Hoofdstuk 1: Van biologische naar biosociale criminologie
1. INLEIDING: Wat is biosociale criminologie?
A. De kern Biosociale criminologie zoekt naar de oorzaken van misdaad door te kijken naar
de interactie (wisselwerking) tussen biologie (je lichaam/hersenen) en de sociale omgeving.
Het doel is om wetenschappelijke wetmatigheden te vinden die verklaren waarom iemand
delicten pleegt.
B. Twee manieren van denken over de mens
• Classicisme (Verlichting): Denkers zoals Jeremy Bentham en Cesare Beccaria (onder
invloed van filosofen als Kant, Locke en Hume) zagen de mens als een rationele actor
met een vrije wil. Iemand kiest voor misdaad na een rekensom: levert het me meer
voordeel op dan het straf kost? (nutsmaximalisatie).
• Positivisme: Vanaf de 19e eeuw verschoof de aandacht van de daad naar de persoon
van de dader. Men gelooft dat gedrag wordt bepaald door factoren waar je zelf
weinig controle over hebt.
o Biologisch positivisme: De oorzaak ligt in het lichaam, de constitutie of
erfelijkheid.
o Psychologisch positivisme: De oorzaak ligt in de psyche of persoonlijkheid.
o Sociaal positivisme: De focus ligt op de sociale leefomgeving.
C. De "mislukte start" en vroege fouten Vroeger was deze wetenschap te extreem door het
biologisch determinisme: het idee dat je gedrag volledig vastligt door je genen.
• Men maakte foutieve interpretaties van de evolutietheorie van Charles Darwin,
vooral over 'survival of the fittest'.
• Daders werden gezien als "oermensen" (atavisme) of mensen die biologisch
achteruit waren gegaan (degeneratie).
• Dit leidde tot de eugenetica: het willen "verbeteren" van de bevolking door
"minderwaardige" groepen uit te sluiten of te steriliseren. (Later ontstond het
transhumanisme, een term van Julian Huxley, die streefde naar het verbeteren van
de menselijke natuur via wetenschap).
D. Voorlopers (Pseudowetenschappen)
• Fysionomie (of fysionomie): Aan iemands gezicht of lichaam proberen te zien of hij
crimineel is. Belangrijke namen: Jean Baptiste della Porte en Johan Kasper Lavater.
1
, • Frenologie: Het meten van bobbels op de schedel (cranioscopie) om iemands
karakter te bepalen. Belangrijke namen: Franz J. Gall en J. Spurzheim.
Kortom: Waar het Classicisme uitgaat van een vrije keuze, zoekt het Positivisme naar
biologische of sociale oorzaken in de dader zelf. De vroege voorlopers zoals Gall en Della
Porte legden de basis voor het bestuderen van het lichaam, ook al zijn hun methodes nu
achterhaald.
2. DE VROEGE CRIMINELE ANTROPOLOGIE VAN LOMBROSO
Cesare Lombroso wordt gezien als de vader van de moderne criminologie omdat hij begon
met het wetenschappelijk bestuderen van daders.
• Atavisme: Lombroso zag de "geboren crimineel" als een soort "oermens" die niet
was aangepast aan de moderne tijd. Hij dacht dat criminelen lichamelijke kenmerken
(stigmata) hadden die op dit atavisme wezen, zoals grote kaken of diepliggende
ogen.
• Kritiek: Zijn ideeën werden al in 1913 ontkracht door de Brit Charles Goring, die
aantoonde dat gevangenen er niet anders uitzagen dan normale burgers.
3. DE CRIMINOLOGIE VAN ENRICO FERRI
Enrico Ferri was een leerling van Lombroso, maar hij was minder extreem en keek breder
naar waarom iemand een dader wordt.
• Geen vrije wil: Net als zijn leraar geloofde Ferri niet dat mensen uit zichzelf voor
misdaad kiezen. Hij dacht dat misdaad wordt bepaald door factoren waar de dader
geen controle over heeft. Dit noemde hij de "denial of the free will" (het ontkennen
van de vrije wil).
• Interactie: Ferri was modern omdat hij keek naar de interactie: de wisselwerking
tussen verschillende factoren. Volgens hem is antisociaal gedrag een mix van je
lichaam (biologie), je geest (psychologie) en je omgeving (sociaal).
• De vijf types daders: Hij stelde een lijst op van vijf soorten criminelen om ze beter te
begrijpen:
1. De geboren crimineel: De dader die als een soort "oermens" (atavist) is
geboren.
2. De geesteszieke: Mensen die echt mentaal ziek of gestoord zijn.
3. De passionele dader: Mensen die de fout in gaan door hele sterke emoties of
psychische problemen.
2
, 4. De gelegenheidscrimineel: Iemand die door sociale problemen of zijn familie
de fout in gaat, en niet door een afwijking in zijn lichaam.
5. De gewoontedader: Iemand die door zijn omgeving de gewoonte heeft
ontwikkeld om steeds opnieuw misdaden te plegen.
Kortom: Ferri vond dat je niet zelf kiest voor misdaad (geen vrije wil), maar dat het een
optelsom is van je aanleg en je omgeving (interactie).
4. DE CRIMINOLOGIE VAN RAFFAELE GAROFALO
Jurist Raffaele Garofalo hoorde, net als Lombroso en Ferri, bij de Italiaans-antropologische
school. Hij wilde weten waarom daders moreel anders zijn dan andere mensen.
• Natuurlijke misdrijven (Natural crimes): Sommige misdaden, zoals moord of diefstal,
zijn volgens hem overal ter wereld "slecht". Dat komt omdat ze rechtstreeks ingaan
tegen de menselijke natuur.
• De twee basisgevoelens: Hij zei dat ieder mens van nature twee belangrijke
"buikgevoelens" of instincten heeft:
1. Pity (Medelijden): Dat je het van nature vreselijk vindt om anderen expres
pijn te doen.
2. Probity (Eerlijkheid): Dat je van nature respect hebt voor de spullen van een
ander.
• Sociaal-darwinisme: Garofalo volgde de ideeën van H. Spencer (sociaal-
darwinisme). Hij geloofde dat een groep mensen alleen kan overleven als iedereen
deze twee gevoelens heeft. Omdat criminelen dit medelijden of deze eerlijkheid
missen, zijn zij een gevaar voor het voortbestaan van de hele menselijke soort.
Kortom: Garofalo vond dat misdaad tegen onze natuur ingaat omdat het onze instincten van
medelijden en eerlijkheid kwetst. Daders zijn in zijn ogen mensen bij wie deze gevoelens
niet goed zijn ontwikkeld.
5. DE CRIMINEEL-ANTROPOLOGISCHE SCHOLENSTRIJD
Aan het eind van de 19e eeuw was er een felle discussie over de vraag: word je als crimineel
geboren of word je zo door je omgeving?.
• 1. Italiaanse School (Lombroso): Zij geloofden in biologisch determinisme. Volgens
hen zit de oorzaak van misdaad in het lichaam; je bent een "geboren crimineel"
(atavisme) en kunt daar zelf niets aan veranderen.
3
, • 2. Franse milieu-school (Lacassagne): Zij geloofden in sociologisch determinisme. Je
omgeving (het milieu) maakt je slecht, vooral door armoede en slechte sociale
omstandigheden. Ze dachten dat mensen lichamelijk achteruitgingen (degeneratie)
door een ongezonde buurt en ziektes.
o Lamarckisme (doorgeven van slechte gewoonten)De Franse school gebruikte
een bijzonder idee om uit te leggen hoe misdaad in families bleef, genaamd
het Lamarckisme: Het is het idee dat je eigenschappen die je tijdens je leven
krijgt (zoals alcoholisme), direct kunt doorgeven aan je kinderen.
6. DE AMERIKAANSE NAKOMELINGEN
In de eerste helft van de 20e eeuw dachten onderzoekers dat je aan de buitenkant van
iemands lichaam kon zien of hij crimineel was. Men keek niet meer naar kleine details in het
gezicht, maar naar de volledige constitutie (de bouw van het hele lichaam). Dit noemen we
de bio-somatische benadering.
A. De types van Ernst Kretschmer
Deze Duitse dokter geloofde dat je lichaamsbouw/typologie bepaalt hoe je karakter is. Hij
verdeelde mensen in drie groepen:
1. Leptosoom: Mensen die dun, mager en zwak zijn. Zij zijn volgens hem vaak verlegen
of rustig.
2. Atletische mens (Atleet): Mensen die gespierd en sterk zijn. Hij dacht dat dit type
sneller agressief gedrag vertoont.
3. Pycnische mens: Mensen die wat dikker en ronder zijn. Zij werden gezien als
gezellige en vriendelijke mensen.
B. De lichaamstypes van William Sheldon
Sheldon bedacht een eigen systeem met drie somatotypes (lichaamstypes):
1. Endomorf: Mensen met ronde, dikke vormen en een zachte huid. Zij houden volgens
hem van luxe, lekker eten en gezelligheid.
2. Mesomorf: De gespierde en atletische mens. Sheldon zei dat dit type vaak
avontuurlijk en agressief is. Hij stelde dat de meeste daders mesomorf zijn.
3. Ectomorf: Dunne en breekbare mensen. Zij zijn volgens hem overgevoelig en
verlegen.
4