HOOFDSTUK 3: STRUCTUUR VAN HET HEELAL
3 De Zon houdt nog andere hemellichamen in haar greep
Planetoïden = kleine, onregelmatige steenklompen die zich in een baan
rond de Zon
Bewegen
Meesten komen voor in de planetoïdengordel tussen Mars en
Jupiter.
Kuipergordel = een zone waar tienduizenden planetoïden die uit ijs bestaan
in een
uitgerekte baan rond de Zon draaien in het elipicavlak.
Bevind zich aan de rand van ons zonnestelsel.
Bekendste: Pluto
Wolk van Oort = een sfeer rond ons zonnestelsel, waarin miljoenen ijs- en
steenklompen zich bevinden.
Exoplanten = planeten in planetenstelsels buiten ons zonnestelsel
Kometen = ijs- en steenklompen die door de aantrekkingskracht van de Zon
en Jupiter
in een baan rond de Zon worden getrokken.
Hun baan kan 2 vormen aannemen: langerekte ellips en een
parabool.
! WIJ KUNNEN VAN OP DE AARDE KOMETEN WAARNEMEN. !
R: OMDAT ZE HET LICHT DAT ER OP SCHIJNT WEERKAATSEN .
- Coma
- Kern
- Staart -> In de buurt van de Zon
-> Gas en stof dat vrijkomt door
verdamping
van de kern van de komeet
-> Altijd van de Zon weggericht
Meteoren = vallende ster = lichtende strepen
Ontstaan: door verbranding van brokstukken doorheen de
atmosfeer.
Door wrijving met de lucht wordt het gloeiend heet en
verdampt.
1
, ! VERBAND METEOREN EN KOMETEN: METEOREN GEVEN STOF AF, ALS DIE
STOFDEELTJES IN DE DAMPKRINGEN TERECHT KOMEN , KUNNEN HET METEOREN
VORMEN . !
Meteorieten = een brokstuk die in een uitzonderlijk geval niet helemaal
verdampt,
waardoor hij op het aardoppervlak terecht komt.
Ze kunnen meteorietkraters veroorzaken.
4 De maan
Een maan = een hemellichaam dat rond een planeet draait.
De maan = de enige natuurlijke satelliet rond de Aarde.
HOOFDSTUK 5: DE AARDROTATIE
1. Schijnbeweging en werkelijkheid
Geocentrisme = de Aard is het centrum en daaromheen draaien de
planeten
in hun banen.
Hemelnoordpool = het punt aan de hemel waarond de sterrenhemel een
cirkelvormige beweging maakt.
-> De ster die er bijna mee samen valt = Poolster.
Begrippen:
Dagboog = de boog die de Zon boven de horizon beschrijft.
Middag = het tijdstip waarop de Zon culmineert (= hoogste punt
bereiken)
Zonshoogte = de hoek tussen de Zon en de horizon
Culminatiehoogte = de maximale zonshoogte tijdens de dag in het zuiden.
! CULMINATIEHOOGTE : - OP HET NOORDELIJK HALFROND : IN HET
ZUIDEN
- OP HET ZUIDELIJK HALFROND : IN HET
NOORDEN
De bewegingen van de hemellichamen zijn dus schijnbewegingen die
veroorzaakt worden door de aardrotatie.
Feiten:
Één aardrotatie duurt: 24 uur.
De draaizin: - op de Noordpool: tegenwijzerzin
- op de Zuidpool: wijzerzin
De omtreksnelheid op Aarde verandert volgens de breedteligging.
2
3 De Zon houdt nog andere hemellichamen in haar greep
Planetoïden = kleine, onregelmatige steenklompen die zich in een baan
rond de Zon
Bewegen
Meesten komen voor in de planetoïdengordel tussen Mars en
Jupiter.
Kuipergordel = een zone waar tienduizenden planetoïden die uit ijs bestaan
in een
uitgerekte baan rond de Zon draaien in het elipicavlak.
Bevind zich aan de rand van ons zonnestelsel.
Bekendste: Pluto
Wolk van Oort = een sfeer rond ons zonnestelsel, waarin miljoenen ijs- en
steenklompen zich bevinden.
Exoplanten = planeten in planetenstelsels buiten ons zonnestelsel
Kometen = ijs- en steenklompen die door de aantrekkingskracht van de Zon
en Jupiter
in een baan rond de Zon worden getrokken.
Hun baan kan 2 vormen aannemen: langerekte ellips en een
parabool.
! WIJ KUNNEN VAN OP DE AARDE KOMETEN WAARNEMEN. !
R: OMDAT ZE HET LICHT DAT ER OP SCHIJNT WEERKAATSEN .
- Coma
- Kern
- Staart -> In de buurt van de Zon
-> Gas en stof dat vrijkomt door
verdamping
van de kern van de komeet
-> Altijd van de Zon weggericht
Meteoren = vallende ster = lichtende strepen
Ontstaan: door verbranding van brokstukken doorheen de
atmosfeer.
Door wrijving met de lucht wordt het gloeiend heet en
verdampt.
1
, ! VERBAND METEOREN EN KOMETEN: METEOREN GEVEN STOF AF, ALS DIE
STOFDEELTJES IN DE DAMPKRINGEN TERECHT KOMEN , KUNNEN HET METEOREN
VORMEN . !
Meteorieten = een brokstuk die in een uitzonderlijk geval niet helemaal
verdampt,
waardoor hij op het aardoppervlak terecht komt.
Ze kunnen meteorietkraters veroorzaken.
4 De maan
Een maan = een hemellichaam dat rond een planeet draait.
De maan = de enige natuurlijke satelliet rond de Aarde.
HOOFDSTUK 5: DE AARDROTATIE
1. Schijnbeweging en werkelijkheid
Geocentrisme = de Aard is het centrum en daaromheen draaien de
planeten
in hun banen.
Hemelnoordpool = het punt aan de hemel waarond de sterrenhemel een
cirkelvormige beweging maakt.
-> De ster die er bijna mee samen valt = Poolster.
Begrippen:
Dagboog = de boog die de Zon boven de horizon beschrijft.
Middag = het tijdstip waarop de Zon culmineert (= hoogste punt
bereiken)
Zonshoogte = de hoek tussen de Zon en de horizon
Culminatiehoogte = de maximale zonshoogte tijdens de dag in het zuiden.
! CULMINATIEHOOGTE : - OP HET NOORDELIJK HALFROND : IN HET
ZUIDEN
- OP HET ZUIDELIJK HALFROND : IN HET
NOORDEN
De bewegingen van de hemellichamen zijn dus schijnbewegingen die
veroorzaakt worden door de aardrotatie.
Feiten:
Één aardrotatie duurt: 24 uur.
De draaizin: - op de Noordpool: tegenwijzerzin
- op de Zuidpool: wijzerzin
De omtreksnelheid op Aarde verandert volgens de breedteligging.
2