BIOPYSCHOSOCIALE BASIS VAN HET GEDRAG
DEEL 1
H1: BIOLOGISCHE BASIS VAN HET GEDRAG
1.2 EVOLUTIELEER
= Darwin wordt gezien als de grondlegger van de evolutieleer, maar meerdere personen hebben
bijdrage geleverd aan het ontwikkelen van de evolutietheorie.
1.2.2 DARWIN EN DE EVOLUTIETHEORIE
= Natuurlijke verklaring van de evolutie van het leven op aarde.
➢ Aarde
➢ Beschrijft veranderingen van populaties doorheen de tijd
➢ Iedere soort is ontstaan uit een voorouder
➢ 3 principes van evolutietheorie
o Variatie: nakomelingen zijn nooit een exacte kopie van de ouders
o Natuurlijke selectie: sommige eigenschappen zijn aangepast aan de omgeving en
anderen niet. (survival of the fittest)
o Erfelijkheid: eigenschappen worden doorgegeven aan de nakomelingen
1.2.3 EVOLUTIE STOPT NIET
= Evolutie is een zeer traag proces maar het stopt niet. Omdat het zo’n traag proces is, is het meestal
niet waarneembaar in een mensenleven.
1.2.4 EVOLUTIONAIRE VERKLARINGEN VOOR GEDRAG
= Evolutionaire verklaringen voor gedrag proberen uit te leggen waarom mensen zich gedragen zoals
ze doen door te wijzen op de voordelen van een bepaald gedrag in termen van overleving.
1.3 ERFELIJKHEIDSLEER
1.3.2 HET ERFELIJK MATERIAAL VAN DE MENS: DNA, CHROMOSOOM EN GENEN
= Lichaam is opgebouwd uit ongeveer 10.000 miljard lichaamscellen.
• Celkern
o 46 chromosomen (23 paren)
o Chromosomaal 1-22: lichaamsbepalende
o Paar 23: geslachtschromosomen
• DNA
o Bevat alle erfelijke eigenschappen, zichtbaar en onzichtbaar
▪ Haarkleur, oogkleur, bloedgroep
o Kleine DNA stukjes = genen
▪ Elke gen beschrijft de code van een kenmerk die meebepaald hoe je eruitziet
,Genoom: volledige set van erfelijk materiaal van een organisme – genoom bevat alle informatie die
nodig is voor opbouw van dat organisme en zijn groei en ontwikkeling.
Geslachtshormonen: Wanneer man en vrouw voortplanten geven beide ouders één
geslachtschromosoom door
- De geslachtschromosomen van de vrouw zijn XX, van de man is dat XY
- De vrouw geeft dus altijd een X-chromosoom door aan de nakomeling, het geslacht van de
- Nakomeling wordt dus altijd bepaald door de man
- Zaadcellen bevatten 23 chromosomen waarbij telkens slechts één chromosoom aanwezig
- Het hangt dus af welke zaadcel de eicel bevrucht, wat het geslacht van de nakomeling wordt
Genotype Vs. Fenotype
• Alle erfelijke informatie zoals ze in de chromosomen te vinden is, noemt men genotype
• Genotype = in de genen
- Natuurlijk haarkleur of huidskleur
• De uiterlijk waarneembare kenmerken van iemand, noemt man fenotype
- Fenotype = fysieke kenmerken
- Het haar kleuren, kleurlenzen, littekens, blanke huid die gebruind is door de zon
Variaties of fouten in genetisch materiaal
➢ Fout in genetische code = mutatie
o Plotsel wijzigingen in de samenstelling
o Meestal niet erg
1.3.3 HOE WORDEN EIGENSCHAPPEN DOORGEGEVEN
= Kinderen lijken op hun familie en daar zitten onze genen voor veel tussen. Een kind krijgt de helft van
zijn genen van moeder en de andere helft van vader. Zo worden eigenschappen doorgegeven van
generatie op generatie.
Nature Vs. Nurture: genen zijn je aanleg, Ze bepalen voor een groot stuk wie je bent, je karakter,
waarvoor je talent hebt, enzovoort. Maar je omgeving heeft minstens een even grote impact. Tijdens je
groei word je beïnvloed door indrukken, opvoeding, cultuur, je leefgewoonten...
Dominante genen: overheersend
Recessieve genen: onderdanig
, 1.3.4 ERFELIJKE AANDOENINGEN
= Sommige aandoeningen komen alleen voor bij jongens - andere bij zowel jongens als meisjes.
→ Sommige families komen bepaalde aandoeningen veel voor - andere families kan erfelijke
aandoening enkele generaties overslaan en weet men dus niet van die aandoening.
→ Ook genetische aandoeningen kunnen dominant of recessief zijn - al dan niet autosomaal.
Autosoom: chromosoom dat geen geslachtschromosoom is.
→ Maakt niet uit welk geslacht je hebt - beide jongens en mesjes hebben 50% kans om de aanleg
over te erven.
→ Kan zowel dominant als recessief zijn.
3 vormen van erfelijke aandoeningen
1. Autosomaal dominante aandoeningen
Kan geërfd worden van één ouder
50% kans als één van de ouder het heeft
2. Autosomaal recessieve aandoeningen
Kan zowel dominant als recessief zijn.
Gezonde gen is de baas
Pas als vader en moeder fout hebben op bepaalde gen
krijg jij ook de ziekte
vaak niet opgemerkt omdat het recessief is
Kans dat je ziekte krijgt = 25%
Kans dat je ziekte niet krijgt = 25%
Kans dat je drager bent = 50%
3. Geslachtsgebonden aandoeningen
Sommige families krijgen alleen jongens bepaalde
erfelijke aandoening.
Als de X een fout bevat hebben ze de ziekte omdat ze er
maar één hebben.
DEEL 1
H1: BIOLOGISCHE BASIS VAN HET GEDRAG
1.2 EVOLUTIELEER
= Darwin wordt gezien als de grondlegger van de evolutieleer, maar meerdere personen hebben
bijdrage geleverd aan het ontwikkelen van de evolutietheorie.
1.2.2 DARWIN EN DE EVOLUTIETHEORIE
= Natuurlijke verklaring van de evolutie van het leven op aarde.
➢ Aarde
➢ Beschrijft veranderingen van populaties doorheen de tijd
➢ Iedere soort is ontstaan uit een voorouder
➢ 3 principes van evolutietheorie
o Variatie: nakomelingen zijn nooit een exacte kopie van de ouders
o Natuurlijke selectie: sommige eigenschappen zijn aangepast aan de omgeving en
anderen niet. (survival of the fittest)
o Erfelijkheid: eigenschappen worden doorgegeven aan de nakomelingen
1.2.3 EVOLUTIE STOPT NIET
= Evolutie is een zeer traag proces maar het stopt niet. Omdat het zo’n traag proces is, is het meestal
niet waarneembaar in een mensenleven.
1.2.4 EVOLUTIONAIRE VERKLARINGEN VOOR GEDRAG
= Evolutionaire verklaringen voor gedrag proberen uit te leggen waarom mensen zich gedragen zoals
ze doen door te wijzen op de voordelen van een bepaald gedrag in termen van overleving.
1.3 ERFELIJKHEIDSLEER
1.3.2 HET ERFELIJK MATERIAAL VAN DE MENS: DNA, CHROMOSOOM EN GENEN
= Lichaam is opgebouwd uit ongeveer 10.000 miljard lichaamscellen.
• Celkern
o 46 chromosomen (23 paren)
o Chromosomaal 1-22: lichaamsbepalende
o Paar 23: geslachtschromosomen
• DNA
o Bevat alle erfelijke eigenschappen, zichtbaar en onzichtbaar
▪ Haarkleur, oogkleur, bloedgroep
o Kleine DNA stukjes = genen
▪ Elke gen beschrijft de code van een kenmerk die meebepaald hoe je eruitziet
,Genoom: volledige set van erfelijk materiaal van een organisme – genoom bevat alle informatie die
nodig is voor opbouw van dat organisme en zijn groei en ontwikkeling.
Geslachtshormonen: Wanneer man en vrouw voortplanten geven beide ouders één
geslachtschromosoom door
- De geslachtschromosomen van de vrouw zijn XX, van de man is dat XY
- De vrouw geeft dus altijd een X-chromosoom door aan de nakomeling, het geslacht van de
- Nakomeling wordt dus altijd bepaald door de man
- Zaadcellen bevatten 23 chromosomen waarbij telkens slechts één chromosoom aanwezig
- Het hangt dus af welke zaadcel de eicel bevrucht, wat het geslacht van de nakomeling wordt
Genotype Vs. Fenotype
• Alle erfelijke informatie zoals ze in de chromosomen te vinden is, noemt men genotype
• Genotype = in de genen
- Natuurlijk haarkleur of huidskleur
• De uiterlijk waarneembare kenmerken van iemand, noemt man fenotype
- Fenotype = fysieke kenmerken
- Het haar kleuren, kleurlenzen, littekens, blanke huid die gebruind is door de zon
Variaties of fouten in genetisch materiaal
➢ Fout in genetische code = mutatie
o Plotsel wijzigingen in de samenstelling
o Meestal niet erg
1.3.3 HOE WORDEN EIGENSCHAPPEN DOORGEGEVEN
= Kinderen lijken op hun familie en daar zitten onze genen voor veel tussen. Een kind krijgt de helft van
zijn genen van moeder en de andere helft van vader. Zo worden eigenschappen doorgegeven van
generatie op generatie.
Nature Vs. Nurture: genen zijn je aanleg, Ze bepalen voor een groot stuk wie je bent, je karakter,
waarvoor je talent hebt, enzovoort. Maar je omgeving heeft minstens een even grote impact. Tijdens je
groei word je beïnvloed door indrukken, opvoeding, cultuur, je leefgewoonten...
Dominante genen: overheersend
Recessieve genen: onderdanig
, 1.3.4 ERFELIJKE AANDOENINGEN
= Sommige aandoeningen komen alleen voor bij jongens - andere bij zowel jongens als meisjes.
→ Sommige families komen bepaalde aandoeningen veel voor - andere families kan erfelijke
aandoening enkele generaties overslaan en weet men dus niet van die aandoening.
→ Ook genetische aandoeningen kunnen dominant of recessief zijn - al dan niet autosomaal.
Autosoom: chromosoom dat geen geslachtschromosoom is.
→ Maakt niet uit welk geslacht je hebt - beide jongens en mesjes hebben 50% kans om de aanleg
over te erven.
→ Kan zowel dominant als recessief zijn.
3 vormen van erfelijke aandoeningen
1. Autosomaal dominante aandoeningen
Kan geërfd worden van één ouder
50% kans als één van de ouder het heeft
2. Autosomaal recessieve aandoeningen
Kan zowel dominant als recessief zijn.
Gezonde gen is de baas
Pas als vader en moeder fout hebben op bepaalde gen
krijg jij ook de ziekte
vaak niet opgemerkt omdat het recessief is
Kans dat je ziekte krijgt = 25%
Kans dat je ziekte niet krijgt = 25%
Kans dat je drager bent = 50%
3. Geslachtsgebonden aandoeningen
Sommige families krijgen alleen jongens bepaalde
erfelijke aandoening.
Als de X een fout bevat hebben ze de ziekte omdat ze er
maar één hebben.