Inleiding
Sociale deprivatie = niet kunnen deelnemen aan normale culturele of economische
activiteiten
Bv. een tiener wilt meedoen aan sportclubs ect, maar hij woont in een wijk dat weinig sportclubs heeft.
Zijn ouders hebben ook weinig geld om hem te sturen. Waardoor de tiener nauwelijks contact heeft
buiten school. → hij ervaart dus sociale deprivatie wegens beperking
Sociale isolatie = weinig contact met anderen
Bv. een volwassene die alleen woont, weinig familie of vrienden heeft en geen deelneemt aan sociale
activiteiten
Sociale paradox = op eerste zicht lijkt het tegenstrijdig en absurd, maar nadien lijkt het een
sociale logica te hebben.
Bv. om mensen meer vrijheid te geven, zijn soms strenge regels nodig om veiligheid te garanderen
1.1 Studieobject van de sociale psychologie: gebied omschrijving
en methode van onderzoek
Gebied omschrijving:
“Sociale psychologie is de wetenschappelijke studie van de manier waarop gedachten,
gevoelens en handelingen van mensen beïnvloed worden door de feitelijke, voorgestelde
of geïmpliceerde aanwezigheid van andere mensen”
~ Gordon Allport
Gedachte, gevoelens, handelingen:
Je hebt overt gedrag (externe gedrag) en covert gedrag (interne gedrag). Non-verbaal is ook
een gedrag zoals bv. je mimieken, stemgebruik, ect. Paraverbaal is dan hoe we iets bv
zeggen.
Het ABC model:
► Hoe we ons voelen | A
► Hoe we ons gedragen | B
► Hoe we over ons zelf denken | C
Dr. Albert Mehrabian’s 7 – 38 – 55% regel:
► 7 % verbaal = inhoud van wat iemand zegt
► 38 % stemgebruik = toon, intonatie, volume, tempo
► 55 % lichaamstaal = gezichtsuitdrukkingen, houding, …
Dit geldt niet voor alle communicaties, eerder situaties waar er spraken is van emotie of
attitude.
Ambigue situatie = dubbelzinnig, woorden, signalen of gedragingen die niet zo duidelijk zijn
Stel je zit op de tram en ziet een man heel luid praten tegen zichzelf. Hij maakt gebaren, lacht soms,
en lijkt boos te worden op een “onzichtbare persoon”. Sommige passagiers kijken snel weg, andere
beginnen te giechelen.
Interpretaties:
, → Hij is misschien aan het bellen met oortjes in die je niet ziet
→ Hij heeft mogelijk een psychiatrische stoornis en praat tegen zichzelf
→ Hij oefent een toneeltekst of een presentaties
Dispositionisme = interne factor, persoonlijkheid, karakter, waarden, motivatie. Er wordt
gefocust op “hoe die persoon is”. De neiging hebben om gedrag te koppelen aan karakter.
Situationisme = Externe factor, de situatie, sociale druk, omstandigheden, omgeving,… .
Interactionisme = tussenweg van S & D
Een student haalt een hoog cijfer.
► Een dispositionistische interpretatie: Ze is slim en leergierig
► Een situationele interpretatie: het examen was makkelijk
► Een interactionistische interpretatie: ze is slim en kan goed omgaan met een examen
Drie soorten invloeden / aanwezigheden:
I. Fysiek / feitelijke aanwezigheid
Bv. docent vroeg tijdens de eerste les om papiertjes te scheuren
II. Voorgestelde aanwezigheid
Bv. je test een nieuwe kledingstuk en denkt “wat zou mijn vriendin hiervan vinden”
III. Impliciet / onrechtstreekse aanwezigheid
Bv. reclame, pijlen op de grond van de ikea
We beïnvloeden en worden beïnvloed. Wel is dit niet altijd bewust of intentioneel
Methodes van onderzoek
Wetenschappelijke studie:
1) Waarom is het een wetenschappelijke studie
2) Hoe doen we aan wetenschap, welke methodes?
1) Waarom is het een wetenschappelijke studie?:
→ Betrouwbare, objectieve kennis opbouwen van menselijk gedrag, ze willen ok kunnen
verklaren, voorspellen en begrijpen hoe menen denken voelen en zich gedagen. Ten
slotte zonder wetenschappelijke methode zouden we enkel op mening, intuïtie of
vooroordelen vertrouwen
2) Hoe doen we aan wetenschap, welke methodes?
→ er worden systematische methodes gebruikt om gedrag te onderzoeken zodat gedrag
controleerbaar wordt.
→ Methodes:
o Begrijpende (beschrijvend)
▪ Observatie
▪ Zelfbeschrijving
o Correlatie
o Experimenteel
Examenvraag: Welke methode is het best? Er is geen antwoord hiervoor maar wel een ideale
antwoord. De ene is niet beste dan de andere, hangt af wat je wilt meten en wat de onderzoeksvraag
is.
,Beschrijvende methode:
Ecologische validiteit = de mate waarin de resultaten van een onderzoek of experiment
toepasbaar zijn op het echte leven
Bv. onderzoek naar hoe studenten zich notities maken tijdens een echte les en of hun
examenresultaat beïnvloedt wordt → heeft hogere ecologische validiteit, want dit lijkt meer op de
realiteit
Nadeel:
► Hoe lang voordat je iets observeert?
► Geen conclusies mogelijk over oorzaak van gedrag
Overt proces = informatie vragen aan mensen wanneer je iets wilt weten
Beperking hiervan is dat sommige mensen vragen gaan beantwoorden hoe ze denken dat jij
ze wilt weten
Yellow walkman, 1999 onderzoek:
Mensen werden eerst ondervraagt wat ze van die gele walkman vonden. Iedereen
antwoordde kei positief. Later wordt er als bedankje een bak met de gele (nieuwe) en zwarte
(oude) walkman aangeboden. Iedereen kiest voor het zwarte walkman, terwijl ze 5 min
geleden zeer positief spraken over de gele walkman. De vraag hier is, weten mensen wel
waarover ze spreken?
Correlatie methode:
= samenhang tussen 2 variaties. (bv. ijsjes verkoop en het weer)
Soorten:
Experimentele methode:
Causale samenhang = je kunt besluiten dat de ene zaak de oorzaak is
Onafhankelijke variabele = de oorzaak / factor wordt gemanipuleerd door onderzoeker
Afhankelijke variabele = de uitkomst / gedrag van de meting
Bv. bij onderzoek naar stress en slaapkwaliteit
► OV = stressniveau (Laag vs. Hoog)
► AV = aantal uren slaap of slaapkwaliteit
Tijdens het examen ga je een experiment krijgen en je moet de AV & OV kunnen verklaren
, Voorbeeld met een plant (tijdens de les uitgelegd)
Je krijgt een plantje waar je het effect meet door één plantje minerale geven en de andere niet.
► OV = plantje met minerale vs. zonder minerale
► AV = de groei van de plantje
Als je oorzaak verandert (OV), moet dan een verandering in het gevolg (AV) geven.
Bv. meer stress (OV) → slechter slapen (AV)
2 Condities:
1) Controle conditie = geen manipulatie (bv. cafeïne)
2) Experimentele conditie = wel manipulatie
Significante effect = je onderzoekt of het verschil dat je vindt niet toevallig is
Belangrijk! Alle andere factoren die ook invloed zouden kunnen hebben moet je onder controle
hebben.
Stel dat je effect van cafeïne op concentratie wil testen. Je zorgt ervoor dat de deelnemers
evenveel geslapen hebben, niet tegelijk alcohol hebben gedronken, ect. Anders weet je niet
zeker of het effect komt door cafeïne of door een externe factor.
Storende variabele = factor dat invloed kan hebben op de AV, maar die je niet wilt meten
Bv. Pepsi vs. Coca Cola experiment. Je doet een smaaktest. Je giet de 2 drankjes in een transparante
glas.
► OV = merk van cola → Pepsi vs. Coca Cola
► AV = Welke Cola ze kiezen
De storende variabele kan in dit geval
► Temperatuur van drankje
► Verpakking (een glas die klein en breed is vs. Glas die lang een smal is)
► Volgorde van proeven
2. Groepsnormen
2.1 Impliciete sociale invloed
2.1.1 Meerderheidsinvloed
Conformeren = de neiging hebben om jouw opinie, attitude of gedragingen aan te passrn
aan wat we binnen in een groep ervaren
Bv. Ik vindt Engelstalige liedjes leuk, maar mijn vrienden Turkse liedjes, ik pas mij aan en begin Turkse
liedjes te luisteren.
Het impliciet hierin is, niemand vroeg het. Toch heb je de indruk dat als je dat niet doet “ er
niet bij hoort”.
Sociale normen zijn ongeschreven regeltjes.
Bv. bellen in het openbaar, te dichtbij staan tijdens dat iemand aan het pinnen is, etc.
Sociale deprivatie = niet kunnen deelnemen aan normale culturele of economische
activiteiten
Bv. een tiener wilt meedoen aan sportclubs ect, maar hij woont in een wijk dat weinig sportclubs heeft.
Zijn ouders hebben ook weinig geld om hem te sturen. Waardoor de tiener nauwelijks contact heeft
buiten school. → hij ervaart dus sociale deprivatie wegens beperking
Sociale isolatie = weinig contact met anderen
Bv. een volwassene die alleen woont, weinig familie of vrienden heeft en geen deelneemt aan sociale
activiteiten
Sociale paradox = op eerste zicht lijkt het tegenstrijdig en absurd, maar nadien lijkt het een
sociale logica te hebben.
Bv. om mensen meer vrijheid te geven, zijn soms strenge regels nodig om veiligheid te garanderen
1.1 Studieobject van de sociale psychologie: gebied omschrijving
en methode van onderzoek
Gebied omschrijving:
“Sociale psychologie is de wetenschappelijke studie van de manier waarop gedachten,
gevoelens en handelingen van mensen beïnvloed worden door de feitelijke, voorgestelde
of geïmpliceerde aanwezigheid van andere mensen”
~ Gordon Allport
Gedachte, gevoelens, handelingen:
Je hebt overt gedrag (externe gedrag) en covert gedrag (interne gedrag). Non-verbaal is ook
een gedrag zoals bv. je mimieken, stemgebruik, ect. Paraverbaal is dan hoe we iets bv
zeggen.
Het ABC model:
► Hoe we ons voelen | A
► Hoe we ons gedragen | B
► Hoe we over ons zelf denken | C
Dr. Albert Mehrabian’s 7 – 38 – 55% regel:
► 7 % verbaal = inhoud van wat iemand zegt
► 38 % stemgebruik = toon, intonatie, volume, tempo
► 55 % lichaamstaal = gezichtsuitdrukkingen, houding, …
Dit geldt niet voor alle communicaties, eerder situaties waar er spraken is van emotie of
attitude.
Ambigue situatie = dubbelzinnig, woorden, signalen of gedragingen die niet zo duidelijk zijn
Stel je zit op de tram en ziet een man heel luid praten tegen zichzelf. Hij maakt gebaren, lacht soms,
en lijkt boos te worden op een “onzichtbare persoon”. Sommige passagiers kijken snel weg, andere
beginnen te giechelen.
Interpretaties:
, → Hij is misschien aan het bellen met oortjes in die je niet ziet
→ Hij heeft mogelijk een psychiatrische stoornis en praat tegen zichzelf
→ Hij oefent een toneeltekst of een presentaties
Dispositionisme = interne factor, persoonlijkheid, karakter, waarden, motivatie. Er wordt
gefocust op “hoe die persoon is”. De neiging hebben om gedrag te koppelen aan karakter.
Situationisme = Externe factor, de situatie, sociale druk, omstandigheden, omgeving,… .
Interactionisme = tussenweg van S & D
Een student haalt een hoog cijfer.
► Een dispositionistische interpretatie: Ze is slim en leergierig
► Een situationele interpretatie: het examen was makkelijk
► Een interactionistische interpretatie: ze is slim en kan goed omgaan met een examen
Drie soorten invloeden / aanwezigheden:
I. Fysiek / feitelijke aanwezigheid
Bv. docent vroeg tijdens de eerste les om papiertjes te scheuren
II. Voorgestelde aanwezigheid
Bv. je test een nieuwe kledingstuk en denkt “wat zou mijn vriendin hiervan vinden”
III. Impliciet / onrechtstreekse aanwezigheid
Bv. reclame, pijlen op de grond van de ikea
We beïnvloeden en worden beïnvloed. Wel is dit niet altijd bewust of intentioneel
Methodes van onderzoek
Wetenschappelijke studie:
1) Waarom is het een wetenschappelijke studie
2) Hoe doen we aan wetenschap, welke methodes?
1) Waarom is het een wetenschappelijke studie?:
→ Betrouwbare, objectieve kennis opbouwen van menselijk gedrag, ze willen ok kunnen
verklaren, voorspellen en begrijpen hoe menen denken voelen en zich gedagen. Ten
slotte zonder wetenschappelijke methode zouden we enkel op mening, intuïtie of
vooroordelen vertrouwen
2) Hoe doen we aan wetenschap, welke methodes?
→ er worden systematische methodes gebruikt om gedrag te onderzoeken zodat gedrag
controleerbaar wordt.
→ Methodes:
o Begrijpende (beschrijvend)
▪ Observatie
▪ Zelfbeschrijving
o Correlatie
o Experimenteel
Examenvraag: Welke methode is het best? Er is geen antwoord hiervoor maar wel een ideale
antwoord. De ene is niet beste dan de andere, hangt af wat je wilt meten en wat de onderzoeksvraag
is.
,Beschrijvende methode:
Ecologische validiteit = de mate waarin de resultaten van een onderzoek of experiment
toepasbaar zijn op het echte leven
Bv. onderzoek naar hoe studenten zich notities maken tijdens een echte les en of hun
examenresultaat beïnvloedt wordt → heeft hogere ecologische validiteit, want dit lijkt meer op de
realiteit
Nadeel:
► Hoe lang voordat je iets observeert?
► Geen conclusies mogelijk over oorzaak van gedrag
Overt proces = informatie vragen aan mensen wanneer je iets wilt weten
Beperking hiervan is dat sommige mensen vragen gaan beantwoorden hoe ze denken dat jij
ze wilt weten
Yellow walkman, 1999 onderzoek:
Mensen werden eerst ondervraagt wat ze van die gele walkman vonden. Iedereen
antwoordde kei positief. Later wordt er als bedankje een bak met de gele (nieuwe) en zwarte
(oude) walkman aangeboden. Iedereen kiest voor het zwarte walkman, terwijl ze 5 min
geleden zeer positief spraken over de gele walkman. De vraag hier is, weten mensen wel
waarover ze spreken?
Correlatie methode:
= samenhang tussen 2 variaties. (bv. ijsjes verkoop en het weer)
Soorten:
Experimentele methode:
Causale samenhang = je kunt besluiten dat de ene zaak de oorzaak is
Onafhankelijke variabele = de oorzaak / factor wordt gemanipuleerd door onderzoeker
Afhankelijke variabele = de uitkomst / gedrag van de meting
Bv. bij onderzoek naar stress en slaapkwaliteit
► OV = stressniveau (Laag vs. Hoog)
► AV = aantal uren slaap of slaapkwaliteit
Tijdens het examen ga je een experiment krijgen en je moet de AV & OV kunnen verklaren
, Voorbeeld met een plant (tijdens de les uitgelegd)
Je krijgt een plantje waar je het effect meet door één plantje minerale geven en de andere niet.
► OV = plantje met minerale vs. zonder minerale
► AV = de groei van de plantje
Als je oorzaak verandert (OV), moet dan een verandering in het gevolg (AV) geven.
Bv. meer stress (OV) → slechter slapen (AV)
2 Condities:
1) Controle conditie = geen manipulatie (bv. cafeïne)
2) Experimentele conditie = wel manipulatie
Significante effect = je onderzoekt of het verschil dat je vindt niet toevallig is
Belangrijk! Alle andere factoren die ook invloed zouden kunnen hebben moet je onder controle
hebben.
Stel dat je effect van cafeïne op concentratie wil testen. Je zorgt ervoor dat de deelnemers
evenveel geslapen hebben, niet tegelijk alcohol hebben gedronken, ect. Anders weet je niet
zeker of het effect komt door cafeïne of door een externe factor.
Storende variabele = factor dat invloed kan hebben op de AV, maar die je niet wilt meten
Bv. Pepsi vs. Coca Cola experiment. Je doet een smaaktest. Je giet de 2 drankjes in een transparante
glas.
► OV = merk van cola → Pepsi vs. Coca Cola
► AV = Welke Cola ze kiezen
De storende variabele kan in dit geval
► Temperatuur van drankje
► Verpakking (een glas die klein en breed is vs. Glas die lang een smal is)
► Volgorde van proeven
2. Groepsnormen
2.1 Impliciete sociale invloed
2.1.1 Meerderheidsinvloed
Conformeren = de neiging hebben om jouw opinie, attitude of gedragingen aan te passrn
aan wat we binnen in een groep ervaren
Bv. Ik vindt Engelstalige liedjes leuk, maar mijn vrienden Turkse liedjes, ik pas mij aan en begin Turkse
liedjes te luisteren.
Het impliciet hierin is, niemand vroeg het. Toch heb je de indruk dat als je dat niet doet “ er
niet bij hoort”.
Sociale normen zijn ongeschreven regeltjes.
Bv. bellen in het openbaar, te dichtbij staan tijdens dat iemand aan het pinnen is, etc.