POLITIEFUNCTIE: WAARVOOR DIENT POLITIE?
Juridische bril: institutionele functie ter bescherming en tot regeling vd maatschappelijke orde (MO) met het
oog op het mogelijk maken vd uitoefening van fundamentele rechten waarbij ze een verstoring van de MO
probeert te voorkomen en als dat niet lukt zsm al het nodige doen om die verstoring te doen ophouden/herstellen
- Institutionele functie = instituties, instellingen à onderscheid (2 soorten):
o Politie-instellingen (lokale, federale politie)
o Politieoverheden (MBiZa, MvJ, burgemeester etc)
- Doel = maatschappelijke orde vrijwaren à MO wordt in democratische rechtsstaat verklaard1
- Politie = gewapende arm vd OH om orde te vrijwaren
- Uitoefening fundamentele rechten vd burger mogelijk maken
o Bv betogen: kan leiden tot verstoring MO als betoging uit de hand loopt
§ GW waarborgt recht op betogen
§ Tegenbetoging toegelaten, maar voorzie regels ervoor: art 1 WPA j° art 123 WGP
• Niet enkel bijstand, ook mensenrechten in acht nemen & naleven
Operationele bril (criminologisch, empirisch)
RORON = 5 aspecten van de politiefunctie
- RAADGEVING: vermijden slachtofferschap, advies/raad geven
o Bv bericht van politie over fishing praktijken, “laat niet je laptop op je achterbank liggen”
- ONTRADEN: preventief werken, verstoring rechtsorde voorkomen door mensen met dat soort plannen te
ontraden
o Bv blauw op straat, bewakingscamera’s, verlichting, …
- REGULEREN: onveilige situatie/probleem die er al is terug onder controle krijgen/reguleren
o Bv verkrachtingen aan sportkot à camera’s geplaatst, struiken gesnoeid, …
o Bv in straat rijden mensen te snel à verhogingen plaatsen
- ONDERZOEKEN: bij aanwijzingen, (mogelijk) misdrijf, moet het onderzocht worden
o Bv ziet man in goot liggen met plas bloed, is dood à politie ter plaatse à verdacht overlijden dus
onderzoek (bv sporenoz)
- NAZORG: gepast aanbod, psychische begeleiding slachtoffers, doorverwijzing nr gepaste diensten
Geweldsmonopolie: politie is enige overheidsinstantie die in vredestijd (niet oorlogstijd) geweld mag gebruiken
(tot dodelijk geweld)
- = belangrijkste kenmerk wat politiefunctie zo bijzonder maakt + zo machtig (wie monopolie heeft is altijd
machtig) à kan misbruik van komen à daarom is toezicht op politie zeer belangrijk
- Nuance: burger kan ook geweld gebruiken igv wettelijke zelfverdediging
1
Omdat het bij ons gaat over fundamentele rechten te vrijwaren ó In dictatuur: ook politie om de orde te
vrijwaren, maar dan is er geen oog voor mensenrechten
1
,OPDRACHTEN POLITIE (WAT ZE MOET DOEN IN EEN SAMENLEVING):
1. Opdrachten van bestuurlijke politie (14 WPA)
o OO (als je OO hoort moet je aan BP denken en vice versa) à in stand houden OO
o Bv zien dat Rock Werchter ordentelijk verloopt (verkeersregeling, harde neerslag, …)
o Bv melden dat u betoging wil organiseren à samen met organisator afspraken maken à politie
zorgt dat u dat traject in vrede kan doen, ziet dat er geen auto’s rijden
2. Opdrachten van gerechtelijke politie (15 WPA, 8 Sv)
o Verwijst nr 2e O in RORON (onderzoeken) = alles wat politie kan/moet doen om misdrijf te oz
o Strafrecht, misdrijven (verkrachting, moord, drugshandel, diefstal, …)
o Politie doet werk in opdracht van OM, onderzoeksrechter
o BP evolueert in GP als bv tijdens een betoging (BP) iemand een wagen in brand steekt (GP)
3. “Sterke arm” à door geweldsmonopolie
o Andere diensten soms nood aan bescherming politie (want mogen zelf geen geweld gebruiken)
o Bv milieu-inspectie valt binnen in bedrijf à bij angst voor agressie à politie zal bijstaan
Gaat altijd samen met bevoegdheden
POLITIEBESTEL: HOE RICHT IK MIJN POLITIE IN?
Verwijst eigenlijk naar veel dingen, maar prof beperkt tot 2: politieapparaat & politieOHen
Reguliere politiediensten (politieapparaat):
- Voor 1998: rijkswacht, gerechtelijke politie (als dienst) & gemeentepolitiekorpsen
- Nu: lokale politie & federale politie
Bijzondere politiediensten (hebben geen algemene taakomschrijving, zijn bevoegd voor bepaalde domeinen)
- Voor 1998: ivm verkeersassen: luchtvaartpolitie, zeevaartpolitie & spoorwegpolitie
- Nu: niet meer aanwezig (in federale politie gestoken = reguliere politie)
Inspectiediensten (sociale inspectie, milieu-inspectie, voedselveiligheid, belastingsinspectie, …)
- Speciale diensten in ministeries die toezicht houden op naleving wetten
- Na WOII: meer inmenging OH à meer regels & normen die eindigen met strafrecht
- Probleem: mensen zijn niet opgeleid om deze zaken strafrechtelijk te vervolgen (politie heeft juridische
dingen nooit geleerd dus begrijpt het niet)
Politieambtenaar: art 3, 3° WPA (politieMR) & Politieoverheden: art 3, 2° WPA (juridische politieMR)
Verschil:
- Politie kan niet beslissen hoe betoging w georganiseerd etc, OH neemt juridische MR en politie voert ze uit
(bv burgemeester legt sluitingsuur op aan café, politie zal deze uitvoeren (beslist niet zelf))
- Zeggenschap: politie werkt onder zeggenschap van bep OH à 3 elementen
o Gezag = zeggen wat er moet gebeuren
o Beheer = ivm organisatie & middelen om politie in staat te stellen wat ze moeten doen (budget,
begroting, administratief recht…)
o Beleid = je kan bestuurlijk & gerechtelijk niet alles doen, je hebt de middelen die je hebt
POLITIERECHT: FUNCTIONEEL RECHTSDOMEIN
- Zeer uitgebreid, WPA & WGP zijn de 2 moederwetten
- Plukt normen uit andere rechtstakken: GW, strafrecht, gerechtelijk recht, sociaal recht, …
2
,DEEL I: DE HISTORISCHE ACHTERGRONDEN
VH HUIDIGE BELGISCHE POLITIEBESTEL
Opnames prof à zie andere sv p4-26
EXVR: leg uit – het strategisch denken van de rijkswacht
De rijkswacht heeft strategisch altijd goed kunnen inspelen op crisis, onrust, … om zijn eigen belangen goed te
dienen. Vanaf de jaren 60 doen er zich een aantal constantes voor, met als één daarvan: de rijkswacht is altijd
verder versterkt & uitgebouwd.
In de jaren 60 waren er veel stakingen bij de staal/steenkool industrie. Er was namelijk een eenheidswet
(besparingswet) ingevoerd waar vakbonden en dergelijke meer massaal tegen staakten, wat een grote verstoring
van de OO met zich meebracht. Er was maar één middel om hiertegen op te treden, en dat was de Rijkswacht,
maar deze was niet krachtig genoeg. Ze moest dus verder worden uitgebouwd/versterkt (betere infrastructuur,
opleiding, voertuigen, versterking BOB’s, …). Het was het enige korps dat een centrale overheid bezat. De
rijkswacht wordt dus bijzonder machtig.
In 1965 wordt het CBO (Centraal Bureau voor Opsporingen) opgericht op het niveau van het algemeen
commando rijkswacht. Het algemeen commando is het hoogste niveau in de piramidale structuur van de
rijkswacht. Het bevindt zich op het centrale niveau en staat onder leiding van de commandant van de rijkswacht.
Het CBO krijgt twee kerntaken:
- BOB’s ondersteunen in hun opsporingstaak. De BOB’s zitten op het niveau van de districten en hebben
nood aan coördinatie tussen de verschillende BOB’s, onder meer voor hun misdaadanalyse. Het CBO ging
bijgevolg zorgen voor ondersteuning vanuit het centrale commando.
- Aanspreekpunt voor buitenlandse politiediensten. Dit deed men voor de politiediensten die informatie
willen over ons land, over verdachten of aan wie wij informatie zouden kunnen vragen. Het is belangrijk
om te weten wie men moet aanspreken, aangezien er niet kan worden verwacht dat het buitenland onze
politiestructuur kent.
De rijkswacht gaat nog verder in zijn strategisch denken en richt in 1972 het SIE (Speciale Interventie
Eskadron, Groep Diane) op. Dit zijn speciale eenheden die verstand hebben van terrorisme en zich onder meer
bezighouden met riskante huiszoekingen. Dit orgaan is opgericht naar aanleiding van de Olympische spelen in
München waar een terroristische aanval was gepleegd op Joden door Palestijnen. De rijkswacht besefte dat
zoiets ook in België zou kunnen gebeuren, en als dit zou gebeuren zouden ze niet voorbereid geweest zijn.
(In tegenstelling tot het strategisch denken van de rijkswacht botste de gemeentepolitie op een status quo. Er
wijzigde fundamenteel niets in de jaren 60 tot de jaren 80. De gemeentepolitie bleef onvoldoende in staat om
haar taken uit te voeren. Dit had ook te maken met de rijkswacht die machtiger en machtiger werd. Ze gingen
ervan uit dat ze konden terugvallen op de rijkswacht, waardoor ze niets veranderden aan hun eigen onkunde. Dit
begon de rijkswacht echter meer en meer dwars te zitten, wat onder meer ook leidde tot de politieoorlog.
Ook bij de GPP werden er geen grote structurele ingrepen doorgevoerd, maar enkel punctuele ingrepen (meer
rechercheurs, verbeterde opleiding, …). Het model zelf werd niet in vraag gesteld. De commissaris-generaal
bleef verbonden aan 22 losse brigades waarover hij weinig te zeggen had.)
3
,TEKST “EEN KLEINE GESCHIEDENIS VD HUIDIGE ORGANISATIE VH
BELGISCHE POLITIEWEZEN”
De periode 1980-1995, gekenmerkt door ingrijpende hervormingen nav de misdaden van de Bende van Nijvel.
1. De Aanloop naar Hervorming: De Bende-Commissie
De reorganisatie van de Belgische politie werd noodzakelijk door de vastgestelde tekortkomingen bij de
bestrijding van terrorisme en banditisme. Hoewel vroege studies zoals die van Team Consult in 1987 al
suggereerden dat de politiediensten moesten integreren tot één rijkspolitieapparaat, werd hier door
beleidsmakers nauwelijks op gereageerd.
De echte motor voor verandering was de Bende-Commissie (geïnstalleerd in mei 1988), die onderzoek deed
naar de aanpak van de Bende van Nijvel. De commissie identificeerde een "waslijst" aan factoren die het falen
van het onderzoek verklaarden:
- De "Politieoorlog": Er bestond een groot wantrouwen en een gebrek aan communicatie tussen de
verschillende diensten (Rijkswacht, Gerechtelijke Politie en Gemeentepolitie). Diensten stelden hun eigen
belang boven het algemeen belang, wat de coördinatie volledig deed mislopen.
- Gebrek aan Middelen: Er was een groot tekort aan goede bewapening, voertuigen en verbindingen om
weerwerk te bieden aan de georganiseerde misdaad.
- Slordigheid: De commissie sprak van een "ongelooflijke slordigheid" in de omgang met bewijsmiddelen.
- Structurele weffouten: De Rijkswacht had een gesloten korpsgeest en een militaire hiërarchie die de
externe controle door magistraten bijna onmogelijk maakte.
2. Het Pinksterplan I (1990)
Als antwoord op de kritiek van de Bende-Commissie lanceerde de regering op 5 juni 1990 het Pinksterplan. Dit
plan was bedoeld om de legitimiteitscrisis van politie en justitie te overwinnen. De belangrijkste pijlers:
- Demilitarisering van de Rijkswacht: Het beheer van de Rijkswacht verschoof van de Minister van
Landsverdediging naar de Ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie.
- Wet op het Politieambt: Er kwam een wettelijke regeling voor de bevoegdheden van politieambtenaren en
de methodes die zij mochten gebruiken, aangevuld met een ethische code.
- Integratie van Ondersteuning: Technische en administratieve ondersteuningsdiensten (zoals documentatie
en opleiding) werden geïntegreerd in een gemeenschappelijk "dienstencentrum".
- Vijfhoeksoverleg: Er werd een officieel overlegmodel gecreëerd tussen de burgemeester, de procureur des
Konings en de korpschefs van de drie politiediensten om het lokale beleid af te stemmen.
3. Pinksterplan II en de "Nieuwe" Politiezorg (1992)
In juni 1992 volgde het Pinksterplan II onder de regering-Dehaene I. Dit plan legde meer nadruk op de
uitvoering en de relatie met de burger:
- Veiligheidscontracten: De federale overheid sloot contracten met grote steden, waarbij extra financiële
steun werd gegeven in ruil voor specifieke inspanningen op het vlak van preventie en
criminaliteitsbestrijding.
- Interpolitiezones (IPZ): Er werd gestreefd naar een nauwere samenwerking tussen de Rijkswacht en de
Gemeentepolitie binnen zones, waarbij ze samen de "basispone component" van de politiezorg zouden
garanderen.
- Focus op Buurtpolitie: De Gemeentepolitie moest zich prioritair richten op lokale fenomenen en
preventieve taken (buurtpolitie), terwijl de Rijkswacht zich meer zou focussen op (inter)nationale
criminaliteit en opdrachten die gespecialiseerde middelen vereisen.
4. Verschuiving van de Zeggenschap
De hervormingen zorgden voor een sterke centralisatie van de politieke zeggenschap bij de ministers van
Binnenlandse Zaken en Justitie.
- De Minister van Binnenlandse Zaken werd de hoofdbeheerder van de Rijkswacht en kreeg meer invloed
op de Gemeentepolitie via financiële weg.
4
,- De Minister van Justitie kreeg een meer expliciete gezagspositie over de uitvoering van de gerechtelijke
politietaken door álle diensten.
- Het Openbaar Ministerie verloor hierdoor echter een deel van zijn traditionele, directe controle over de
Rijkswacht op het vlak van beheer.
5. Kritiek van Fijnaut op de Hervormingen
Ondanks de grote stappen die werden gezet, uit de auteur in de bronnen ook scherpe kritiek op zowel de
voorstellen van de Bende-Commissie als de uitvoering van de Pinksterplannen:
- Kwalitatieve Kloof: Er gaapte een enorme kloof tussen de diepgaande bevindingen van de commissie (300
pagina's) en de summiere voorstellen tot herstructurering (slechts 12 pagina's), waardoor veel pijnpunten
onbehandeld bleven.
- Gebrek aan Coherentie: Het Pinksterplan was volgens Fijnaut eerder een "ongebreidelde catalogus van
maatregelen" dan een strategisch uitgebalanceerd plan.
- Aanhoudende Rivaliteit: De beslissing om de drie verschillende korpsen (Rijkswacht, Gerechtelijke
Politie, Gemeentepolitie) te behouden, leidde tot een "wapenwedloop" en nieuwe spanningen tussen de
diensten in plaats van de beoogde eenheid.
- Onduidelijkheid over de Toekomst: Fijnaut stelt dat de fundamentele discussie over de algemene
organisatie van het politiebestel werd ontweken door vast te houden aan de bestaande drie korpsen, wat op
lange termijn tot nieuwe problemen zou leiden.
Concluderend schetsen de bronnen een beeld van een politiewezen dat na een diepe crisis fundamenteel werd
gemoderniseerd en onder sterker democratisch en ministerieel toezicht werd geplaatst, maar waarbij de
historische versnippering en onderlinge rivaliteit tussen de korpsen nog niet volledig was opgelost
DEEL II: DE GEÏNTEGREERDE POLITIEDIENST,
GESTRUCTUREERD OP TWEE NIVEAUS
TEKST “DE ORGANISATORISCHE METAMORFOSE VAN HET ALGEMENE POLITIEWEZEN”
Analyse van de overgang van een drieledig systeem (RW, Gemeentepolitie, GPP) naar een duaal systeem
1. De "Geïntegreerde" Politie: Een Tweeledige Structuur
Hoewel de wet spreekt over een "geïntegreerde politiedienst", stelt Fijnaut dat dit taalkundig onjuist is. In
werkelijkheid gaat het om een duaal systeem met twee autonome niveaus die door functionele banden aan elkaar
hangen:
- Het Lokale Niveau:
o > circa 201 onafhankelijke lokale politiekorpsen (in de zones)
o Belast met de basispolitiezorg, wat alle opdrachten omvat die nodig zijn voor het beheer van
lokale gebeurtenissen op het grondgebied van de zone.
- Het Federale Niveau:
o Eén enkel korps
o Voert gespecialiseerde en supralokale opdrachten uit, evenals ondersteuning lokale korpsen.
Fijnaut merkt op dat de term "complementaire politiezorg" juister zou zijn geweest, omdat
- de twee niveaus onafhankelijk opereren
- de federale politie vooral fungeert als een "veiligheidsgordel" of reserve voor wanneer de lokale politie
tekortschiet.
2. Politiek Gezag en de "Politieministers"
De ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie krijgen een centrale rol als de "politieministers".
- Nationaal Veiligheidsplan (NVP): De ministers coördineren het algemeen politiebeleid obv dit plan, dat
de krachtlijnen voor de nationale veiligheid vastlegt.
- Gebrek aan Hiërarchie: Een kritiekpunt (ook geuit door toenmalig minister Tobback) is het gebrek aan
een duidelijke hiërarchie tussen de ministers en de lokale korpsen. De samenwerking hangt sterk af van de
"goede wil" van de betrokkenen, wat een zwak punt kan zijn bij grote incidenten.
5
,3. Adviesraden en Controlemechanismen
De wet voorziet in een complex stelsel van advies en controle:
- Federale Politieraad: Belast met de globale evaluatie van de werking van de federale en lokale diensten en
geeft advies over het NVP.
- Adviesraad van Burgemeesters: Geeft specifiek advies aan de MBiZa over de lokale politie.
- Algemene Inspectie (AIG): Een intern controleorgaan in handen van de ministers om de efficiëntie en de
toepassing van wetten te controleren. De AIG heeft een permanent inspectierecht en kan documenten
inkijken en personeel horen.
- Vast Comité P: Een extern controleorgaan dat namens het Parlement de UM (dus ook de politie en AIG)
controleert. De focus ligt op de bescherming vd rechten van burgers en de doelmatigheid vd diensten.
4. Lokale politie: de Organisatie
Het territorium van België is opgedeeld in politiezones, die ofwel uit één gemeente (eengemeentezone) of
meerdere gemeenten (meergemeentezone) bestaan.
- Bestuur in Meergemeentezones: oprichting
o Politieraad (vergelijkbaar met de gemeenteraad) en
o Politiecollege (vergelijkbaar met het schepencollege)
o Taak: zone te beheren
o Stemrecht burgemeesters naar evenredigheid vd financiële dotatie die hun gemeente inbrengt
- De Korpschef:
o Aangewezen voor een termijn van vijf jaar.
o Leiding over het korps en verantwoordelijk voor de uitvoering vh Zonale Veiligheidsplan (ZVP).
o Informatieplicht naar de burgemeester of het college toe
- Zonale Veiligheidsraad (ZVR):
o Overlegorgaan waarin de BM’s, PdK’s, korpschef en de federale directeur-coördinator het ZVP
voorbereiden en evalueren.
5. Lokale politie: opdrachten van federale aard
Een bijzonder punt is dat lokale korpsen via "dwingende richtlijnen" van de ministers verplicht kunnen
worden om federale opdrachten uit te voeren, zoals de bescherming van ambassades of het verlenen van
versterking bij grote onderzoeken. Fijnaut waarschuwt dat dit kan leiden tot conflicten in de prioriteitenstelling
tussen lokale en nationale noden.
6. Federale Politie: Structuur en Leiding
Federale politie staat onder leiding vd Commissaris-Generaal, die verantwoordelijk is voor de uitvoering van
het NVP.
- Algemene Directies: minstens een algemene directie vd bestuurlijke politie en een vd gerechtelijke politie.
- Gedeconcentreerd Niveau (Arrondissement): Op arrondissementsniveau zijn er twee cruciale figuren:
o De Bestuurlijk Directeur-Coördinator (DirCo): Beheert de coördinatie tussen het federale en lokale
niveau en waakt over bovenlokale crisissituaties.
o De Gerechtelijk Directeur: Leidt de gespecialiseerde gerechtelijke onderzoeken in het
arrondissement.
- Federale Magistraten: In het Wetboek van Strafvordering is vastgelegd dat federale magistraten toezicht
houden op de werking van de algemene directie van de gerechtelijke politie en de anti-corruptiedienst.
7. Administratief Toezicht en Gouverneur
Omdat de lokale politie ook federale belangen behartigt, is er een specifiek administratief toezicht
georganiseerd. De provinciegouverneur speelt hierin een sleutelrol: hij keurt de begroting en formatie van de
zones goed en kan bij weigering zelfs bedragen ambtshalve inschrijven. De gouverneur ziet ook toe op de goede
samenwerking tussen de zones in zijn provincie.
8. Conclusie en Kritische Kanttekeningen
Auteur uit ernstige twijfels over de haalbaarheid van de doelstellingen.
- Risico op versnippering: door de grote autonomie vd 201 lokale korpsen & gebrek aan hiërarchische
sturing vanuit de ministers à vrees voor gebrek aan eenheid in politiesysteem
- Integratiekloven: fusie van korpsen met totaal verschillende culturen (vooral RW & GPP) à groot
waagstuk
6
,HOOFDSTUK VIII. DE LOKALE POLITIE
Andere sv p28-43
VIII.1 HET LOKALE NIVEAU IN DE POLITIE-ORGANISATIE
Art 184 al 1 GW: organisatie & bvh geïntegreerde politiedienst, gestr op 2 niveaus, worden bij wet geregeld
- ‘bij wet’ = federale bevoegdheid à alles ivm politie = federale bvh
- Politie wordt gefinancierd door federale niveau via federale dotaties (bv art 41-41ter WGP)
Naast federale bevoegdheid is er ook sprake van gemeentelijke autonomie
- Gemeenten kunnen zelf over zaken beslissen ivm OO, openbare veiligheid, …
- Art 135 §2 Nieuwe Gemeentewet: beschrijft bvh die tot gemeenten behoren voor zover er geen hogere
(federale) wet bestaat
o Veilig en vlot verkeer, tegengaan inbreuken op openbare rust, …
o Bv in politiereglement Leuven: buren mogen geen lawaai maken wanneer er duivenwedstrijden
zijn omdat dit de duivenlanding hindert à Leuven kan dit doen omdat er geen hogere federale wet
is die zich daarmee bezighoudt
Wet 7 december 1998 tot organisatie geïntegreerde politiedienst gestructureerd op twee niveaus (WGP)
- = in feite een wetsvoorstel (poging tot wettekst die bij parlement wordt ingediend door lid vd Kamer)
- Snel gekomen ivm ontsnapping Dutroux
- Waarom geen eenheidspolitie ontwikkeld toen? Er was gewoonweg geen tijd
- Wet begint met reeks definities waaronder ‘politiedienst’ (art 2, 2°)
- Art 3, lid 1: federale & lokale niveau
o Verzorgen samen geïntegreerde politie, autonoom, verschillende OH’en, minimale DV (art 142)
Lokale niveau (= niveau vd politiezone) is georganiseerd in politiezones (art 3 WGP)
- Per politiezone: 1 lokaal korps (ó vroeger 1 korps per gemeente, burgemeester had eigen korps)
- Momenteel 178 politiezones (door fusie)
- 2 soorten zones
o Ééngemeentezone (38): zone valt samen met één stad of gemeente (bv Antwerpen, Leuven)
o Meergemeentenzone (140): bestaat uit minstens 2 gemeenten met 1 gezamenlijk korps (meerdere
burgemeesters + gemeenteraden à moeilijkere regeling over zeggenschap)
- Brussel: ingedeeld in 6 politiezones vr 19 gemeenten (dus 6 korpsen, allemaal meergemeentezones)
o Maar bezig met fusie tot 1 politiekorps
VIII.2 DE OPDRACHTEN VAN DE LOKALE POLITIE
Art 3 WGP: LP moet 2 dingen doen
- Basispolitiezorg: zowel bestuurlijk (OO, preventie) als gerechtelijk (misdrijf opsporen) (art 14, 15 WPA)
- Politieopdrachten van federale aard (logisch want deel LP = territoriale brigades rijkswacht)
7
,VIII.2.1 DE BASISPOLITIEZORG
= Aanpak van lokale opdrachten volgens de filosofie van de gemeenschapsgerichte politiezorg (Community
Policing, CP - infra).
- Politie moet inspelen op noden en behoeften die er zijn in de lokale gemeente
o Aanwezig zijn in bepaalde zone op zichtbare & aanspreekbare manier (zo snel problemen
detecteren of voorkomen, politie mag niet te ver van de maatschappij staan)
Omzendbrief CP 1 van 27 mei 2003 (MBiZa licht toe wat men onder CP moet verstaan) à infra: uitwerking
- CP is voor heel de politie (lokaal + federaal)
- CP interpreteren op zijn Belgisch dmv 5 pijlers (staan in omzendbrief):
o (1) Externe oriëntering (2) Probleemoplossend werken (3) Partnerschap
(4) Verantwoording afleggen (5) Bekwame betrokkenheid
Vertrekpunt ligt bij koning (art 142 WGP): hij werkt normen voor minimale dienstverlening uit in een KB
- Geen wet nodig (KB volstaat)
- Doel: gelijkwaardige DV aan bevolking op Belgische grondgebied verzekeren
Minimale taken lokale politie: KB 17 september 2001 (voert art 3 WGP uit)
- Federale OH bepaalt hierin wat de politie minimaal verplicht is om te doen
- 7 kernfuncties: wijkwerking, onthaal, interventie, politionele slachtofferbejegening, lokale opsporing en
lokaal onderzoek, handhaving OO, verkeer (art 1 KB)
- Voor uitwerking functies: zie art 2 e.v. KB
o Onthaal: art 3 KB j° art 10 WGP (in iedere gemeente moet er een politiepost zijn)
à moeilijk haalbaar, daarom soms samenwerking met private veiligheid à in regeerakkoord
2025-2029 gaan ze hier echter tegen optreden
VIII.2.2 DE OPDRACHTEN VAN FEDERALE AARD
Art 61 e.v WGP
Bepaling opdrachten door MBiZa of MvJ door dwingende richtlijnen (61 WGP): ‘MFO + cijfer’
- Geen onbeperkte vrijheid: 11 categorieën van opdrachten die kn worden doorgeschoven naar LP (62 WGP)
o Gaan zowel over bestuurlijke als gerechtelijke politie
- BM/korpschef moeten deze RLen uitvoeren = VERPLICHT à anders kan minister RL bevelen (63 WGP)
- Uitvoering MFO’s mag uitvoering lokale opdrachten niet in gevaar brengen à als wel? wet geen oplossing
- Voorbeelden MFO’s:
o MFO-2: solidariteitsmechanisme tss politiezones, versterking opdrachten BP
o MFO-3: informatiebeheer inzake BP & GP (j° art 44/4 WPA)
o MFO-4: federale opdrachten van beveiliging, toezicht en controle inzake private veiligheid (j° art
44/4, §2 WPA)
MFO 2 betreffende solidariteitsmechanisme tussen politiezones inzake versterkingen voor opdrachten van
bestuurlijke politie (NIET GERECHTELIJKE!!)
- ‘tussen politiezones’ = horizontaal (bijstand verlenen, elkaar helpen)
- Bv tijdelijk capaciteitsprobleem, andere zones moeten dan solidair zijn en versterking verlenen aan die zone
- Bijstand kan zijn: manschappen, materiaal, voertuigen, drugshonden, celcapaciteit
- Bestuurlijke HyCap (gehypothekeerde capaciteit)
8
, Hoe werkt HyCap2?
Stap 1: Beschikbaarheidsniveau (maximale personeelscapaciteit, art 3.2 MFO-2)
Stap 2: 2 categorieën HYCAP-opdrachten (art 3.4.1 ev MFO-2)
- GBOR3 à bij evenement, gebeurtenis, manifestatie
o Uitgangspunt: politie in gesprek met organisator manifestatie (op voorhand afspraken maken)
= NIET ordehandhaving verplicht opleggen, maar in gesprek gaan met elkaar
- GBOR niveau A: normale/klassieke ordehandhaving, geen specifieke opleiding/uitrusting
o PZ met < 75 operationele voltijdse mensen à voeren enkel opdrachten GBOR niveau A uit
o Indeling in categorie HYCAP A
- GBOR niveau B: vastgestelde eenheden (specifieke functie), bijzondere opleiding/uitrusting
o PZ met > 75 operationele voltijdse mensen à opdrachten GBOR niveau B + evt niveau A
o Indeling in categorie HYCAP B + evt met HYCAP A
Concrete procedure (hoe aan versterking geraken en hoe deze krijgen)
Stap 1: ontvankelijkheidsdrempel (art 3.5 j° 4.1 MFO-2)
- Enkel versterking vragen als u zelf voldoende middelen inzet (minstens 12% eigen personeel)
Stap 2: hoeveel versterking krijgen en hoe bepaald? (art 1 lid 5 MFO-2)
- Met risicoanalyse à voorspelling maken (praten met organisator: weten hoeveel deelnemers etc)
- Bepalen obv middelen
Stap 3: dossier maken met risicoanalyse +versterkingsaanvraag à versturen naar DirCo4 (art 4.2 MFO-2)
- DirCo = coördinatiepunt tss federale & lokale PZ,
o overzichtshouder beschikbare capaciteit,
o beheerder HYCAP-versterking,
o contactpersoon voor burgers & korpschefs (zie ook art 104 §1 WGP)
- Levert versterking indien nodig
Stap 4: Bepalen GBOR A of GBOR B (vanuit codex kn toepassen) (art 4.2.1-4.2.2 MFO-2)
HYCAP A/GBOR A
- Model van concentrische cirkels5
o 1) interventiekorps eigen arrondissement (snelste optie)
o 2) DIRCO gaat kijken naar zones van HYCAP A in zijn eigen arrondissement,
o 3) DIRCO gaat kijken naar zones van HYCAP B in zijn eigen arrondissement,
o Als arr onvoldoende capaciteit: buiten arrondissement gaan kijken à federale BP (directies BP)
o 4) politiezones HYCAP A andere arrondissementen
o 5) interventiekorpsen andere arrondissementen
o 6) manschappen directie openbare veiligheid (DAS)
o 7) politiezones HYCAP B andere arrondissementen
HYCAP B/GBOR B
o 1) interventiekorps eigen arrondissement
o 2) DIRCO gaat kijken naar zones van HYCAP B in zijn eigen arrondissement
o Als arr onvoldoende capaciteit: dan federaal
o 3) interventiekorpsen andere arrondissementen
o 4) federale politie directie openbare veiligheid (DAS)
o 5) politiezones HYCAP B andere arrondissementen
2
Er is een soort nationale hypotheek op de capaciteit, elke zone moet een bepaald aantal
personeelsleden ‘reserveren’ die op zeer korte termijn elders kunnen worden ingezet à je beschikt niet
100% vrij over je eigen personeel, een deel kan worden opgeëist voor solidariteit
3
= Genegotieerd Beheer van Openbare en publieke Ruimte
4
Bestuurlijk directeur coördinator, hoofd gedeconcentreerde federale BP op arrondissementeel niveau
5
Eerst versterking zo dicht mog bij aanvragende zone zoeken, daarna pas ‘verder naar buiten’ kijken
9