puinhellingsbron
overloopbron
breukvlakbron
karstbron of resurgentiebron (Vauclusebron)
artesische bron
warmwaterbron of geyser
Artesisch grondwater: staat onder hoge hydrostatische druk omwille van een afsluitende laag
of aquicluide die een terreindepressie volgt
indien men doorheen de aquiclude boort en het water uit de put stroomt = artesische bron
Debiet
de afvoer of het debiet van een rivier (m³/s) = hoeveelheid water die per seconde doorheen een
bepaalde doorsnede of dwarssectie van de rivier stroomt
niet constant maar fluctueert ifv de neerslag, evapotranspiratie, stockage aan en in het
bodemoppervlak, etc.
is maw de resultante van alle hydrologische processen die zich in een stroomgebied afspelen
101
,De hydrograaf
weergave van het debiet ifv de tijd : debietshydrograaf
o bevat verschillende componenten
o de vorm van de hydrograaf zegt veel over
o de intensiteit en het voorkomen van de
verschillende hydrologische processen
o functionering van het stroomgebied
Hortonian overland flow : snelle afvoer (quickflow),
verantwoordelijk voor piekdebieten
Saturation excess overland flow en return flow: vertraagde
afstroming (delayed flow) – bepaald vooral de recession limb
Example hydrographs for a
single storm: (a) for an
infiltration-excess
overland flow dominated
catchment; (b) for a
throughflow dominated
catchment.
102
,urbanisatie: uitbreiding van verharde
oppervlaktes met lagere infiltratiecapaciteit
toename van de ‘quickflow’
afname van de lag time
toename van de piekdebieten
de snelle stijging van het debiet (quickflow)
ontstaat niet uitsluitend door een aanzienlijke
Hortoniaanse afvoer
in stroomgebieden die voor een groot deel quasi constant waterverzadigd zijn (vochtige
gebieden met dunne bodems) zal de verzadigingsafvoer een zelfde e ect hebben
soms is ook throughflow zeer snel: bij aanwezigheid van talloze pijpen kan de snelheid oplopen
tot enkele honderden meter per uur
grotere stroomgebieden: lagere piekdebieten, langere ‘lag-times’ en langere ‘flood durations’
waarom ?
1. Lagere piekdebieten
o Neerslag valt niet overal tegelijk en niet even intens binnen een groot
stroomgebied.
o Water uit verschillende deelgebieden komt gespreid in de tijd bij de rivier aan.
o Onderweg gaat water deels verloren door infiltratie, verdamping en tijdelijke
opslag (bodem, meren, uiterwaarden).
-> De afvoer wordt “uitgesmeerd”, waardoor de piek lager is dan bij kleine
stroomgebieden.
2. Langere lag-time (vertraging tussen neerslag en piekafvoer)
o Water moet langere afstanden afleggen naar het uitstroompunt.
o Stroming door bodem, grondwater en rivieren kost tijd.
o Opslag in bodem en kanalen vertraagt de afvoer.
-> De tijd tussen regen en maximale afvoer wordt groter.
3. Langere flood duration (overstromingsduur)
o Omdat water geleidelijker aankomt én wegstroomt, stijgt én daalt de waterstand
trager.
o Grote rivieren hebben meer retentie (uiterwaarden, meanders).
-> Overstromingen duren langer, maar zijn meestal minder abrupt.
103
, Grote stroomgebieden -> water wordt geleidelijk aangevoerd van verschillende deelbekkens ->
totale som van de debieten van de bijdrage van de deelbekkens (per oppervlakte eenheid) gaat
dalen
De piek wordt dus relatief zwakker
-> e ect van urbanisatie wordt afgevlakt
De afbeelding toont hoe de vorm
van een stroomgebied (bekken)
de afvoer of het debiet van een
rivier door de tijd beïnvloedt. Op
de verticale as staat debiet
(discharge) en op de horizontale as
tijd. Boven elk grafiekje staat de
vorm van het bijhorende
stroomgebied.
1. Compact / rond stroomgebied (links)
In een compact bekken liggen de meeste punten ongeveer even ver van de
riviermonding.
Regenwater bereikt daardoor bijna gelijktijdig de rivier.
Gevolg:
o Snelle stijging van het debiet
o Hoge piekafvoer
o Korte reactietijd
-> Dit geeft een scherpe piek in de hydrogram (eerste grafiek).
2. Langgerekt stroomgebied (midden)
In een langgerekt bekken liggen delen van het gebied verder van de uitgang.
104
overloopbron
breukvlakbron
karstbron of resurgentiebron (Vauclusebron)
artesische bron
warmwaterbron of geyser
Artesisch grondwater: staat onder hoge hydrostatische druk omwille van een afsluitende laag
of aquicluide die een terreindepressie volgt
indien men doorheen de aquiclude boort en het water uit de put stroomt = artesische bron
Debiet
de afvoer of het debiet van een rivier (m³/s) = hoeveelheid water die per seconde doorheen een
bepaalde doorsnede of dwarssectie van de rivier stroomt
niet constant maar fluctueert ifv de neerslag, evapotranspiratie, stockage aan en in het
bodemoppervlak, etc.
is maw de resultante van alle hydrologische processen die zich in een stroomgebied afspelen
101
,De hydrograaf
weergave van het debiet ifv de tijd : debietshydrograaf
o bevat verschillende componenten
o de vorm van de hydrograaf zegt veel over
o de intensiteit en het voorkomen van de
verschillende hydrologische processen
o functionering van het stroomgebied
Hortonian overland flow : snelle afvoer (quickflow),
verantwoordelijk voor piekdebieten
Saturation excess overland flow en return flow: vertraagde
afstroming (delayed flow) – bepaald vooral de recession limb
Example hydrographs for a
single storm: (a) for an
infiltration-excess
overland flow dominated
catchment; (b) for a
throughflow dominated
catchment.
102
,urbanisatie: uitbreiding van verharde
oppervlaktes met lagere infiltratiecapaciteit
toename van de ‘quickflow’
afname van de lag time
toename van de piekdebieten
de snelle stijging van het debiet (quickflow)
ontstaat niet uitsluitend door een aanzienlijke
Hortoniaanse afvoer
in stroomgebieden die voor een groot deel quasi constant waterverzadigd zijn (vochtige
gebieden met dunne bodems) zal de verzadigingsafvoer een zelfde e ect hebben
soms is ook throughflow zeer snel: bij aanwezigheid van talloze pijpen kan de snelheid oplopen
tot enkele honderden meter per uur
grotere stroomgebieden: lagere piekdebieten, langere ‘lag-times’ en langere ‘flood durations’
waarom ?
1. Lagere piekdebieten
o Neerslag valt niet overal tegelijk en niet even intens binnen een groot
stroomgebied.
o Water uit verschillende deelgebieden komt gespreid in de tijd bij de rivier aan.
o Onderweg gaat water deels verloren door infiltratie, verdamping en tijdelijke
opslag (bodem, meren, uiterwaarden).
-> De afvoer wordt “uitgesmeerd”, waardoor de piek lager is dan bij kleine
stroomgebieden.
2. Langere lag-time (vertraging tussen neerslag en piekafvoer)
o Water moet langere afstanden afleggen naar het uitstroompunt.
o Stroming door bodem, grondwater en rivieren kost tijd.
o Opslag in bodem en kanalen vertraagt de afvoer.
-> De tijd tussen regen en maximale afvoer wordt groter.
3. Langere flood duration (overstromingsduur)
o Omdat water geleidelijker aankomt én wegstroomt, stijgt én daalt de waterstand
trager.
o Grote rivieren hebben meer retentie (uiterwaarden, meanders).
-> Overstromingen duren langer, maar zijn meestal minder abrupt.
103
, Grote stroomgebieden -> water wordt geleidelijk aangevoerd van verschillende deelbekkens ->
totale som van de debieten van de bijdrage van de deelbekkens (per oppervlakte eenheid) gaat
dalen
De piek wordt dus relatief zwakker
-> e ect van urbanisatie wordt afgevlakt
De afbeelding toont hoe de vorm
van een stroomgebied (bekken)
de afvoer of het debiet van een
rivier door de tijd beïnvloedt. Op
de verticale as staat debiet
(discharge) en op de horizontale as
tijd. Boven elk grafiekje staat de
vorm van het bijhorende
stroomgebied.
1. Compact / rond stroomgebied (links)
In een compact bekken liggen de meeste punten ongeveer even ver van de
riviermonding.
Regenwater bereikt daardoor bijna gelijktijdig de rivier.
Gevolg:
o Snelle stijging van het debiet
o Hoge piekafvoer
o Korte reactietijd
-> Dit geeft een scherpe piek in de hydrogram (eerste grafiek).
2. Langgerekt stroomgebied (midden)
In een langgerekt bekken liggen delen van het gebied verder van de uitgang.
104