atollen
bij een guyot kan in tropische gebieden een ringvormig
koraalrif gevormd worden waardoor een atol ontstaat
(koraaleiland)alle uit de zeebodem opduikende bergen
worden ook wel seamounts genoemd
Oceaansedimenten
het sediment in de oceaan kan verschillende oorsprongen hebben
terrigeen sediment (vanaf het continent)
o afzettingen op de continental shelf
o afzettingen in de diepzee via turbidity currents
o afzettingen via de atmosfeer (stof, vulkanische as, …)
o meestal zeer kleirijk in de diepzee en rood (roest)
o jaarlijkse aanvoer van 15-25 miljard ton sediment vanaf het continent via rivieren
en 100 miljoen ton via de atmosfeer
hydrogeen sediment
biogeen sediment
HYDROGEEN SEDIMENT
neerslag van mineralen uit het water
vooral mangaannodules in de diepzee maar ook
evaporieten bij uitdrogende zeeën (vb Middellandse Zee
5.5 miljoen jaar geleden
BIOGEEN SEDIMENT
neerslag van kwarts en carbonaatskeletten van dieren en
planten
kwartsskeletten: diatomeëen in koude oceanen en
radiolarieten in tropische gebieden
carbonaatafzettingen vnl in warmere regio’s
veel afzetting in kustmilieus en waar veel voedsel voorhanden is (nutriëntenrijke waters)
accumulatie van organogene sedimenten kan na miljoenen jaren resulteren in olie- en gasrijke
sedimenten
201
,vandaar ook veel o -shore olie- en gasontginningen in vele shelfgebieden
biogeen: belangrijkst in oppervlakte
terrigeen: belangrijkst in volume
hydrogeen: beperkt
Oceaanwater
omwille van de aanvoer van heel wat opgeloste sto en vanaf het continent naar de oceaan, is
het oceaanwater iets denser dan zuiver water
- gemiddelde dichtheid bedraagt 1.03 g/cm³
- de dichtheid neemt ook af met de diepte
uiterst beperkte ruimtelijke verschillen in densiteit kunnen aanleiding geven tot het ontstaan van
stromingen
zeer hoog -> subtropische
gebieden, meeste verdamping
evenaar -> meer neerslag ->
verdunning van zoutgehalte
OCEAANWATERSTRATIFICATIE
zowel de temperatuur, de saliniteit en de densiteit vertonen dus een belangrijke verandering met
de diepte
202
,deze veranderingen lopen vaak gelijk: kouder water is denser dan warm water; hoe meer
opgeloste sto en waaronder zouten hoe denser
deze stratificatie is van belang voor het optreden van bepaalde stromingen, mn de thermohaline
currents
deze zijn van groot belang voor globale en regionale klimaten
OCEAANCIRCULATIE
deze THC of thermohaline circulation treedt quasi uitsluitend op onder de thermocline zone
(ocean conveyor belt)
enkel op bepaalde plaatsen komt deze aan de oppervlakte, meer bepaald in polaire gebieden
immers, het densere water kan onmogelijk stijgen tot aan het oppervlak omwille van de
aanwezigheid van een pycnocline zone
enkel in polaire gebieden waar nauwelijks een temperatuurs- en densiteitsgradiënt aanwezig is
in de polaire gebieden waar seizoenaal water
bevriest, en er hierbij zouten vrijkomen
tevens koelt het water sterk af
hierdoor wordt zwaarder water gevormd dat daalt
en zuidwaarts stroomt over de oceaanbodem
(North Atlantic Deep Water of NADW)
idem vanuit het zuidpoolgebied: Antarctic Bottom
Water (AABW) en Antarctic Intermediate Water
(AAIW)
warm water wordt oppervlakkig getransporteerd
vanuit tropische regio’s naar de poolgebieden
beweging van 1000 jaar en meer !
densiteitsverschillen spelen ook lokaal een rol in
het ontstaan van circulaties zoals in de
Middellandse Zee
- netto-verdamping in het oostelijk deel
- toenemende saliniteit en densiteit
203
, - water zakt weg en stroomt onder het lichtere water via de Straat van Gibraltar naar de
Atlantische Oceaan
- het wordt ‘overreden’ door lichter water uit deze oceaan
naast de diepere convectiebewegingen bestaan er ook heel wat oppervlakkige stromingen
deze worden vnl geïniteerd door overheersende windrichtingen (driftstromen) maar er zijn er
ook een aantal die gekoppeld zijn aan convectie- of gradiëntbewegingen (vb Golfstroom als
onderdeel van de THC)
gemiddeld verplaatst het water zich met een snelheid van 3-5% van de windsnelheid
lager gelegen water wordt (oiv Corioluskracht) gedeflecteerd (Ekman-spiraal)
oppervlakkige stromingen zijn belangrijke transportwegen van warmte-energie van de (sub-)
tropische gebieden naar de gematigde en polaire regio’s
best gekende voorbeeld: Golfstroom
verantwoordelijk voor de milde klimaten in W- en NW-Europa
Getijden en golven
andere belangrijke waterbewegingen zijn de
getijden en de oppervlaktegolven
getijden zijn het gevolg van de aantrekkingskracht
van de zon en vooral de maan op het oceaanwater
wanneer zon en maan op één lijn staan met de
aarde is er springtij
bij eerste en laatste kwartier is het doodtij
tweemaal springtij per ‘maan’-maand of om de
twee weken
getijgolf = op- en neerwaartse beweging van het
water oiv zon en maan
zeer regelmatig in open zeeën
204
bij een guyot kan in tropische gebieden een ringvormig
koraalrif gevormd worden waardoor een atol ontstaat
(koraaleiland)alle uit de zeebodem opduikende bergen
worden ook wel seamounts genoemd
Oceaansedimenten
het sediment in de oceaan kan verschillende oorsprongen hebben
terrigeen sediment (vanaf het continent)
o afzettingen op de continental shelf
o afzettingen in de diepzee via turbidity currents
o afzettingen via de atmosfeer (stof, vulkanische as, …)
o meestal zeer kleirijk in de diepzee en rood (roest)
o jaarlijkse aanvoer van 15-25 miljard ton sediment vanaf het continent via rivieren
en 100 miljoen ton via de atmosfeer
hydrogeen sediment
biogeen sediment
HYDROGEEN SEDIMENT
neerslag van mineralen uit het water
vooral mangaannodules in de diepzee maar ook
evaporieten bij uitdrogende zeeën (vb Middellandse Zee
5.5 miljoen jaar geleden
BIOGEEN SEDIMENT
neerslag van kwarts en carbonaatskeletten van dieren en
planten
kwartsskeletten: diatomeëen in koude oceanen en
radiolarieten in tropische gebieden
carbonaatafzettingen vnl in warmere regio’s
veel afzetting in kustmilieus en waar veel voedsel voorhanden is (nutriëntenrijke waters)
accumulatie van organogene sedimenten kan na miljoenen jaren resulteren in olie- en gasrijke
sedimenten
201
,vandaar ook veel o -shore olie- en gasontginningen in vele shelfgebieden
biogeen: belangrijkst in oppervlakte
terrigeen: belangrijkst in volume
hydrogeen: beperkt
Oceaanwater
omwille van de aanvoer van heel wat opgeloste sto en vanaf het continent naar de oceaan, is
het oceaanwater iets denser dan zuiver water
- gemiddelde dichtheid bedraagt 1.03 g/cm³
- de dichtheid neemt ook af met de diepte
uiterst beperkte ruimtelijke verschillen in densiteit kunnen aanleiding geven tot het ontstaan van
stromingen
zeer hoog -> subtropische
gebieden, meeste verdamping
evenaar -> meer neerslag ->
verdunning van zoutgehalte
OCEAANWATERSTRATIFICATIE
zowel de temperatuur, de saliniteit en de densiteit vertonen dus een belangrijke verandering met
de diepte
202
,deze veranderingen lopen vaak gelijk: kouder water is denser dan warm water; hoe meer
opgeloste sto en waaronder zouten hoe denser
deze stratificatie is van belang voor het optreden van bepaalde stromingen, mn de thermohaline
currents
deze zijn van groot belang voor globale en regionale klimaten
OCEAANCIRCULATIE
deze THC of thermohaline circulation treedt quasi uitsluitend op onder de thermocline zone
(ocean conveyor belt)
enkel op bepaalde plaatsen komt deze aan de oppervlakte, meer bepaald in polaire gebieden
immers, het densere water kan onmogelijk stijgen tot aan het oppervlak omwille van de
aanwezigheid van een pycnocline zone
enkel in polaire gebieden waar nauwelijks een temperatuurs- en densiteitsgradiënt aanwezig is
in de polaire gebieden waar seizoenaal water
bevriest, en er hierbij zouten vrijkomen
tevens koelt het water sterk af
hierdoor wordt zwaarder water gevormd dat daalt
en zuidwaarts stroomt over de oceaanbodem
(North Atlantic Deep Water of NADW)
idem vanuit het zuidpoolgebied: Antarctic Bottom
Water (AABW) en Antarctic Intermediate Water
(AAIW)
warm water wordt oppervlakkig getransporteerd
vanuit tropische regio’s naar de poolgebieden
beweging van 1000 jaar en meer !
densiteitsverschillen spelen ook lokaal een rol in
het ontstaan van circulaties zoals in de
Middellandse Zee
- netto-verdamping in het oostelijk deel
- toenemende saliniteit en densiteit
203
, - water zakt weg en stroomt onder het lichtere water via de Straat van Gibraltar naar de
Atlantische Oceaan
- het wordt ‘overreden’ door lichter water uit deze oceaan
naast de diepere convectiebewegingen bestaan er ook heel wat oppervlakkige stromingen
deze worden vnl geïniteerd door overheersende windrichtingen (driftstromen) maar er zijn er
ook een aantal die gekoppeld zijn aan convectie- of gradiëntbewegingen (vb Golfstroom als
onderdeel van de THC)
gemiddeld verplaatst het water zich met een snelheid van 3-5% van de windsnelheid
lager gelegen water wordt (oiv Corioluskracht) gedeflecteerd (Ekman-spiraal)
oppervlakkige stromingen zijn belangrijke transportwegen van warmte-energie van de (sub-)
tropische gebieden naar de gematigde en polaire regio’s
best gekende voorbeeld: Golfstroom
verantwoordelijk voor de milde klimaten in W- en NW-Europa
Getijden en golven
andere belangrijke waterbewegingen zijn de
getijden en de oppervlaktegolven
getijden zijn het gevolg van de aantrekkingskracht
van de zon en vooral de maan op het oceaanwater
wanneer zon en maan op één lijn staan met de
aarde is er springtij
bij eerste en laatste kwartier is het doodtij
tweemaal springtij per ‘maan’-maand of om de
twee weken
getijgolf = op- en neerwaartse beweging van het
water oiv zon en maan
zeer regelmatig in open zeeën
204