CELBIOLOGIE HOOFDSTUK 4
KERN
Nucleus (kern)
Structuur
• Dubbel membraan = kernmembraan:
o Binnenmembraan: grenst aan chromatine.
o Buitenmembraan: staat in verbinding met RER (bevat ook ribosomen).
• Nucleaire poriën: grote eiwitcomplexen → selectief transport (RNA naar buiten, eiwitten naar binnen).
• Nucleoplasma: vloeibare inhoud van de kern.
• Nucleolus (kernlichaampje): plaats waar rRNA wordt gemaakt en ribosomen worden samengesteld.
Functie
• Bevat genetische informatie (DNA).
• Reguleert transcriptie (RNA-synthese).
• Ribosoomproductie in nucleolus.
• Coördinatie van celdeling.
VRAAG 70
Vraag 70 – Verschil binnenste en buitenste kernmembraan
• Binnenste kernmembraan
o Grenst direct aan het chromatine (DNA + eiwitten).
o Verankerd met het nucleair lamina (een netwerk van laminen = structurele eiwitten).
o Zorgt voor stevigheid en structuur van de kern.
• Buitenste kernmembraan
o Staat in verbinding met het ruw endoplasmatisch reticulum (RER).
o Bevat ribosomen → eiwitsynthese kan hier plaatsvinden.
VRAAG 71
Vraag 71 – Verschil euchromatine en heterochromatine
• Euchromatine: minder gecondenseerd → actief DNA (wordt afgelezen → transcriptie).
• Heterochromatine: sterk gecondenseerd → inactief DNA (geen transcriptie).
, VRAAG 72
Vraag 72 – Wat gebeurt er in de nucleolus
• Transcriptie van rRNA (behalve 5S).
• Assemblage van ribosomale subunits (40S en 60S).
• Import van ribosomale eiwitten vanuit het cytoplasma.
• Export van de kant-en-klare subunits via de kernporiën.
VRAAG 73
Vraag 73 – Wat is de functie van de nucleaire poriën?
Nucleaire poriën zijn grote eiwitcomplexen in de kernenvelop die zorgen voor selectief transport tussen kern en
cytoplasma:
• Import: nucleaire eiwitten (met NLS-signaal) → kern in.
• Export: RNA’s (mRNA, tRNA, rRNA) en ribosomale subunits → kern uit.
• Kleine moleculen diffunderen passief, grote cargo’s hebben signalen + transporteiwitten nodig.
VRAAG 74
Vraag 74 – Wat is de functie van de nucleaire lamina?
De nucleaire lamina:
• Geeft structurele steun aan de kern.
• Verankert het chromatine en de kernporiën aan het kernmembraan.
• Speelt een rol in de organisatie van genexpressie.
VRAAG 75
Vraag 75 – Wat gebeurt er met de kernenvelop en de lamina tijdens de mitose?
Tijdens het begin van de mitose (profase):
• De lamines (onderdeel van de lamina) worden gefosforyleerd.
• Hierdoor valt de nucleaire lamina uit elkaar → de kernenvelop verdwijnt.
Aan het einde van de mitose (telofase):
• Defosforylatie van lamines → de lamina wordt weer opgebouwd.
• De kernenvelop vormt zich opnieuw rond de dochterchromosomen.
Ezelsbrug: fosforyleren = afbreken, defosforyleren = herstellen.
KERN
Nucleus (kern)
Structuur
• Dubbel membraan = kernmembraan:
o Binnenmembraan: grenst aan chromatine.
o Buitenmembraan: staat in verbinding met RER (bevat ook ribosomen).
• Nucleaire poriën: grote eiwitcomplexen → selectief transport (RNA naar buiten, eiwitten naar binnen).
• Nucleoplasma: vloeibare inhoud van de kern.
• Nucleolus (kernlichaampje): plaats waar rRNA wordt gemaakt en ribosomen worden samengesteld.
Functie
• Bevat genetische informatie (DNA).
• Reguleert transcriptie (RNA-synthese).
• Ribosoomproductie in nucleolus.
• Coördinatie van celdeling.
VRAAG 70
Vraag 70 – Verschil binnenste en buitenste kernmembraan
• Binnenste kernmembraan
o Grenst direct aan het chromatine (DNA + eiwitten).
o Verankerd met het nucleair lamina (een netwerk van laminen = structurele eiwitten).
o Zorgt voor stevigheid en structuur van de kern.
• Buitenste kernmembraan
o Staat in verbinding met het ruw endoplasmatisch reticulum (RER).
o Bevat ribosomen → eiwitsynthese kan hier plaatsvinden.
VRAAG 71
Vraag 71 – Verschil euchromatine en heterochromatine
• Euchromatine: minder gecondenseerd → actief DNA (wordt afgelezen → transcriptie).
• Heterochromatine: sterk gecondenseerd → inactief DNA (geen transcriptie).
, VRAAG 72
Vraag 72 – Wat gebeurt er in de nucleolus
• Transcriptie van rRNA (behalve 5S).
• Assemblage van ribosomale subunits (40S en 60S).
• Import van ribosomale eiwitten vanuit het cytoplasma.
• Export van de kant-en-klare subunits via de kernporiën.
VRAAG 73
Vraag 73 – Wat is de functie van de nucleaire poriën?
Nucleaire poriën zijn grote eiwitcomplexen in de kernenvelop die zorgen voor selectief transport tussen kern en
cytoplasma:
• Import: nucleaire eiwitten (met NLS-signaal) → kern in.
• Export: RNA’s (mRNA, tRNA, rRNA) en ribosomale subunits → kern uit.
• Kleine moleculen diffunderen passief, grote cargo’s hebben signalen + transporteiwitten nodig.
VRAAG 74
Vraag 74 – Wat is de functie van de nucleaire lamina?
De nucleaire lamina:
• Geeft structurele steun aan de kern.
• Verankert het chromatine en de kernporiën aan het kernmembraan.
• Speelt een rol in de organisatie van genexpressie.
VRAAG 75
Vraag 75 – Wat gebeurt er met de kernenvelop en de lamina tijdens de mitose?
Tijdens het begin van de mitose (profase):
• De lamines (onderdeel van de lamina) worden gefosforyleerd.
• Hierdoor valt de nucleaire lamina uit elkaar → de kernenvelop verdwijnt.
Aan het einde van de mitose (telofase):
• Defosforylatie van lamines → de lamina wordt weer opgebouwd.
• De kernenvelop vormt zich opnieuw rond de dochterchromosomen.
Ezelsbrug: fosforyleren = afbreken, defosforyleren = herstellen.