1
H1: OP WEG NAAR EEN DEFINITIE: WAT ZIJN GESPREKSVAARDIGHEDEN
1.1 - Het zender-ontvangermodel
- ntwikkeld in 1949: Shannon en Weaver
O
- Eerste modellen die communicatieproces in kaart probeerde brengen
- Zender probeert bepaalde boodschap = informatie over te brengen > ontvanger
👉 ontvanger gaat boodschap omzetten in bepaalde symbolen zoals taal = coderen
👉 gecodeerde boodschap wordt via een communicatiekanaal worden overgebracht
👉 Ontvanger moet boodschap decoderen = de boodschap vertalen dat die voor hem duidelijk wordt
→ Boodschap ontvangen dan is er een effect
!!! Kritiek
- Heel simpele voorstelling van communicatie
- Model van Shannon en Weaver stelt communicatie als eenrichtingsverkeer.
→ A zendt boodschap naar B, maar B stuurt geen feedback naar A
- Model houdt X rekening met context + situatie waarin gecommuniceerd wordt
- Model houdt geen rekening met de non-verbale communicatie
=====> Die factoren beïnvloeden manier + inhoud van communiceren
odellen hierna hielden rekening met deze kritieken en vervolgens kwam dit algemeen model, waarbij
M
communicatie opgevat wordt als een interactioneel proces
1.1.1 Coderen
, 2
👉 Zender probeert bepaalde boodschap over te brengen ontvanger
- bereikt doel door te communiceren
-
👉
Zender moet de boodschap omzetten in bep symbolen, dit kan non-verbaal en verbaal zijn
= codering van de boodschap
1.1.2 Het kanaal/medium
👉 Als de boodschap gecodeerd = moet die via kanaal worden overgebracht naar ontvanger
– Kanaal = manier waarop boodschap wordt overgebracht
vb. via spraak, non-verbale gebaren, sms, emoji’s, een lied, een gedicht …
1.1.3 Decoderen
👉 Daarna moet de ontvanger de boodschap decoderen
= de gecodeerde boodschap moet waargenomen + opgevangen worden
● Wanneer ze is opgevangen moet ze ook geïnterpreteerd worden
● ontvanger zal betekenis toekennen a/d ontvangen boodschap
●
ntvangen + interpreteren wordt beïnvloed door:
O
Objectiviteit/neutraliteit → Heeft te maken met de zakelijkheid + feitelijkheid > info die je krijgt
= meetbaar + controleerbaar
→ mens kan eigenlijk X objectief waarnemen
Objectiviteit = als ontvanger puur cijfermatig waarneemt hoe vaak iets
plaatsgevonden heeft
ZONDER daar een betekenis of waardeoordeel aan toe te kennen
===> maar ons hoofd > registreert een keuze v gedragingen die het beoordeelt
egrip neutraliteit is beter want we kunnen wel neutraal waarnemen zoals het
B
aantal belanghebbenden, de verstreken tijd,...
Subjectiviteit = je kent op persoonlijke wijze betekenis toe aan informatie
→ Je vindt iets leuk of stom,..
→ Waarneming kan neutraal zijn maar interpretatie
= altijd subjectief
Iedere mens trekt verschillende conclusies
Intersubjectiviteit = interpretaties van mensen vergelijken met elkaar
– Het decoderen m verschillende personen + die decoderingen uitwisseling
doel = tot gezamenlijke mening te komen
b. sollicitatiegesprek > objectieve gegevens + vss interpretaties v persoonlijke
v
gegevens m elkaar uitgewisseld
1.1.4 Ruis i/d communicatie
Er kunnen veel storende factoren optreden op h moment waarop de boodschap v/d de zender naar
→
ontvanger wordt overgebracht
● Ruis = storende factoren > voor misverstanden in communicatie zorgen
→ We horen woorden + zien elkaars gedrag ↔️
betekenis + intentie achter boodschap is X zichtbaar
👉 We zijn geneigd het gedrag of de boodschap van de andere te beoordelen obv eigen referentiekader
👉 We nemen snel aan dat we weten wat ander bedoelt
⇒
Professionele gespreksvoering: extra alert zijn om ruis te voorkomen / op te lossen
> door te checken wat de ander bedoelt om zo stigmatisering te voorkomen of te doorbreken
, 3
Factoren die voor ruis kunnen zorgen bij communicatie > op 4 terreinen
In de context actoren die context bepalen:
F
plaats + tijdstip + aan- of afwezigheid van derden
v. commentaar van je leerkracht tijdens de les of na de de les tijdens een
B
rustig gesprek
ij het
B et medium vertoont technische gebreken > waardoor ontvanger de
H
communicatiekanaal / boodschap X goed kan decoderen.
medium
v. dialect, een andere taal, articuleert slecht, slechte telefoonverbinding,
B
sleche kopieën, verkeerde medium te gebruiken.
Bv. een gevoelige boodschap op mail zetten
Bij jezelf en boodschap kan X goed overkomen, ook al streef je zelf alleen maar goede
E
bedoelingen na.
v. dat je niet goed weet wat te zeggen, onvoldoende voorbereid, bewust of
B
onbewust informatie achter houden, tegenstrijdige boodschap uitzenden
doordat je non-verbale communicatie niet in overeenstemming is met je verbale
communicatie.
Bij de ander Humeur van de ontvanger
→
→ Het oordeel over jou
→ De N+W die de ander heeft
→ De aandacht die er is op dat ogenblik
epaalde info niet kunnen plaatsen omdat we het niet kennen of er niet
B
vertrouwd mee zijn
1.2 - De communicatietheorie van Watzalwick
zender-ontvanger model > focus op informatieoverdracht ⇒ communicatie = meer dan de overdracht v info
● P
aul Watzlawick
– Mental Research Instituut Palo Alto
→ Bracht voor het eerst de complexiteit van de menselijke communicatie in kaart
oek: De pragmatische aspecten van de menselijke communicatie
B
→ pragmatische aspecten die menselijke communicatie beïnvloeden
⇒
● focus is minder op taal meer op gedrag
– focus op taal > niet voldoende om complexiteit v/d menselijke interactie te begrijpen
atzlawick
W
✱ X enkel focus op taal → maar op de interpretatie ervan
→ interpretatie bepaalt betekenis
✱ alle gedrag = communicatie > niet alleen woorden wisselen taal uit
> de grammatica v/d menselijke communicatie
, 4
→ waarbij hij vss aannames doet over vss aspecten v communicatie
⇒
die menselijke werkelijkheid beschrijven
—> deze aannames = stellingen > X bewezen → meeste mensen nemen ze wel aan voor waar
= axioma’s
AXIOMA 1 – De onmogelijkheid om niet te communiceren, alle gedrag is communicatie
⇒
gedrag kan gelijkgesteld worden met communicatie
● alle gedrag in sociale situaties = communicatie → ook zwijgen = communicatie
alle gedrag i/e situatie v interactie > heeft een berichtwaarde
⇒
we beïnvloeden elkaar constant + worden ook altijd beïnvloedt
🫵 wat X zichtbaar is in ons gedrag =binnenkant→ bedoeling/ intenties
⇒ heeft X invloed op anderen
🫵 gedrag dat we kunnen interpreteren via zintuigen =buitenkant
🫵 manier waarop betrokkene het gedrag interpreteerd + betekenis aan geeft =overkant = effect
● w
at h effect van gedrag is, w X bepaald door degene die gedrag stelt
Maar door — betekenisgever
— andere factoren > zoals context & geschiedenis
AXIOMA 2 – Als ik wat zeg, zeg ik iets over hoe ik wil dat de ander met mij omgaat
1 - Inhoudsniveau = WAT er wordt gezegd, de inhoudelijke boodschap
2 - Betrekkingsniveau = hoe de boodschap moet worden opgevat
→ verwijst naar de betrekking of de relatie tussen mensen
> vaak tot uiting komend in non-verbale signalen, lichaamstaal, intonatie = analoge taal
— tussen de lijnen
● boodschappen op betrekkingsniveau kunnen in 3 types worden opgedeeld:
✱
expressieve > iem toont al communicerend iets over zichzelf
boodschap + hoe hij wil dat de ander hem ziet
✱
relationele > al communicerend toont iemand hoe hij de ander ervaart
boodschap
✱
appellerende > al communicerend toont iemand wat hij verwacht vd ander
boodschap
3 - Contextniveau = is medebepalend voor de betekenis die men geeft a/d communicatie
b. “Jill, wil jij vanavond de tafel afruimen?” OF “Jill, jij ruimt vanavond de tafel af!”
V
- Inhoudsaspect: het afruimen van de tafel
- Betrekkingsaspect: – 1: een verwachting tav van Jill wordt geuit (wens)
– 2: een bevel tav Jill wordt geuit (macht)
iedere communicatie > gebeurt op bepaalde plaats i/d – tijd ===> andere context
– ruimte = andere betekenis
⇒
inhoudelijke boodschap = zelfde ↔️ op betrekkingsniveau: 2 verschillende boodschappen
H1: OP WEG NAAR EEN DEFINITIE: WAT ZIJN GESPREKSVAARDIGHEDEN
1.1 - Het zender-ontvangermodel
- ntwikkeld in 1949: Shannon en Weaver
O
- Eerste modellen die communicatieproces in kaart probeerde brengen
- Zender probeert bepaalde boodschap = informatie over te brengen > ontvanger
👉 ontvanger gaat boodschap omzetten in bepaalde symbolen zoals taal = coderen
👉 gecodeerde boodschap wordt via een communicatiekanaal worden overgebracht
👉 Ontvanger moet boodschap decoderen = de boodschap vertalen dat die voor hem duidelijk wordt
→ Boodschap ontvangen dan is er een effect
!!! Kritiek
- Heel simpele voorstelling van communicatie
- Model van Shannon en Weaver stelt communicatie als eenrichtingsverkeer.
→ A zendt boodschap naar B, maar B stuurt geen feedback naar A
- Model houdt X rekening met context + situatie waarin gecommuniceerd wordt
- Model houdt geen rekening met de non-verbale communicatie
=====> Die factoren beïnvloeden manier + inhoud van communiceren
odellen hierna hielden rekening met deze kritieken en vervolgens kwam dit algemeen model, waarbij
M
communicatie opgevat wordt als een interactioneel proces
1.1.1 Coderen
, 2
👉 Zender probeert bepaalde boodschap over te brengen ontvanger
- bereikt doel door te communiceren
-
👉
Zender moet de boodschap omzetten in bep symbolen, dit kan non-verbaal en verbaal zijn
= codering van de boodschap
1.1.2 Het kanaal/medium
👉 Als de boodschap gecodeerd = moet die via kanaal worden overgebracht naar ontvanger
– Kanaal = manier waarop boodschap wordt overgebracht
vb. via spraak, non-verbale gebaren, sms, emoji’s, een lied, een gedicht …
1.1.3 Decoderen
👉 Daarna moet de ontvanger de boodschap decoderen
= de gecodeerde boodschap moet waargenomen + opgevangen worden
● Wanneer ze is opgevangen moet ze ook geïnterpreteerd worden
● ontvanger zal betekenis toekennen a/d ontvangen boodschap
●
ntvangen + interpreteren wordt beïnvloed door:
O
Objectiviteit/neutraliteit → Heeft te maken met de zakelijkheid + feitelijkheid > info die je krijgt
= meetbaar + controleerbaar
→ mens kan eigenlijk X objectief waarnemen
Objectiviteit = als ontvanger puur cijfermatig waarneemt hoe vaak iets
plaatsgevonden heeft
ZONDER daar een betekenis of waardeoordeel aan toe te kennen
===> maar ons hoofd > registreert een keuze v gedragingen die het beoordeelt
egrip neutraliteit is beter want we kunnen wel neutraal waarnemen zoals het
B
aantal belanghebbenden, de verstreken tijd,...
Subjectiviteit = je kent op persoonlijke wijze betekenis toe aan informatie
→ Je vindt iets leuk of stom,..
→ Waarneming kan neutraal zijn maar interpretatie
= altijd subjectief
Iedere mens trekt verschillende conclusies
Intersubjectiviteit = interpretaties van mensen vergelijken met elkaar
– Het decoderen m verschillende personen + die decoderingen uitwisseling
doel = tot gezamenlijke mening te komen
b. sollicitatiegesprek > objectieve gegevens + vss interpretaties v persoonlijke
v
gegevens m elkaar uitgewisseld
1.1.4 Ruis i/d communicatie
Er kunnen veel storende factoren optreden op h moment waarop de boodschap v/d de zender naar
→
ontvanger wordt overgebracht
● Ruis = storende factoren > voor misverstanden in communicatie zorgen
→ We horen woorden + zien elkaars gedrag ↔️
betekenis + intentie achter boodschap is X zichtbaar
👉 We zijn geneigd het gedrag of de boodschap van de andere te beoordelen obv eigen referentiekader
👉 We nemen snel aan dat we weten wat ander bedoelt
⇒
Professionele gespreksvoering: extra alert zijn om ruis te voorkomen / op te lossen
> door te checken wat de ander bedoelt om zo stigmatisering te voorkomen of te doorbreken
, 3
Factoren die voor ruis kunnen zorgen bij communicatie > op 4 terreinen
In de context actoren die context bepalen:
F
plaats + tijdstip + aan- of afwezigheid van derden
v. commentaar van je leerkracht tijdens de les of na de de les tijdens een
B
rustig gesprek
ij het
B et medium vertoont technische gebreken > waardoor ontvanger de
H
communicatiekanaal / boodschap X goed kan decoderen.
medium
v. dialect, een andere taal, articuleert slecht, slechte telefoonverbinding,
B
sleche kopieën, verkeerde medium te gebruiken.
Bv. een gevoelige boodschap op mail zetten
Bij jezelf en boodschap kan X goed overkomen, ook al streef je zelf alleen maar goede
E
bedoelingen na.
v. dat je niet goed weet wat te zeggen, onvoldoende voorbereid, bewust of
B
onbewust informatie achter houden, tegenstrijdige boodschap uitzenden
doordat je non-verbale communicatie niet in overeenstemming is met je verbale
communicatie.
Bij de ander Humeur van de ontvanger
→
→ Het oordeel over jou
→ De N+W die de ander heeft
→ De aandacht die er is op dat ogenblik
epaalde info niet kunnen plaatsen omdat we het niet kennen of er niet
B
vertrouwd mee zijn
1.2 - De communicatietheorie van Watzalwick
zender-ontvanger model > focus op informatieoverdracht ⇒ communicatie = meer dan de overdracht v info
● P
aul Watzlawick
– Mental Research Instituut Palo Alto
→ Bracht voor het eerst de complexiteit van de menselijke communicatie in kaart
oek: De pragmatische aspecten van de menselijke communicatie
B
→ pragmatische aspecten die menselijke communicatie beïnvloeden
⇒
● focus is minder op taal meer op gedrag
– focus op taal > niet voldoende om complexiteit v/d menselijke interactie te begrijpen
atzlawick
W
✱ X enkel focus op taal → maar op de interpretatie ervan
→ interpretatie bepaalt betekenis
✱ alle gedrag = communicatie > niet alleen woorden wisselen taal uit
> de grammatica v/d menselijke communicatie
, 4
→ waarbij hij vss aannames doet over vss aspecten v communicatie
⇒
die menselijke werkelijkheid beschrijven
—> deze aannames = stellingen > X bewezen → meeste mensen nemen ze wel aan voor waar
= axioma’s
AXIOMA 1 – De onmogelijkheid om niet te communiceren, alle gedrag is communicatie
⇒
gedrag kan gelijkgesteld worden met communicatie
● alle gedrag in sociale situaties = communicatie → ook zwijgen = communicatie
alle gedrag i/e situatie v interactie > heeft een berichtwaarde
⇒
we beïnvloeden elkaar constant + worden ook altijd beïnvloedt
🫵 wat X zichtbaar is in ons gedrag =binnenkant→ bedoeling/ intenties
⇒ heeft X invloed op anderen
🫵 gedrag dat we kunnen interpreteren via zintuigen =buitenkant
🫵 manier waarop betrokkene het gedrag interpreteerd + betekenis aan geeft =overkant = effect
● w
at h effect van gedrag is, w X bepaald door degene die gedrag stelt
Maar door — betekenisgever
— andere factoren > zoals context & geschiedenis
AXIOMA 2 – Als ik wat zeg, zeg ik iets over hoe ik wil dat de ander met mij omgaat
1 - Inhoudsniveau = WAT er wordt gezegd, de inhoudelijke boodschap
2 - Betrekkingsniveau = hoe de boodschap moet worden opgevat
→ verwijst naar de betrekking of de relatie tussen mensen
> vaak tot uiting komend in non-verbale signalen, lichaamstaal, intonatie = analoge taal
— tussen de lijnen
● boodschappen op betrekkingsniveau kunnen in 3 types worden opgedeeld:
✱
expressieve > iem toont al communicerend iets over zichzelf
boodschap + hoe hij wil dat de ander hem ziet
✱
relationele > al communicerend toont iemand hoe hij de ander ervaart
boodschap
✱
appellerende > al communicerend toont iemand wat hij verwacht vd ander
boodschap
3 - Contextniveau = is medebepalend voor de betekenis die men geeft a/d communicatie
b. “Jill, wil jij vanavond de tafel afruimen?” OF “Jill, jij ruimt vanavond de tafel af!”
V
- Inhoudsaspect: het afruimen van de tafel
- Betrekkingsaspect: – 1: een verwachting tav van Jill wordt geuit (wens)
– 2: een bevel tav Jill wordt geuit (macht)
iedere communicatie > gebeurt op bepaalde plaats i/d – tijd ===> andere context
– ruimte = andere betekenis
⇒
inhoudelijke boodschap = zelfde ↔️ op betrekkingsniveau: 2 verschillende boodschappen