1 PSYCHOLOGIE ALS WETENSCHAP
DOMEIN FORMULERING
= onderwerp van een bepaalde wetenschap Wetenschappelijke kennis ≠ dubbelzinnige taal. Belang
In de psycho = De mens in verschillende van vaktaal
stromingen
bv; behaviorisme = gedrag, psychoanalyse =
onbewuste
HYPOTHESE EN THEORIËEN VOORUITGANG
Hypothese = een wetenschappelijke stelling die De wetenschap moet evolueren het evolueert maar niet
nog niet bewezen is homogeen.
Theorie = een wetenschappelijke stelling bij 1) Paradigma’s
voorkeur systematisch en Hiërarchisch = een stelsel met samenhangende
wetenschappelijke visies, theorieën en
begrippen
2) Cyclische vooruitgang
= evolueren door van kennis hypothese
testen theorieën
REDUCTIE KRITIEKEN
= een vereenvoudiging v.d. werkelijkheid, het = verzamelde feiten worden beoordeeld door een panel
isoleren van deelsysteem = de kracht wetenschappers of het wel objectief genoeg is. Als ze
Bv; H2O, Vleermuis tot een intersubjectieve overeenstemming komen is het
goed gekeurd.
INTERSUBJECTIEVE OVEREENSTEMMING
Iets dat geldig/ waar is voor een groep mensen
onderling. De wetenschap streeft naar
overeenstemming
Bv; God, Aliens, zon
SITUERING TUSSEN WETENSCHAP
Elke wetenschap valt tussen andere wetenschappen. Je hebt filosofie samen met de formele
wetenschap? Daarnaast heb je de ervaringswetenschappen. Die wordt onderverdeeld
- Nomothetische wetenschappen (verklaren) = proberen algemene geldende regels/ wetten te
formuleren
- Ideografische wetenschap (begrijpen) = het unieke en specifieke ontsluieren
METHODEN
Methodologie: discipline die omschrijft welke spelregels er moet worden voldaan om tot betrouwbare
kennis te komen
A. Mensenkennis
Mensenkennis ≠ Wetenschappelijke psychologische kennis
Subjectief, waardengeladen, Betrouwbaar, abstract en nauwkeurig, wel
cultuurgebonden en niet universeel universeel
,B. Niet- psychometrische methoden
= methode die niet strikt cijfermatig zijn opgebouwd
a) Observatie
Participerend observeren = de observator zal deelnemen aan het proces waarbinnen hij
personen observeert zonder het te verstoren.
Bv; bij een kaarten spel speel je mee en observeer je een tegenspeler
b) Introspectie
= naar binnen kijken = innerlijke zelfwaarneming
Bv; persoon kijkt naar zichzelf, zelfreflectie, gevoelens, motieven, gedragingen
c) Intervieuws
Het mondeling stellen van vragen. Gestructureerd, actief luisteren en de inhoud wordt
bepaald door interviewer. Valkuil = projectie
d) Anamnese/ ontstaansgeschiedenis
= studie van de ontwikkeling van problematieken, karakters, gevalsgeschiedenis zoals
deze subjectief door de persoon is ervaren en weergegeven.
Bv; persoonlijke getuigenissen die persoon relevant acht.
e) Gevalstudie
= intensieve bestudering van 1 praktijkgeval. Het doel = tot globaal inzicht komen van
problematiek. Benaderingswijze = door medische gegevens, anamnese, interview
vragenlijst, observatie.
Voordelen = verkennen van nieuwe thema’s en diepgaand en gedetailleerd
Nadelen = resultaten niet zomaar te veralgemenen
Bv; gezinssituatie
f) Projectieve technieken
Projectie = persoonseigen gedachten, emoties en motieven toeschrijven aan iets of
iemand. Zonder zelf te ondertekenen(onbewust).
Bv; kinderen die iets tekenen om zo hun ziel te zien
Projectieve test = een mechanisme. Persoon krijgt test aangeboden zonder structuur van
de opdracht.
Bv; Rorschachprent 1921 house, tree, person test = bruikbaar bij diagnostiek en
therapie
, C. Psychometrische methoden
a) Experiment
Men onderzoekt mogelijke verbanden tussen variabelen
Variabelen = grootheid die kan variëren. Bv; leeftijd, haarkleur, grootte, IQ…
1 variabele wordt in een experiment gemanipuleerd om te zien welke invloed die heeft
op de andere variabelen. Onafhankelijke
Afhankelijke
b) Correlationeel onderzoek
Vele variabelen zijn in psychologie subjectvariabelen. Onderzoek naar intelligentie,
frustratie, angsten.
Correlatie = verband
Correlationeel onderzoek = manipuleren GEEN variabelen. We zoeken naar relatie tussen
variabelen.
Bv; heeft haarkleur met intelligentie te maken (domme blondje)
De mate van correlatie worden uitgedrukt in correlatiecoëfficiënt
- Positieve correlatie (0 of +1)
Bv; hoge IQ = Hoge slaagkans
- Negatieve correlatie (-1 of 0)
Bv; hoge IQ = Lage punten
- Geen correlatie (0)
Bv; schoenmaat heeft geen verband met IQ
c) Testen
Gestandaardiseerde meetprocedure
Normgroep = grote groep die steekproef doen zoals het hoort.
Controlegroep
Validiteit = Geldigheid een test meet wat hij moet meten.
Bv; bij een test van de wereldlanden vraag je niet naar IQ
Betrouwbaarheid = een test is betrouwbaar als je hem herhaalt en dan
hetzelfde uitkomt.
Standaardisatie = een test is gestandaardiseerd als de afname, materiaal en
score heel nauwkeurig zijn omschreven
DISCIPLINES
Psychologie kent verschillende disciplines die elk een eigen domein hebben.
- Ontwikkelingspsychologie
- Persoonlijkheidspsychologie (bestudeert zelfbeeld, motivaties karakter, attitude)
- Sociale psychologie (bestudeert interpersoonlijke, sociaal gedrag, mensen in groep)
- Klinische psychologie (begeleiden, coachen, en behandelen van cienten)
2
, PSYCHOTHERAPIE
Welke vragen stelt iemand zichzelf als hij naar een psychotherapeut gaat. Welke therapie is het best?
DODO BIRD VERDICT
Savl Rozensweig kwam tot conclusie dat 500 verschillende therapievormen evenwaardig
waren. Hoe komt dit ?
A. Common Factors Theory
Gemeenschappelijke factoren zijn verantwoordelijk voor successen bij therapie.
Factoren
- Menselijk contact
- Veiligheid
- Transparant (openheid)
- Proces (andere kijk)
- Voorbeeldfunctie
- Competenties (nieuwe vaardigheden)
- Positieve ervaring (sfeer)
- Positieve verwachtingen
- Gehonoreerde prestatie (betalen voor professionaliteit)
- Deskundigheid (therapeut weet alles)
B. Placebo
= middelen die GEEN werkende bestanddelen bevatten maar die toch verbetering
opwekken.
Bv; de griep, je gaat naar de dokter en je bent binnen 3 dagen beter, je gaat niet naar de
dokter en het duurt 14 dagen.
DODO BIRD MYTH
Common-factortheorie lijkt te kloppen (mede door placebo)
dit is moeilijk te bewijzen
- Onderzoekers tonen verschillen tussen therapievormen
- Meta-analyse toont dat studies fouten vertonen (geen controlegroep, verkeerd
vergelijken)
- tegensanders, hebben alle therapieën wel effect?
EVIDENCE-BASED
= efficiënt en kostenbesparend
Er moet nodige wetenschappelijk bewijsmateriaal worden vastgelegd
A. EST- Empirically supported treatment
Behandelingen waarvan gerandomiseerde en gecontroleerde omstandigheden empirisch
is gebleken dat ze effectief zijn.
Elke diagnose (vanuit DSM) krijgt verplicht een behandeling
Kritiek = behandeling is duidelijk = einde van therapie
B. RCT- Randomised Control Trials