uit het verleden.
● Flashback: langere terugblik op het verleden
Verteltijd vs. vertelde tijd
● Verteltijd = tijd die nodig is om het verhaal te vertellen/lezen
● Vertelde tijd = tijd die in het verhaal zelf voorbij gaat
Mogelijke verhoudingen
- Verteltijd en vertelde tijd zijn even lang
- Verteltijd is korter dan vertelde tijd = versnelling
- Verteltijd is langer dan vertelde tijd = vertraging
!!
Hoe jonger, hoe strikter aan chronologie en hoe meer verteltijd en vertelde tijd gelijk lopen.
d) Thematiek
4
1
, LEESBEVORDERING
KENMERKEN VAN KINDERBOEKEN: DE LITERAIRE ANALYSE
Leesbevordering = alles wat het leesplezier aanwakkert bij kinderen en jongeren.
Meer plezier → meer motivatie → meer lezen → betere taalvaardigheid en
leescompetentie.
Doel: leerlingen intrinsiek motiveren (ze lezen uit zichzelf, niet omdat het moet)
a) Personages
Personen en personages
● Het personage, de persoon
● Verzonnen verhaalfiguren
● Niet altijd mensen (bv. dieren planten voorwerpen,...)
● Sommige lijken levensecht, andere zijn duidelijk fantasiefiguren
Term Betekenis Voorbeeld
Personen echte mensen uit het echte oma, vrienden, ouders,...
leven
Personages verzonnen figuren in roodkapje, harry potter,
verhalen donald duck,...
Types en karakters
● Types (flat characters)
○ Veranderen niet tijdens het verhaal → geen karakterontwikkeling
○ Hebben enkele duidelijke eigenschappen
○ Dienen vaak een duidelijke functie in het verhaal
○ Vooral te vinden in stripverhalen of sprookjes
■ Vb. de strenge leraar, grappige opa, de held en de boef,...
● Karakters (round characters)
○ Belangrijkste personages (vaak de hoofdfiguren)
○ Hebben diepgang: gevoelens, gedachten, twijfels
○ Hun gedrag is niet voorspelbaar
○ Ze groeien of veranderen tijdens het verhaal → ontwikkeling
○ Kunnen het verhaal een onverwachte wending geven
■ Vb. Harry Potter groeit van verlegen jongen naar moedige held
■ Vb. Matilda leert haar kracht gebruiken tegen onrecht
2
,Hoe leer je personages kennen?
De indruk die je van verhaalfiguren krijgt wordt vooral bepaald door:
1. Uiterlijke kenmerken: lichamelijke kenmerken, kleding, gedrag, taalgebruik, milieu
2. Innerlijke kenmerken: gedachten, gevoelens, karakter
3. Meningen: hun wel of niet hardop uitgesproken meningen over zichzelf en anderen
en de wereld om hen heen
4. Reacties: hun reacties op gebeurtenissen en uitspraken van anderen.
Waarden en normen van personages:
● Elk personage handelt vanuit zijn eigen waarden en normen.
● Vraag jezelf af:
○ Waarom handelt hij/zij zo?
○ Zou jij hetzelfde doen?
→ Dit helpt om te begrijpen waarom je iemand sympathiek of
onsympathiek vindt.
b) Vertelstandpunt
Het vertelstandpunt bepaalt vanuit welk perspectief een verhaal verteld wordt.
Het beïnvloedt hoeveel de lezer weet, hoe het verhaal aanvoelt en hoe sterk je je
identificeert met de personages.
De ik-verteller
● De ik-figuur is een personage in het verhaal.
● De lezer ziet alles door zijn/haar ogen.
● Je kent alleen de gedachten en gevoelens van de ik-persoon.
● Geeft een subjectieve (persoonlijke) kijk op het verhaal.
● Van andere personages weet je enkel wat de ik-figuur over hen vertelt.
○ Vb. “Ik wist niet of hij de waarheid sprak, maar mijn hart bonsde.”
→ De lezer beleeft het verhaal vanuit één persoon.
Voordeel: sterke betrokkenheid
Nadeel: beperkte kennis → de ik-figuur kan zich vergissen of iets verzwijgen.
De personale (of hij/zij-) verteller
● Het verhaal wordt verteld door de ogen van één personage, maar in de hij/zij-
vorm.
● Je kent alleen de gedachten van dat personage, niet van de anderen.
● Ook hier is de blik subjectief, maar het lijkt alsof er geen verteller is.
○ Vb. “Hij voelde zijn hart sneller slaan toen hij de deur opende.”
→ De lezer beleeft het verhaal vanuit hem, maar zonder "ik".
De auctoriale (of alwetende) verteller
● De verteller speelt geen rol in het verhaal.
● Vertelt over de personages in de hij/zij-vorm.
● Weet alles: gedachten, gevoelens, verleden, toekomst, gebeurtenissen op andere
plaatsen.
3
, ● Kan de lezer rechtstreeks aanspreken of commentaar geven.
● Geeft een breder overzicht dan de personages zelf.
○ Vb. “Roodkapje wist niet dat de wolf haar al van ver had gezien.”
→ De verteller weet méér dan Roodkapje.
Andere vertelvormen
● Soms wisselt het vertelstandpunt per hoofdstuk of scène.
● Er kunnen meerdere ik- of hij/zij-vertellers zijn.
● Ook mogelijk:
○ Wij-perspectief: “Wij renden zo snel als we konden.”
○ Je-perspectief: “Je loopt het donkere bos in.”
→ Zo krijg je verschillende visies op dezelfde gebeurtenissen.
Identificatie = je leeft mee met een personage, voelt wat hij/zij voelt.
● Gaat het makkelijkst als:
○ het personage een leeftijdsgenoot is
○ of in een herkenbare situatie zit.
● Maar een goed geschreven verhaal zorgt dat je ook meeleeft met iemand heel
anders dan jijzelf.
c) Tijd
Chronologisch vs. niet-chronologisch
● Chronologisch:
○ Gebeurtenissen volgen elkaar op in de juiste tijdsvolgorde.
○ Duidelijk en gemakkelijk te volgen (bv. sprookjes: “Er was eens…”).
● Niet - chronologisch:
○ Gebeurtenissen staan niet in volgorde, om spanning of verrassing te
creëren.
○ De lezer krijgt niet meteen alle info.
● Vooruitwijzing: hint naar iets wat nog zal gebeuren → spanning
● Terugverwijzing: korte verwijzing naar iets uit het verleden.
● Flashback: langere terugblik op het verleden
Verteltijd vs. vertelde tijd
● Verteltijd = tijd die nodig is om het verhaal te vertellen/lezen
● Vertelde tijd = tijd die in het verhaal zelf voorbij gaat
Mogelijke verhoudingen
- Verteltijd en vertelde tijd zijn even lang
- Verteltijd is korter dan vertelde tijd = versnelling
- Verteltijd is langer dan vertelde tijd = vertraging
!!
Hoe jonger, hoe strikter aan chronologie en hoe meer verteltijd en vertelde tijd gelijk lopen.
d) Thematiek
4