(Dingen met een sterretje zeker kennen voor het examen!)
HOOFDSTUK 1: INTRODUCTIE TOT VIROLOGIE
1.1 DE WERELD ZIT VOL VIRUSSEN
• De meeste virussen circuleren tussen mensen
• Virussen moeten continue iemand infecteren
o Altijd een gastheer nodig, kunnen zelf niet overleven in de omgeving
o Anders verdwijnt het virus
• Alle levende wezens worden geïnfecteerd door virussen
• Vector infecterende virussen
o Virus wordt overgegeven via een ander organismen
o Bv. Zika virus (overgedragen door muggen)
• Wanneer bacteriën geïnfecteerd zijn met een virus, noemen we ze bacteriofagen
o Het aantal bacteriofagen wordt geschat op 1031
• Er zijn virussen te vinden in water
o Zijn meestal specifieke virussen voor zeezoogdieren
o Virus wordt in grote hoeveelheden uitgescheiden en blijft 2 weken
besmettelijk in water
§ Survival of the fittest: meest voordelige virussen overleefden
§ Virus kan alleen produceren als die een zeezoogdier tegen komt
§ De zee is keigroot, dus het virus moet lang infectieus zijn en in
grote hoeveelheden uitgescheiden worden
• Virussen komen voor in grote getallen
o Belangrijk voor transmissie
o Hoe meer verschillende genomen, hoe meer variatie
o Hoe meer variatie, hoe meer kans dat je je kan aanpassen aan nieuwe
omstandigheden (bv. antiviraal middel)
• De windpokken kunnen op latere leeftijd terugkeren
o Virus gaat in “slaapstand” en komt later terug wakker
1
,1.2 WAT IS EEN VIRUS?
• Alle virussen hebben een gastheer nodig
• Alle virussen hebben een eiwitmantel
o In de eiwitmantel zit DNA of RNA
§ Meeste levende wezens hebben DNA
§ Virussen kunnen ook bestaan uit RNA
o Functies:
§ Beschermen genoom
§ Zorgen dat het genoom binnenin de cel geraakt
® Gaat binden met receptoren op de cellen
• Symmetrie
• Virussen met enkel een eiwitmantel = kristalstructuur-virussen
• Het griepvirus heeft een celmembraan
o In de vetzuurlaag ligt het genoom
o Hierrond zit het capsiteiwit
o Kunnen heel sterk veranderen => vaccins werken niet goed, steeds
nieuwe varianten
1.2.1 GESCHIEDENIS
• Dmitri Ivanovsky (1892)
o Filterde sap van een met tabaksmozaïek besmet blad
o Bacteriën bleven achter in de filter
o Het gefilterde sap bleef infectieus
o Conclusie: er moest een kleiner agens dan bacteriën aanwezig zijn (later
virus genoemd)
1.2.2 ZIJN VIRUSSEN LEVENDE WEZENS?
• Virussen kunnen zich reproduceren -> ✔
• Virussen ademen en voeden zich niet -> ❌
o Ze scheiden niks uit
• Virussen zijn zich niet bewust van de omgeving -> ❌
o Behalve wat nodig is voor hun overleving
• Virussen groeien niet -> ❌
• Virussen bewegen enkel passief -> ❌
2
, • Virussen hebben geen metabolisme -> ❌
• Hebben een genoom dat zich kan adapteren -> ✔
=> GEEN klassiek levende wezens
Virussen worden pas levend wanneer het in de juiste omgeving (cel) terecht komt
(*)
Definitie: Virussen zijn subcellulaire, niet-levende, infectieuze entiteiten waarvan het
genoom bestaat uit nucleïnezuur, en die zich verplicht vermenigvuldigen binnen
gastheercellen door gebruik te maken van de metabole machinerie en ribosomen van
de gastheer. Hierbij vormen ze een verzameling componenten die zich samenstellen tot
deeltjes die virionen worden genoemd, welke dienen om het genoom te beschermen en
over te dragen naar andere cellen.
• Genoom moet in een andere cel terecht komen
• Cel krijgt instructies om het genoom te vermeerderen
1.3 STRUCTUUR VAN VIRUSSEN
• Virion = fysicochemisch virusdeeltje buiten de cel (inactieve vorm)
o Basisstructuur
§ Nucleïnezuur omgeven door capsideiwitten
® Capsideiwitten vormen een symmetrisch kristalstructuur
® Capsomeren = een aantal capsideiwitten samen die een
symmetrie vormen
® Worden spontane partikels gevormd
® Partikels blijven lang infectieus
3