Pedagogisch en didactisch model
Onderwijsbehoefte van de lln. staan centraal.
Doelgericht werken en differentiëren = krachtige leeromgeving
= Versterken van verbondenheid, autonomie en competentie
We houden rekening met onze doelen maar ook onze leerlingen!
Doelgericht werken en differentiëren
Heel belangrijke vraag: “hoe kunnen we de doelen op een efficiënte en effectieve
manier bereiken bij alle leerlingen?
Efficiënt= recht op het doel af
Effectief= het doel bereikend
Alle leerlingen = aanpak afstemmen op beginsituatie en rekening houdend
met verschillen
Alle componenten in het leerproces moeten doelgericht uitgewerkt worden
Zwak uitgewerkt = gevolgen voor de mate waarin het doel bereikt wordt.
Differentiatie = het proactief, positief en planmatig omgaan met verschillen
tussen leerlingen waarbij verschillen kunnen vergroten, verkleinen of gelijk blijven
tegemoet komen aan psychologische basisbehoefte: autonomie, competentie en
verbondenheid
Deel 1: doelgericht werken
1
,Didactisch model
= je creëert een bepaald onderwijsleersituatie om leerresultaat te bekomen
We bepalen hierbij verschillende elementen on relatie tot de beginsituatie en de
doelstelling
Je breng het leerproces op gang
Via doelstelling verwachte leerresultaten
Keuze van de na te streven doelstelling afhankelijk van beginsituatie
Onderwijsleersituatie creëren om leerprocessen op gang te brengen
leerresultaat te realiseren
Selecteert de leerinhoud die je opneemt in je doelstellingen
Kiest geschikte leerstof om leerinhoud aan te brengen
Kiest passende didactische werkvorm en leermiddelen om de
doelstellingen op een efficiënte manier te bereiken. Rekening houdend met
didactische principes
Welke mate doelstelling bereikt doelgericht evalueren
Doelstelling: leren, geen vrijblijvende aangelegenheid!
Cursus didactisch handelen leerde we dat de lesdoelen kunnen onderverdelen in 3
groepen
- Cognitieve doelen
- Dynamisch-affectieve doelen
- Psychomotorische doelen
Ene doel makkelijker na te streven dan andere. We moeten ook werken met
complexere doelen! taxonomie helpt dit te doen.
Taxonomie van Bloom:
= Methode om zaken in te delen met als doel ideeën en materiaal universeel te
kunnen delen.
Je kunt observeren, analyseren en discussiëren
Bloom ontwikkelde zijn taxonomie: 1956
Oorspronkelijk voor het vak geschiedenis, maar snel bleek dat het model heel
goed bruikbaar was voor het bepalen van leerniveaus binnen cognitieve
ontwikkeling
Bloom heeft 3 taxonomieën ontworpen:
Cognitieve doelen
Psychomotorische doelen
Dynamisch-affectieve doelen
Binnen de opleiding gebruiken we alleen cognitieve doelen
Herhaling: elk doel omschrijft
- Een gedragsniveau (= wat doet de lln. met de inhoud)
- Een inhoudsniveau (bv. Doelgericht werken)
Algemeen:
- Doel: niet enkel eenvoudige doelen nastreven, ook complexere doelen
- Dus: taxonomie van Bloom
- Lesdoelen geordend volgens niveau
- Inzicht in de opbouw van de doelen
2
, - Eenzijdigheid in doelen opmerken
Inhoudsniveau in de taxonomie van Bloom
Cognitieve doelen onderscheidt Bloom 4 soorten inhoudelijke kennis:
Feitelijke kennis:
Basiselementen die je moet kennen voor problemen op te lossen of kennis te
maken met een bepaald discipline
bv. Doelen, eik is een boom, België is onafhankelijk geworden…
Conceptuele kennis:
De relatie tussen de basiselementen die de leerlingen moeten weten om de
samenhang en verbanden te zien binnen een grotere structuur
bv. Het didactisch model
Procedures of procedurele kennis:
Hoe je iets doet, manieren van onderzoeken
bv. Differentiëren, hoe maak je brood? …
Metacognitieve kennis:
Zelfkennis en zelfbewustzijn over de eigen kennis, kennis van strategieën om
met de kennis aan de slag te gaan
bv. Schema’s maken, reflectie over de les, aanpak bij leren…
In minimumdoelen termen ‘procedurele kennis’ en ‘declaratieve kennis’ gebruikt
Declaratieve kennis = linken aan feitelijke kennis en conceptuele kennis van
Bloom.
Gedragsniveau binnen taxonomie van Bloom (cognitieve doelen)
6 cognitieve processen of denkniveaus onderscheidt. Ze beschrijven wat een
leerlingen doet met de inhoud:
1. Herinneren
2. Begrijpen
3. Toepassen
4. Analyseren
5. Evalueren
6. Creëren
De eerste 3 worden gezien als de ‘lagere denkvaardigheid’
De laatste 3 worden gezien als de ‘hogere denkvaardigheid’
het is geen hiërarchie, we moeten ze niet in volgorde zien
Voorbeeld: we starten met kinderen proefjes te laten uitvoeren (toepassen), hen daarbij
hypothesen laten formuleren (begrijpen) en vervolgens te laten opzoeken of hun
veronderstelling klopt (herinneren)
3