Hoofdstuk 1 Wat is economie?
Economie: maatschappelijke situering
VASTSTELLINGEN
Veel behoeften maar beperkte middelen dus er moeten keuzes gemaakt worden.
Door specialisatie kunnen er meer goederen en diensten worden gemaakt om behoeften te
bevredigen. MAAR wel nodig dat we gaan ruilen.
Hoe wordt bepaald wat wordt gemaakt en hoe dit wordt gemaakt? allocatie
TWEE EXTREME SYSTEMEN
overheid VRIJE MARKT
Centrale planning Filosoof: Adam Smith (“onzichtbare hand”)
Filosoof: Karl Marx eerder
eerder Weinig overheid
Meer overheid Vrijheid
Gelijkheid …
… liberalisme
communisme Bv. VS (republiek & democratisch) …
Bv . vroeg Sovjet Unie, Cuba, Noord Korea …
Hoe kan je zien hoe economisch een land is?
kijken hoeveel goederen en diensten er zijn
In de praktijk deze extreme niet haalbaar dus gemengde economie (in diverse vormen).
Voorbeelden van vier situaties waar ‘vrije markt’ niet werkt:
- Te veel macht bij bedrijven vb. monopolie
, - Publieke/collectieve goederen vb. rechtbanken, straatverlichting (iedereen kan dit gebruiken
waardoor er niet echt een markt is van deze goederen of diensten)
- Externe effecten vb. luchtverontreiniging, R&D effecten worden niet door de markt
geprijsd en er zal dus zonder overheidstussenkomst vanuit maatschappelijk oogpunt ‘te veel’
productie zijn van goederen die veel schadelijke externe effecten veroorzaken
- Ongelijke en oneerlijke verdeling van het inkomen
Concreet wordt mate van ‘gemengde economie’ bepaald door politiek.
Situeer de belangrijkste Belgische politieke partijen op een links – rechts as.
Micro en macro economie
Micro economie = studie van het gedrag van individuele consumenten, bedrijven, organisaties,
verenigingen… doel: vraag naar goederen en diensten van consumenten en hun aanbod van
arbeid af te leiden
Macro economie = volledige tewerkstelling, prijsstabiliteit, extern evenwicht en evenwichtige groei
Hoofdstuk 2 Het marktmechanisme
Hoeveelheid x prijs = omzet
Het is niet zo dat EERST de prijs wijzigt en op die manier de wereld verandert
,Maar EERST verandert de wereld waardoor
• Ofwel individuele vragers meer (minder) willen betalen voor het product. Met als gevolg dat
de totale hoeveelheid die bij een prijs wordt gevraagd stijgt (daalt)
• Ofwel individuele aanbieders meer (minder) eisen om het product te willen leveren. Met als
gevolg dat de totale hoeveelheid die bij een prijs wordt aangeboden daalt (stijgt)
En ten slotte zal via het prijsmechanisme een nieuw evenwicht ontstaan met een nieuwe prijs en een
nieuwe totaal verhandelde hoeveelheid
Vraag = de totale hoeveelheid die alle consumenten samen bereid zijn te kopen, rekening houdend
met prijs, inkomen…
Vb. je gaat gaan vragen op straat hoeveel geld ze willen uitgeven aan een crème brulée, hier
maak je een tabel van:
o Dit wil zeggen dat bijvoorbeeld 88 mensen een crème brulée zouden kopen als die 4
euro zou kosten of dat 64 mensen het zouden kopen als die 12 euro kost
hoe lager de prijs hoe meer vraag er naar is en hoe meer mensen dit zouden
kopen
o De vraagcurve gaat van boven naar beneden
Aanbod= de totale hoeveelheid die alle producenten samen bereid zijn om te produceren, rekening
houdend met de prijs op de markt, de technologie …
Bv. Je gaat gaan vragen aan een restaurant ‘hoeveel wil je voor een crème brulée te leveren
voor dessert?’ je noteert alles op in een tabel:
, o Dit wil dus bijvoorbeeld zeggen dat er bij een prijs van 4 euro een aanbod zal zijn van
46 stuks
o Enkel degene die bijvoorbeeld zeer efficiënt het product kunnen maken vragen een
lage prijs. Maar bijvoorbeeld degene die het nu al zeer druk hebben of die extra
opleiding moeten volgen om het product te maken zullen een hoge prijs vragen.
o Hoe hoger de prijs, hoe meer aanbod er is de aanbodscurve gaat van beneden
naar boven:
als je de vraagcurve en de aanbodscurve samen doet, dan bekom je de prijs die je moet geven aan je
product door het snijpunt te nemen van de 2 lijnen
hier is de prijs dus 10 euro
prijselasticiteit
omzet = P x Q
- elastisch: de prijs stijgt niet snel als de aanbodscurve verandert
o >1
o Als prijs daalt, dan stijgen de uitgaven
o Als prijs stijgt, dan dalen de uitgaven
- Neutraal: de prijs stijgt neutraal als de aanbodscurve verandert
o =1
o Als prijs daalt, dan blijven de uitgaven constant
o Als prijs stijgt, dan blijven de uitgaven constant
- Inelastich: de prijs stijgt snel als de aanbodscurve verandert
o <1
o Als prijs daalt, dan dalen de uitgaven
o Als prijs stijgt, dan stijgen de uitgaven
prijselasticiteit van de vraag
= geeft weer hoeveel procent de gevraagde hoeveelheid wijzigt wanneer de prijs toeneemt met 1%