Ten geleide (structuur en opzet handboek)
vertrouwen uitgangspunt van het handboek. Essentieel uitgangspunt in professioneel handelen en vormt de
basis om een relatie op te bouwen; zonder vertrouwen kan je niet samenwerken of
ondersteuning bieden, en zeker bij kwetsbare cliënten is dit cruciaal omdat zij enkel mensen in
hun leven toelaten die ze echt vertrouwen
privacy het recht van een persoon om zijn of haar persoonlijke leven en gegevens te beschermen tegen
ongewenste inmenging, en houdt in dat informatie over iemand vertrouwelijk en met respect
wordt behandeld, wat essentieel is voor vrijheid, veiligheid en het opbouwen van vertrouwen
in professionele relaties
De keuze om de focus op vertrouwen en het omgaan met vertrouwelijke gegevens heeft binnen dit HB 2 redenen:
1. Toename van (elektronische) dossiervorming
maakt het extra makkelijk om gegevens te delen
Een sociaal-agogisch werker komt in de leefwereld van mensen, bouwt een dossier op en wisselt informatie uit
waarbij het dus belangrijk is om te weten hoe je als HV moet omgaan met de privacy van C
2. Ons huidige tijdbestek waarin urgentie van privacy niet te veronachtzamen is. We leven in een voortdurend
1 EEN DEONTOLOGISCH PERSPECTIEF
kern van handboek bestaat uit een deontologische beschouwing over:
o privacy
o discretie
o beroepsgeheim
3 fundamentele principes voor sociaal- agogisch werkers en voor de privacy van de hele SL
deontologische invalshoek (binnen HB) biedt een moreel kader dat richting geeft aan hoe we als professional horen te handelen. Het
doel is niet om een opsomming van regels of kant-en-klare deontologische codes aan te
reiken, maar om ethische reflectie en dialoog binnen sociaal-agogische beroepen te
stimuleren. Door dieper in te gaan op deontologische aspecten wordt zichtbaar hoe deze het
handelen beïnvloeden en hoe ze bijdragen aan het opbouwen en onderhouden van een
vertrouwensrelatie
Belangrijk om als sociaal- agogisch werker bewust te zijn van de wet- en regelgeving en tegelijk bewust te zijn van het normerende
karakter van je beroep
“De wet is de wet”
Ethische en deontologische codes (internationaal en op niveau van organisaties) bieden een concreet kader over hoe we ‘moeten’
handelen
die kaders, regels,… volgen geeft niet noodzakelijk een ‘goede’ sociaal-agogische tussenkomst/ interventie en maken je
dus ook niet automatisch een goede HV
codes en wetten moeten beschouwd worden als een tijdelijke, contextuele en morele consensus:
o ze zijn expliciteringen van wat we als SL op een bepaald punt in de tijd goed- en afkeuren
wetten als morele consensus Wetten en codes kunnen worden gezien als een tijdelijke en contextgebonden morele
consensus, omdat ze weergeven wat een samenleving op een bepaald moment als juist of
onjuist beschouwt, en dus kunnen veranderen in de tijd
tegelijk streven wetten gelijkheid na
o “iedereen gelijk voor de wet”
in de realiteit zijn wetten en regels soms onrechtvaardig voor de meest kwetsbare groepen in de SL
1
, bestaan van regels en wetten bieden bovendien keen pasklare oplossing hoe we moeten handelen
o wetten zijn algemeen geformuleerd en moeten vertaald worden naar concrete contexten
“wat is het goede in dit geval?”
2 DEONTOLOGIE ALS DEEL VAN EEN BEROEPSETHIEK
deontologie/ plichtenleer onderdeel van de ethiek dat bepaalt hoe je je moet gedragen op basis van morele regels en
plichten; je handelt correct omdat je het ‘goede’ wil doen vanuit jezelf, niet omdat iemand het
oplegt, en het vormt een moreel kader dat verbonden is met integriteit en dat kan evolueren
of verschillend geïnterpreteerd worden
deontologische code geheel van afspraken en regels binnen een organisatie of team (bijvoorbeeld in een voorziening)
waarin vastgelegd wordt hoe mensen zich moeten gedragen in hun functie, zodat iedereen
volgens dezelfde professionele en morele normen werkt
discussie punt tussen het ‘juiste’ en het ‘goede’ binnen de deontologie:
‘het juiste’ verwijst binnen de deontologie naar het handelen volgens morele regels en principes die als
algemeen aanvaard en rechtvaardig worden beschouwd; het gaat dus om wat men “zou
moeten doen” op basis van afspraken en normen waar een brede consensus over bestaat
‘het goede’ betekent binnen de deontologie hetzelfde als het ‘juiste’ doen, namelijk handelen in
overeenstemming met die vastgelegde regels en principes; iets is goed omdat het strookt met
wat moreel vereist is, niet omdat het per se tot de beste uitkomst leidt
Binnen de deontologie is er in principe geen echt verschil tussen ‘het juiste’ en ‘het goede’, omdat het goede handelen gelijkgesteld wordt
aan het volgen van de juiste regels; het onderscheid zit vooral in de nuance dat ‘het juiste’ verwijst naar de regel of norm zelf, terwijl ‘het
goede’ verwijst naar het effectief toepassen van die regel in concreet gedrag
2
,Proloog: het goede doen
H1: Moraal en ethiek
moraal geheel van waarden en normen dat richting geeft aan hoe mensen denken en handelen in het
dagelijks leven; deze ontstaat vaak intuïtief door opvoeding en socialisatie (morele intuïtie) en
bepaalt wat iemand als goed of juist beschouwt
ethiek theoretische en kritische studie van moraal, waarbij morele standpunten en keuzes bewust
worden onderzocht, worden en beargumenteerd, met als doel te begrijpen welke waarden en
normen gelden en waarom bepaalde keuzes als ‘goed’ worden gezien
Disciplines binnen de moderne ethiek
Moderne ethiek kan opgedeeld worden in verschillende disciplines:
Theoretische ethiek Toegepaste ethiek Empirische ethiek
Meta- ethiek Normatieve ethiek
1. Theoretische ethiek Bestaat uit meta-ethiek en de normatieve ethiek
meta- ethiek zoekt naar fundamenten van de ethiek en bekijkt het morele taalgebruik en argumenten
normatieve ethiek zoekt naar theoretische kaders waarbinnen morele problemen behandeld kunnen worden
focus in dit HB
2. Toegepaste ethiek bekijkt morele problemen binnen een specifiek toegepast domein, zoals bio-ethiek, medische
ethiek, ethiek m.b.t. oorlogsvoering,…
3. Empirische ethiek betreft verschillende disciplines zoals moraalsociologie- en psychologie waarbij concrete
waarden en normen onderzocht worden die gelden in een samenleving en behoren tot het
referentiekader van personen
Hulpverlener als lantaarnpaal of kampvuur’ metafoor die toont 2 manieren van professioneel handelen: als lantaarnpaal wijst de
hulpverlener de cliënt de weg door duidelijke oplossingen en stappen aan te reiken (het
technische aspect), terwijl de hulpverlener als kampvuur samen met de cliënt stilstaat,
reflecteert en in dialoog zoekt naar mogelijke richtingen wanneer de weg onduidelijk of
moeilijk is (het normatieve aspect)
Sociaal- agogisch beroep bestaat uit 2 componenten:
1. technische professionaliteit
Omgaan met technologische ontwikkelingen
gespreksvaardigheden kwalitatieve rapportage
omgaan met agressie
…
2. Normatieve professionaliteit
Ethische vragen stellen over (eigen) interventies: dragen ze bij en op welke manier aan goede orthopedagogie?
Beide componenten zijn even belangrijk: het is belangrijk om tussenkomsten deskundig te onderbouwen, maar ook om stil te staan bij het
waarom van interventies
2.1WAT IS HET GOEDE DOEN EN WIE BEPAALT DAT?
het goede doen/ integer handelen zo handelen dat die op een manier als moreel wordt geacht, in overeenstemming met waarden
en normen en met wat men als ‘juist’ beschouwt
Autonoom handelen het goede doen vanuit jezelf, op basis van je eigen overtuigingen en waarden, zonder dat je
daartoe verplicht wordt door anderen
heteronoom handelen het goede doen omdat het wordt opgelegd of verplicht door externe regels, normen of
autoriteiten, en dus niet vanuit een eigen innerlijke overtuiging
3
, hoe bepalen we wat goed is?
o moraliteit, dus waarden en normen vanuit onze samenleving krijgen we me via:
1. trial and error
2. socialisatie
primaire
secundaire
tertiaire
Pluralisme binnen samenleving de aanwezigheid van een grote diversiteit aan waarden, normen en levensvisies, waarbij er
geen één gedeeld of collectief verhaal meer is; individuen geven zelf betekenis aan hun leven,
wat zorgt voor verscheidenheid maar ook voor een complexe en soms onzekere (VUCA-)
samenleving
VUCA volatile, uncertain, complex en ambiguous; het verwijst naar een wereld die snel verandert
(volatiel), moeilijk voorspelbaar is (onzeker), bestaat uit veel onderling verbonden factoren
(complex) en waarin situaties vaak meerdere interpretaties hebben (ambigu), wat het moeilijk
maakt om eenduidig te bepalen wat ‘juist’ of ‘goed’ handelen is
Trial and error een leerproces waarbij mensen door ervaring en het maken van fouten ontdekken wat goed
of juist handelen is
socialisatie proces waarbij mensen waarden en normen aanleren door interactie met hun omgeving, zoals
gezin, school en maatschappij, en zo leren wat als ‘goed’ wordt gezien. Er zijn 3 vormen van
socialisatie: primaire, secundaire en tertiaire socialisatie
1. Primaire socialisatie = sociale huid proces waarbij iemand waarden en normen aanleert binnen intieme en directe relaties, zoals
het gezin en vriendenkring; dit gebeurt op een informele en vanzelfsprekende manier,
waardoor deze normen vaak diep verankerd raken en deel worden van iemands identiteit
2. Secundaire socialisatie = sociale kleren vindt plaats in formele contexten zoals school, werk en verenigingen, waar mensen zich
aanpassen aan de geldende cultuur en regels; in deze fase hebben mensen meer keuzevrijheid
en kunnen ze hun waarden en normen bijsturen, vergelijkbaar met het wisselen van kleren
3. Tertiaire socialisatie gebeurt via indirecte en vaak anonieme invloeden zoals media, literatuur en
overheidscampagnes, waarbij waarden en normen impliciet worden aangeleerd zonder
directe persoonlijke interactie en zonder dat mensen zich daar altijd bewust van zijn
Moraal ≠ ethiek
Kenmerk Moraal Ethiek
= Geheel van waarden en normen = Studie en reflectie op waarden en normen
Aanwezigheid Iedereen heeft een moraal Ontstaat wanneer men gaat nadenken over moraal
Manier van werken Intuïtief en spontaan Bewust en kritisch
Functie Stuurt gedrag en geweten Onderzoekt en bevraagt gedrag
Rol ‘Scheidsrechter’ van het geweten Analyseert en argumenteert wat juist is
Basis Gezond verstand en aanvoelen Filosofische reflectie
Moment van optreden Altijd aanwezig in dagelijks handelen Vanaf het moment dat intuïtie in vraag wordt gesteld
1 DE VERWISSELBAARHEIDSGEDACHTE
komt voort uit normatieve ethiek
Verwisselbaarheidsgedachte/ principe van gelijkheid principe binnen de normatieve ethiek dat stelt dat men bij morele oordelen de eigen belangen
niet zwaarder mag laten doorwegen dan die van anderen; een handeling is pas ethisch
aanvaardbaar wanneer men zich kan inbeelden dat de rollen omkeerbaar zijn en iedereen op
dezelfde manier behandeld wordt, tenzij er goede redenen zijn voor een verschil
verwisselbaarheid principe dat men bij een moreel oordeel de eigen belangen niet belangrijker acht dan die van
anderen, en dat men zich in de plaats van anderen moet kunnen stellen; een handeling is pas
ethisch wanneer ze het eigenbelang overstijgt en voor iedereen op een gelijke en
rechtvaardige manier kan gelden. Bv: als je het storend vindt dat anderen praten in de les,
moet je zelf ook stil zijn, omdat dezelfde regels voor iedereen moeten gelden
4