Les pronoms relatifs (= de betrekkelijke voornaamwoorden)
• pronom variable
Singulier (enkelvoud) Pluriel (meervoud)
Masculin (mannelijk) lequel lesquels
auquel* auxquels
duquel** desquels
Féminin (vrouwelijk) laquelle lesquelles
à laquelle auxquelles
de laquelle desquelles
à + lequel*
de + lequel**
Regeltjes :
- Bij de vrouwelijke vormen komen de letters l en e erbij. Meervoudsvormen = altijd
enkelvoud + s.
- In het meervoud wordt à -> aux ; de -> des.
- Bij de vrouwelijke enkelvoudsvorm schrijf je bijvoorbeeld à laquelle, maar bij
mannelijke vorm schrijf je auquel. Hetzelfde met ‘de’. (waarom ? daarom J )
Lequel : gebruik je achter een voorzetsel + vervangt een dier of een ding ≠ persoon (dan
gebruik je QUI !)
Le stylo avec lequel j’écris. (De stift waarmee ik schrijf. vrij vertaald : De stift met dewelke ik
schrijf.) -> le stylo is mannelijk en enkelvoud dus lequel.
Les feuilles sur lesquelles j’écris. (De bladen waarop ik schrijf. vrij vertaald : De bladen op
dewelke ik schrijf.) -> les feuilles is vrouwelijk en meervoud dus lesquelles.
• pronoms invariables
qui, que, quoi, dont, où
- Qui : vervangt personen en dingen + onderwerp bij werkwoord
Le chemin qui mène à la plage. (De weg die leidt naar het strand)
qui = onderwerp van mène (mener = leiden) -> die leidt
Qui = achter een voorzetsel en vervangt dan personen
Je sais à qui tu penses. (Ik weet aan wie je denkt)
- Que : vervangt personen en dingen + COD bij werkwoord
Les étudiants que tu as vus ont réussi. (De studenten die je hebt gezien zijn geslaagd.)
tu = onderwerp
que = COD (lijdend voorwerp)
• pronom variable
Singulier (enkelvoud) Pluriel (meervoud)
Masculin (mannelijk) lequel lesquels
auquel* auxquels
duquel** desquels
Féminin (vrouwelijk) laquelle lesquelles
à laquelle auxquelles
de laquelle desquelles
à + lequel*
de + lequel**
Regeltjes :
- Bij de vrouwelijke vormen komen de letters l en e erbij. Meervoudsvormen = altijd
enkelvoud + s.
- In het meervoud wordt à -> aux ; de -> des.
- Bij de vrouwelijke enkelvoudsvorm schrijf je bijvoorbeeld à laquelle, maar bij
mannelijke vorm schrijf je auquel. Hetzelfde met ‘de’. (waarom ? daarom J )
Lequel : gebruik je achter een voorzetsel + vervangt een dier of een ding ≠ persoon (dan
gebruik je QUI !)
Le stylo avec lequel j’écris. (De stift waarmee ik schrijf. vrij vertaald : De stift met dewelke ik
schrijf.) -> le stylo is mannelijk en enkelvoud dus lequel.
Les feuilles sur lesquelles j’écris. (De bladen waarop ik schrijf. vrij vertaald : De bladen op
dewelke ik schrijf.) -> les feuilles is vrouwelijk en meervoud dus lesquelles.
• pronoms invariables
qui, que, quoi, dont, où
- Qui : vervangt personen en dingen + onderwerp bij werkwoord
Le chemin qui mène à la plage. (De weg die leidt naar het strand)
qui = onderwerp van mène (mener = leiden) -> die leidt
Qui = achter een voorzetsel en vervangt dan personen
Je sais à qui tu penses. (Ik weet aan wie je denkt)
- Que : vervangt personen en dingen + COD bij werkwoord
Les étudiants que tu as vus ont réussi. (De studenten die je hebt gezien zijn geslaagd.)
tu = onderwerp
que = COD (lijdend voorwerp)