DE LAT HOOG VOOR IEDEREEN
DEEL 1: DOELGERICHT WERKEN – DOELSTELLINGEN: LEREN, GEEN VRIJBLIJVENDE AANGELEGENHEID
DOELSTELLINGEN: LEREN, GEEN VRIJBLIJVENDE AANGELEGENHEID
2.1 BEGRIJPSOMSCHRIJVING
o Taxonomie: etymologisch gezien, taxis = ordening, nomos = wet
o Taxonomie = een wetmatige ordening, een structurering die gebaseerd is op theoretische basis
o Een taxonomie = een methode om te classificeren, een rubricering van begrippen volgens een bepaalde structuur
o A.d.h.v taxonomie => observeren, analyseren en discussiëren
o Veel taxonomieën mogelijk en inzichten veranderen op basis van ontdekkingen en ideologieën
o Vb.: planten werden vroeger ingedeeld adhv vormkenmerken, nu adhv DNA
2.2 TAXONOMIE VAN BLOOM: ALGEMEEN
o Ontwikkelde taxonomie in 1965 (eerst voor het vak geschiedenis)
o Model was ook heel goed bruikbaar voor bepalen van leerniveaus binnen de cognitieve ontwikkeling in algemene
zin
o 2001: herziene versie van taxonomie van Bloom door Anderson en Krathwohl
o Doelen verschillen in complexiteit => binnen verschillende doelen kunnen we ordening aanbrengen
o Doelen ordenen om te achterhalen of er voldoende variëteit zit in de complexiteit van de doelen
o Bloom ontworp drie taxonomieën: een voor cognitieve doelen, een voor psychomotorische doelen en een voor
dynamisch-affectieve doelen
o Binnen deze opleiding => taxonomie voor cognitieve doelen => meest uitgewerkte en meest gebruikte
o Begrip creëren van taxonomie van Bloom: elk doel omschrijft bepaald gedragsniveau en bepaald inhoudsniveau
=> een doel altijd classificeren op twee dimensies
2.3 INHOUDSNIVEAUS IN DE TAXONOMIE VAN BLOOM
o Binnen cognitief domein onderscheidt Bloom vier soorten inhoudelijke kennis:
Feitelijke kennis: de basiselementen die je moet kennen om problemen op te lossen of kennis te maken
met een bepaalde ‘discipline’
Conceptuele kennis: de relaties tussen de basiselementen die de lln moet weten om zo de samenhang
en verbanden te zien binnen een grotere structuur
Procedures of procedurele kennis: hoe je iets doet, manieren van onderzoeken en criteria voor
vaardigheden, algoritmes, technieken en methoden
Metacognitieve kennis: kennis over kennis/leren in het algemeen, zelfkennis en zelfbewustzijn over de
eigen kennis, kennis van strategieën om met kennis aan de slag te gaan (bv. schema’s maken)
o Declaratieve kennis kunnen we linken aan de feitelijke kennis en conceptuele kennis van Bloom
o Metacognitieve kennis herkennen we in de attitudes die worden geformuleerd bij ‘leren leren’
2.4 GEDRAGSNIVEAUS BINNEN DE TAXONOMIE VAN BLOOM
o Zes cognitieve processen of denkniveaus
o Cognitieve processen: beschrijven wat een leerling doet met de inhoud
Herinneren
Begrijpen
Toepassen
Analyseren
Evalueren
Creëren
o Cognitieve processen op continuüm geplaatst => cognitieve complexiteit neemt toe
, o Eerste drie niveaus => lage denkvaardigheden
o Laatste drie niveaus => hoge denkvaardigheden
o Is geen hiërarchie => hoeft niet te beginnen bij herinneren
o Kan allemaal door elkaar gaan
o Soorten kennis op verschillende denkniveaus toepassen => onderstaande matrix
o Indeling loopt van lagere orde denkvaardigheden naar hogere orde denkvaardigheden in 24 stappen
o Elke hoger niveau impliceert beheersing van de onderliggende, lagere niveaus
2.4.1 HERINNEREN
o Herinneren = het kunnen ophalen van adequate informatie uit het
lange termijn geheugen of het kunnen herkennen van informatie
o Mogelijks waarneembaar gedrag bij leerlingen:
2.4.2 BEGRIJPEN
o Begrijpen = houdt in dat je eerder verworven kennis uit je
langetermijngeheugen ophaalt en er betekenis aan geeft. Dit
cognitief proces volgt op herinneringen: om de te onthouden kennis
te begrijpen, moeten we een brug slaan tussen voorkennis en
nieuwe kennis
o Mogelijks waarneembaar gedrag bij de leerlingen;
2.4.3 TOEPASSEN
o Toepassen = de vaardigheid om kennis en inzichten in nieuwe
situaties te gebruiken om zo een probleem op te lossen, taak of
oefeningen aan te pakken:
De leerling past een bepaalde procedure toe op een
bekende taak (uitvoeren)
De leerling leert een procedure selecteren om een nieuwe
taak uit te voeren (implementeren)
o Mogelijks waarneembaar gedrag bij de leerlingen:
,2.4.4 ANALYSEREN
o Analyseren = de vaardigheid om informatie op te
delen in onderdelen zodat je onderliggende
relaties, verbanden en patronen kan zien
o Mogelijks waarneembaar gedrag:
2.4.5 EVALUEREN
o Evalueren = de vaardigheid om de waarde van iets
(literatuur enz.) te beoordelen in relatie tot een
bepaald doel. Het oordeel is gebaseerd op
interne en externe criteria. Het is belangrijk om
hierbij op te merken dat deze evaluatie een
bewust proces moet zijn dat gebaseerd is op
voldoende begrip en analyse van het verschijnsel
o Mogelijks waarneembaar gedrag bij de leerlingen:
2.4.6 CREËREN
o Bij creëren brengt de leerling kenniselementen
samen of reorganiseert hij de kenniselementen
tot een nieuw coherent en functioneel geheel. Het
is de bedoeling dat hij nieuwe feitelijke kennis of
conceptuele kennis reorganiseert en niet dat hij
zelf nieuwe kennis creëert
o Mogelijks waarneembaar gedrag bij de leerlingen:
, 2.5 BETEKENIS VAN DE TAXONOMIE I.F.V. DOELGERICHTHEID
o Vooral de praktische toepassing van deze taxonomie hanteren => bekijken hoe dit raamwerk ons kan helpen om
ons didactisch handelen naar een hoger niveau te brengen => praktische implementatie is belangrijkste,
raamwerk is inspiratiebron
2.5.1 BEWUST NADENKEN OVER HET GEDRAGSNIVEAU
o Door taxonomie => bepalen welk eindgedrag je wilt bereiken
o Wil je dat ze kunnen toepassen? Analyseren? Creëren? => als je dit weet kan je bepalen welke vragen je moet
stellen en welke opdrachten je kan geven om dit niveau te bereiken
o Expliciteren van de lesdoelen is belangrijk en heeft positieve impact op leerproces van de lerende
2.5.2 UITDAGEN VAN DE LEERLINGEN
o Lesdoelen situeren in taxonomie van Bloom => je kan eenzijdigheden of tekorten m.b.t. de variëteit en kwaliteit
van je doelen detecteren
o Bewaken van de kwaliteit vh onderwijs
o Taxonomie stelt ons in staat om de vraag te stellen of we er wel in slagen een uitdagende leeromgeving te creëren
als we vaststellen dat we vooral doelen van een lagere orde nastreven
o Streven van doelen met een hoger denkniveau
2.5.3 KEUZE VAN DIDACTISCHE WERKVORMEN
o Taxonomie kan als uitgangspunt dienen bij de ontwikkeling van een krachtige leeromgeving
o Afvragen of jouw didactische werkvormen wel voldoende aansluiten bij het vooropgestelde gedragsniveau van je
lesdoelen
o In tabel staat beschreven wat mogelijke ‘acties’ en ‘producten’ zijn om op de verschillende gedragsniveaus
doelgericht aan het het werk te gaan
2.5.4 GELEIDELIJKSHEIDSPRINCIPE
o Je analyseert de leerinhouden en biedt deze in kleine,
op elkaar voortbouwende stapjes aan
o Door taxonomie => verplicht om bewuster na te denken
over de geleidelijke opbouw in je doelen
o Als de kennis en vaardigheden op de lagere niveaus
worden beheerst, dan krijg je meer inzicht in welke lagere
orde doelen je eerst zal moeten bereiken voor je aan de
hogere doelen kan werken
DEEL 1: DOELGERICHT WERKEN – DOELSTELLINGEN: LEREN, GEEN VRIJBLIJVENDE AANGELEGENHEID
DOELSTELLINGEN: LEREN, GEEN VRIJBLIJVENDE AANGELEGENHEID
2.1 BEGRIJPSOMSCHRIJVING
o Taxonomie: etymologisch gezien, taxis = ordening, nomos = wet
o Taxonomie = een wetmatige ordening, een structurering die gebaseerd is op theoretische basis
o Een taxonomie = een methode om te classificeren, een rubricering van begrippen volgens een bepaalde structuur
o A.d.h.v taxonomie => observeren, analyseren en discussiëren
o Veel taxonomieën mogelijk en inzichten veranderen op basis van ontdekkingen en ideologieën
o Vb.: planten werden vroeger ingedeeld adhv vormkenmerken, nu adhv DNA
2.2 TAXONOMIE VAN BLOOM: ALGEMEEN
o Ontwikkelde taxonomie in 1965 (eerst voor het vak geschiedenis)
o Model was ook heel goed bruikbaar voor bepalen van leerniveaus binnen de cognitieve ontwikkeling in algemene
zin
o 2001: herziene versie van taxonomie van Bloom door Anderson en Krathwohl
o Doelen verschillen in complexiteit => binnen verschillende doelen kunnen we ordening aanbrengen
o Doelen ordenen om te achterhalen of er voldoende variëteit zit in de complexiteit van de doelen
o Bloom ontworp drie taxonomieën: een voor cognitieve doelen, een voor psychomotorische doelen en een voor
dynamisch-affectieve doelen
o Binnen deze opleiding => taxonomie voor cognitieve doelen => meest uitgewerkte en meest gebruikte
o Begrip creëren van taxonomie van Bloom: elk doel omschrijft bepaald gedragsniveau en bepaald inhoudsniveau
=> een doel altijd classificeren op twee dimensies
2.3 INHOUDSNIVEAUS IN DE TAXONOMIE VAN BLOOM
o Binnen cognitief domein onderscheidt Bloom vier soorten inhoudelijke kennis:
Feitelijke kennis: de basiselementen die je moet kennen om problemen op te lossen of kennis te maken
met een bepaalde ‘discipline’
Conceptuele kennis: de relaties tussen de basiselementen die de lln moet weten om zo de samenhang
en verbanden te zien binnen een grotere structuur
Procedures of procedurele kennis: hoe je iets doet, manieren van onderzoeken en criteria voor
vaardigheden, algoritmes, technieken en methoden
Metacognitieve kennis: kennis over kennis/leren in het algemeen, zelfkennis en zelfbewustzijn over de
eigen kennis, kennis van strategieën om met kennis aan de slag te gaan (bv. schema’s maken)
o Declaratieve kennis kunnen we linken aan de feitelijke kennis en conceptuele kennis van Bloom
o Metacognitieve kennis herkennen we in de attitudes die worden geformuleerd bij ‘leren leren’
2.4 GEDRAGSNIVEAUS BINNEN DE TAXONOMIE VAN BLOOM
o Zes cognitieve processen of denkniveaus
o Cognitieve processen: beschrijven wat een leerling doet met de inhoud
Herinneren
Begrijpen
Toepassen
Analyseren
Evalueren
Creëren
o Cognitieve processen op continuüm geplaatst => cognitieve complexiteit neemt toe
, o Eerste drie niveaus => lage denkvaardigheden
o Laatste drie niveaus => hoge denkvaardigheden
o Is geen hiërarchie => hoeft niet te beginnen bij herinneren
o Kan allemaal door elkaar gaan
o Soorten kennis op verschillende denkniveaus toepassen => onderstaande matrix
o Indeling loopt van lagere orde denkvaardigheden naar hogere orde denkvaardigheden in 24 stappen
o Elke hoger niveau impliceert beheersing van de onderliggende, lagere niveaus
2.4.1 HERINNEREN
o Herinneren = het kunnen ophalen van adequate informatie uit het
lange termijn geheugen of het kunnen herkennen van informatie
o Mogelijks waarneembaar gedrag bij leerlingen:
2.4.2 BEGRIJPEN
o Begrijpen = houdt in dat je eerder verworven kennis uit je
langetermijngeheugen ophaalt en er betekenis aan geeft. Dit
cognitief proces volgt op herinneringen: om de te onthouden kennis
te begrijpen, moeten we een brug slaan tussen voorkennis en
nieuwe kennis
o Mogelijks waarneembaar gedrag bij de leerlingen;
2.4.3 TOEPASSEN
o Toepassen = de vaardigheid om kennis en inzichten in nieuwe
situaties te gebruiken om zo een probleem op te lossen, taak of
oefeningen aan te pakken:
De leerling past een bepaalde procedure toe op een
bekende taak (uitvoeren)
De leerling leert een procedure selecteren om een nieuwe
taak uit te voeren (implementeren)
o Mogelijks waarneembaar gedrag bij de leerlingen:
,2.4.4 ANALYSEREN
o Analyseren = de vaardigheid om informatie op te
delen in onderdelen zodat je onderliggende
relaties, verbanden en patronen kan zien
o Mogelijks waarneembaar gedrag:
2.4.5 EVALUEREN
o Evalueren = de vaardigheid om de waarde van iets
(literatuur enz.) te beoordelen in relatie tot een
bepaald doel. Het oordeel is gebaseerd op
interne en externe criteria. Het is belangrijk om
hierbij op te merken dat deze evaluatie een
bewust proces moet zijn dat gebaseerd is op
voldoende begrip en analyse van het verschijnsel
o Mogelijks waarneembaar gedrag bij de leerlingen:
2.4.6 CREËREN
o Bij creëren brengt de leerling kenniselementen
samen of reorganiseert hij de kenniselementen
tot een nieuw coherent en functioneel geheel. Het
is de bedoeling dat hij nieuwe feitelijke kennis of
conceptuele kennis reorganiseert en niet dat hij
zelf nieuwe kennis creëert
o Mogelijks waarneembaar gedrag bij de leerlingen:
, 2.5 BETEKENIS VAN DE TAXONOMIE I.F.V. DOELGERICHTHEID
o Vooral de praktische toepassing van deze taxonomie hanteren => bekijken hoe dit raamwerk ons kan helpen om
ons didactisch handelen naar een hoger niveau te brengen => praktische implementatie is belangrijkste,
raamwerk is inspiratiebron
2.5.1 BEWUST NADENKEN OVER HET GEDRAGSNIVEAU
o Door taxonomie => bepalen welk eindgedrag je wilt bereiken
o Wil je dat ze kunnen toepassen? Analyseren? Creëren? => als je dit weet kan je bepalen welke vragen je moet
stellen en welke opdrachten je kan geven om dit niveau te bereiken
o Expliciteren van de lesdoelen is belangrijk en heeft positieve impact op leerproces van de lerende
2.5.2 UITDAGEN VAN DE LEERLINGEN
o Lesdoelen situeren in taxonomie van Bloom => je kan eenzijdigheden of tekorten m.b.t. de variëteit en kwaliteit
van je doelen detecteren
o Bewaken van de kwaliteit vh onderwijs
o Taxonomie stelt ons in staat om de vraag te stellen of we er wel in slagen een uitdagende leeromgeving te creëren
als we vaststellen dat we vooral doelen van een lagere orde nastreven
o Streven van doelen met een hoger denkniveau
2.5.3 KEUZE VAN DIDACTISCHE WERKVORMEN
o Taxonomie kan als uitgangspunt dienen bij de ontwikkeling van een krachtige leeromgeving
o Afvragen of jouw didactische werkvormen wel voldoende aansluiten bij het vooropgestelde gedragsniveau van je
lesdoelen
o In tabel staat beschreven wat mogelijke ‘acties’ en ‘producten’ zijn om op de verschillende gedragsniveaus
doelgericht aan het het werk te gaan
2.5.4 GELEIDELIJKSHEIDSPRINCIPE
o Je analyseert de leerinhouden en biedt deze in kleine,
op elkaar voortbouwende stapjes aan
o Door taxonomie => verplicht om bewuster na te denken
over de geleidelijke opbouw in je doelen
o Als de kennis en vaardigheden op de lagere niveaus
worden beheerst, dan krijg je meer inzicht in welke lagere
orde doelen je eerst zal moeten bereiken voor je aan de
hogere doelen kan werken