Inhoud:
1) Technische inzichten (11 blz.)
2) Weersverschijnselen (6 blz.)
A.Technische inzichten
Inhoud:
1) Wat is techniek? 4) Bewegings- en overbrengingsprincipes
2) Constructies 5) Informatie- en communicatietechnologie
3) Energieomzettingen
1. Wat is techniek?
o 4 technische gebieden:
1) Constructies 3) Communicatie
2) Transport 4) Productie
o Constructies = maken van structuren
o Structuur = unieke combinatie van vorm, materiaal & verbinding in relatie tot bepaalde functie
o 2 belangrijke parameters: stevigheid & stabiliteit
⇒ moet interne (vb gewicht) & externe (vb een storm) krachten kunnen weerstaan
o 2 soorten constructies:
1) Vaste constructies: weinig beweging ⇒ meeste onderdelen zijn met elkaar verbonden
2) Beweegbare constructies: onderdelen die beweegbaar zijn
o Onderzoeken van stevigheidsprincipes: best met vaste constructies
o 3x transport: 1) Voertuigen 2) Stoffen 3) Energie
= vervoermiddel wordt gebruikt om over transportweg te gaan
o 2 onderdelen: 1) vervoermiddel zelf 2) Infrastructuur
-> beweegbare constructies
o Productie = materialen worden omgezet in bruikbare producten: iets maken
o Geautomatiseerde productielijnen: producten in serie maken, dan verkopen
o 2 onderdelen: a) bewerken + verrijken ruwe materialen
b) materialen opnieuw gebruiken & verwerken
o Communicatie = vervoeren van informatie: zender -> boodschap -> ontvanger
⇒ ook fietsbel is communicatie!
, o Sensoren: vb sensor neemt persoon waar ⇒ elektrisch signaal naar bewegingssysteem van autom.
deuren
o 4 technische inzichten:
1) Functie van product bepaalt keuze & toepassing van materialen, verbindingen & vormen
2) Technisch product = energieomzetting: energiebron w. omgezet in gewenste energievorm (licht,
warmte,...)
3) Bewegende onderdelen: nood aan bewegings- & overbrengingsprincipes
4) Geautomatiseerde systemen: gebruiken sensoren
2. Constructies
Inhoud:
1) Een stevig huis 3) Verbindingen
2) Materialen 4) Vormen
2.1.Een stevig huis
→ materialen, verbindingen & vormen
o 2 stevigheidsprincipes:
1) Driehoeksvorm biedt veel stevigheid
2) Bepaald profiel geeft stevigheid aan dun materiaal (vb opgerolde krant)
2.2.Materialen
= stof waarvan voorwerp is gemaakt (‘>< voorwerp’)
o 2 verschillende: 1) Natuurlijke materialen 2) Kunstmatige materialen
o Voor kunstmatige materialen: eerst grondstof bewerken
vb: plastic = aardolie bewerken
o ! Ook veel natuurlijke materialen eerst bewerken = ruwe materialen bewerken tot: halffabricaten
vb: boomstammen -> ° houten planken; dierenhuiden looien -> ° leer
EIGENSCHAPPEN VAN MATERIALEN IN RELATIE TOT FUNCTIE
VOORWERP MATERIAAL GRONDSTOF / RUW MATERIAAL EIGENSCHAPPEN oo FUNCTIE
vuilniszak plastic aardolie * waterdicht
*licht
*buigzaam
wijnglas glas zand + soda + kalk *waterdicht
*geen smaak afgeven
*doorzichtig
theedoek katoen vezels van katoenplant *wateropnemend
*soepel, maar stevig
*makkelijk te wassen
, o ! Soms wil je stevigheid, maar licht materiaal: tent moet gewoon goed bestand zijn tegen
trekkrachten
NIEUWE MATERIALEN MET BETERE EIGENSCHAPPEN
o Verschillende manieren:
1) Combineren van verschillende materialen
2) Mengen van materialen
o 2 vb combineren materialen:
1) Gewapend beton = beton + staaldraad (steviger)
2) Polyester = katoen + wol (minder strijken)
o vb mengen van materialen:
1) Legering = metaalmengsel
-> vb roestvrij staal = staal + chroom of nikkel
(staal = ijzer + koolstof)
2.3.Verbindingen
o 3 soorten verbindingen: 1) Materiaalverbinding 2) Vormverbinding 3) Voorwerpverbinding
o Materiaalverbinding: los materiaal verbindt onderdelen (lijm, solderen, metselen,...)
⇒ permanent
o Vormverbinding: vorm van onderdelen zorgt ervoor dat ze los-vast zijn en kunnen verbinden
⇒ beter voor recyclage dan materiaalverbinding
o Voorwerpverbinding: kan permanent / los-vast / beweeglijke verbinding zijn
⇒ vb spijkers, klittenband, ritssluiting
2.4.Vormen
o 5 soorten vormen: 1) Driehoek 2) Vierhoek 3) Bogen
4) Piramides 5) Profielen
o Driehoek: = meest vormvast & sterkst
● Verklaring: a) Duwen op hoek => ° drukkracht in schuine zijden (pijlen naar elkaar)
b) Trekkrachten in tegenovergelegen zijde (pijlen weg van elkaar)
⇒ a) en b) heffen elkaar op ⇒ vorm blijft hetzelfde
(als je zou trekken aan de hoeken, veranderen de pijlen, maar vorm blijft nog steeds gelijk)
o Vierhoek: wel beweeglijk
Vb: ophaalbrug, boekenkast, steigers,...
⇒ beweeglijkheid verminderen door diagonaal te plaatsen
o Boog: kan drukkrachten goed opvangen + vorm & kracht wordt gelijkmatig verdeeld