De eerste indruk is quick and dirty (3 a 5 seconden gebaseerd op uiterlijke
kenmerken)
Bias: een voor in genomen denkfout
Negatieve bias:
We zijn meer geneigd om meer aandacht te geven aan het negatieve dan het
positieve, evolutionair gezien is het belangrijk voor onze overlevingskansen. Dit
is ook hard aanwezig door media, hierbij posten kranten niet wanneer een
vliegtuig veilig land maar wel wanneer het neerstort.
Aangeleerde hulpeloosheid:
Na het herhaaldelijk ervaren dat je inspanningen geen verschil maken, houden
de pogingen om de situatie te veranderen op, ook al is het wel mogelijk om de
situatie te veranderen.
Voorbeeld: Een olifant die als baby leert dat hij niet los kan komen van een
paal, blijft ook als volwassene vastzitten omdat hij denkt dat ontsnappen
onmogelijk is.
1
,Hoofdstuk 1: Kennismaking met de sociale psychologie.
We zijn een sociaal wezen al vanaf baby.
Dit betekent dat we andere nodig hebben om gezond te kunnen socialiseren en
te kunnen functioneren.
Een sociaal vangnet is cruciaal voor een goed welbevinden.
Voorbeeld: Op een brug waar veel mensen zm hebben gepleegd werden foto’s
en quotes gehangen in de hoop dat minder zm gepleegd wordt.
Sociale deprivatie:
Er word je iets weggenomen dat je nodig hebt, hierbij word je sociaal
geïsoleerd.
Voorbeeld: Experiment van de weeskinderen.
Ze werden sociaal gedepriveerd waardoor hun hersenen zich ontwikkelen met
achterstand.
Sociale paradox: Mensen hebben elkaar nodig, maar blijven toch van elkaar
weg.
Voorbeeld: niet naast iemand gaan zitten op trein.
We worden beïnvloed door anderen,
Voorbeeld: Op café wil je naar huis, maar je vrienden willen dat je langer blijft.
maar anderen ook door ons.
Dit gebeurt niet altijd bewust of intentioneel.
Voorbeeld: je gaat door het rood en anderen volgen je.
Sociale bubbels: Hoe dicht mensen in jouw buurt mogen komen.
Iemand oefent hierbij een bepaald gevoel door hoe dicht die persoon komt. (bv:
ongemakkelijk)
De amygdala schat de afstand, bij beschadiging kan dat dus mislopen.
2
,1.1 Studieobject van de sociale psychologie
1.1.1 Gebiedsomschrijving
Sociale psychologie is een wetenschappelijke studie van de manier waarop
andere mensen je gedrag, gedachtes en gevoelens beïnvloeden.
Voorbeeld: We doen onze trui uit omdat we denken dat iemand anders onze
trui lelijk vindt.
Gedrag (behavior), gedachtes (cognitief) en gevoelens (affectie) kunnen overt
en covert zijn.
-Overt: zichtbaar.
Voorbeeld: je begint te wenen, je doet je trui uit, stemmingswisseling.
-Covert: niet zichtbaar.
Voorbeeld: Je gedachtes en gevoelens.
Ook non-verbaal gedrag zoals lichaamstaal en paraverbaal zoals intonatie,
toon en snelheid heeft een invloed op ons of ook als dat er net niet is.
Verbaal kunnen mensen je controleren, maar non minder.
Soms is dat het gene dat meer belang heef dat het verbale (BV: rollen met
ogen)
Voorbeeld: Paarden zijn goed in het kijken naar de non. Wanneer hij werd
geblinddoekt kon die het niet meer.
Elements of personal communication Mehrabian:
Procent geven weer hoe hard wij letten op die dingen.
7% spoken words, 38% voice/tone, 55% body language.
We hechten meer belang aan het non dan aan het verbale, dit komt doordat
ons non minder controleerbaar is. Bv: blozen, stotteren.
Je mag deze grafiek alleen toepassen in onzekere situaties/ ambigue situaties,
omdat we dan het hardste naar die elementen kijken.
Voorbeeld: Wanneer je vraagt aan je lief ‘hou je nog van mij?’
3
,3 soorten psychologie
Persoonlijkheidspsychologie (dispotionisme):
Je gaat mensen hun gedrag koppelen aan karakter
Sociale psychologie (situationisme):
Gaan kijken naar andere factoren, zoals context.
Interactionisme: De samenhang tussen de 2.
3 soorten invloed/ aanwezigheid die gedrag, gedachtes en gevoelens
beïnvloeden.
1)Fysiek/ feitelijk:
Door dat anderen om je heen iets doen, het heeft een directe invloed op je.
Voorbeeld: je gaat ook je papiertje scheuren.
2)Voorgesteld:
Door de voorstelling van wat anderen zouden denken.
Voorbeeld: mening van lief over outfit.
3)Impliciet:
Zonder dat je het beseft.
Voorbeeld: reclame, zoals pijlen in de Ikea.
Wetenschappelijke studie van de sociale psychologie.
Moeilijk om te bewijzen omdat het niet in ‘proefbuisjes’ kan, daarom kritisch
onderzoek uitvoeren.
-Wetenschappelijke studie
: systematisch, objectief en gecontroleerd.
-Alledaagse kennis: Eenzijdige selectie, subjectief en onderhevig.
Betekent niet dat het ene waar of onwaar is.
4
,1.1.2 Methodes van onderzoek
De ene is niet beter dan het andere, aanpak is afhankelijk van wat je wilt
weten.
1) Begrijpende (beschrijvende) methode
1- observeren en feiten verzamelen
Voorbeeld: roodlicht (observeren)
Ons brein wilt controle, de is groter als je niet weet hoelang je moet wachten.
Ecologische validiteit: de geldigheid, je onderzoekt gedrag in de dagelijkse
realiteit.
Nadelen:
-Hoelang duurt het voordat je iets observeert
-soms geen conclusies mogelijk over oorzaak van gedrag
-Als de situatie niet veel gebeurt, dan is observeren niet de beste methode.
-zorg ervoor dat het niet opvalt dat je observeert,
anders gaan mensen sociaal wenselijk reageren.
2-zelfbeschrijving:
zelf hun gedrag laten beschrijven aan de hand van een interview of
vragenlijst.
Coverte en zeldzame overte processen:
Bij coverte kan je concrete vragen opstellen, om zo hun gedachtes en
gevoelens
te begrijpen. Beperkt mss sociaal wenselijke antwoorden.
Ook zeldzame overte gedragingen kunnen beschreven worden.
Voorbeeld: scheidingsfeestje.
Omdat ze zeldzaam zijn komen ze niet vaak voor, dus bv observeren haalt
niks uit.
Nadelen: Een vragenlijst of interview is ook niet altijd effectief.
Voorbeeld: The yellow walkman
Mensen kunnen niet altijd antwoorden op de vraag die je hen stelt.
Ze zijn ook niet goed in het voorspellen van wat ze gaan doen.
5
,2) Correlationele methode/ correlatie: verband zoeken tussen 2
variabelen.
Goed voor het voorspellen van toekomstig gedrag te voorspellen
Voorbeeld: roken en longkkr.
-Positieve correlatie (0 - +1):
Als de ene variabele stijgt dan stijgt ook de andere
Voorbeeld: Hoe meer je studeert, hoe beter je punten.
-Geen correlatie (0):
geen verband
Voorbeeld: Schoenmaat en intelligentie
-Negatieve correlatie (0 - -1):
Als de ene variabele stijgt, daalt de andere.
Voorbeeld: Hoe meer tv je kijkt, hoe slechter je schoolresultaten.
Belangrijk:
Correlatie betekent dat er een verband is, niet dat het ene de oorzaak is van
het andere.
Dus correlatie is niet causaliteit.
6
,3) Experimentele methode/ causaliteit
We spreken van een experiment wanneer:
- Er moet een manipulatie van een variabelen aanwezig zijn.
Voorbeeld: ene plant water en andere niet.
- Door de oorzaak (onaf) te manipuleren, bekijk je of dat invloed heeft op het
gevolg (afh).
- Er moet een controlegroep (geen manipulatie) en experimentele groep
(manipulatie) zijn.
- Als er een significant effect wordt gevonden, niet toeval maar door jouw
manipulatie.
- Andere mogelijke oorzaken constant houden, zodat je zeker bent dat het
effect komt door jou manipulatie en niet iets anders.
Onafhankelijke variabelen:
De variabelen die een invloed heeft op de afhankelijke variabelen.
Het is de variabelen die aangepast wordt om een effect op de afhankelijke
variabelen te meten.
Afhankelijke variabelen:
De variabelen die afhankelijk is van de onafhankelijke variabelen.
Het gedrag dat gemeten wordt.
Voorbeeld: Ene plant krijgt water en de andere niet.
Onafhankelijke: of er al dan niet water werd toegediend
Afhankelijke: het effect op plant
Voorbeeld: the pepsi challenge
Er was een storende variabelen, de verschillende glazen.
7
,Hoofdstuk 2: groepsnormen
2.1 impliciete sociale invloed
Impliciet:
Je volgt de norm van anderen zonder dat het echt gevraagd wordt, vaak
onbewust.
2.1.1 meerderheidsinvloed
Conformeren:
Je gedrag, mening, etc. aanpassen aan de norm van de groep of omgeving.
Dit kan dan expliciet: zonder dat de groep het echt vraagt.
Er is een pejoratieve bijklank in het Westen, je wordt een meeloper genoemd
omdat individualisme belangrijk is.
Kuddegedrag: Het fenomeen waarbij mensen hun gedrag of oordeel
afstemmen op dat van de meerderheid, vooral wanneer ze onzeker zijn over
wat juist is. Dit gebeurt vaak onbewust en ondanks het idee dat men zelf
onafhankelijk kan oordelen.
Sociale/ groepsnormen:
Ongeschreven regel of verwachting binnen een groep of samenleving over hoe
mensen zich horen te gedragen, achter deze normen zit er een bepaalde
waarde.
Voorbeeld: In de rij wachten bij de kassa.
Massasociogene ziekte: Een verschijnsel waarbij een groep mensen
tegelijkertijd lichamelijke klachten ervaart, zonder dat er een fysieke of
medische oorzaak is. De symptomen ontstaan en verspreiden zich door sociale
beïnvloeding.
Voorbeeld: ‘symptomen’ van spiking ervaren.
3 mogelijke reacties bij potentiële invloed van een partij:
1)autonoom handelen: je doet iets omdat je dat zelf wil.
2)Niet- autonoom handelen: je laat je beïnvloeden door wat anderen goed
vinden.
3)Reactantie/ anti-conformisme: als iemand je juist iets verbiedt,
kan dat juist een drang geven om het toch te doen.
8
,Daarnaast, Automatische sociale invloed:
Je doet het ook onbewust als iemand dat doet.
Voorbeeld: gewen.
Het Lijnexperiment van Ash:
Het is een voorbeeld van conformiteit.
In elke proef zat er één echte proefpersoon samen met een groep acteurs
(pseudos). Ze kregen de opdracht om te zeggen welke lijn even lang was als de
voorbeeldlijn. Het juiste antwoord was overduidelijk.
De acteurs gaven expres foutieve antwoorden. Het echte proefpersoon moest
daarna zijn antwoord geven.
Resultaat:36,8% van de proefpersonen ging minstens één keer mee met de
groep en gaf dus bewust een fout antwoord, ook al zagen ze dat het verkeerd
was.
Debriefing:
Achteraf werd de proefpersonen uitgelegd waar het onderzoek om ging.
Degenen die zich aanpasten aan de groep gaven vaak excuses of
minimaliseerden hun gedrag, omdat ze sociale beïnvloeding niet graag
toegaven.
De mensen dat autonoom bleven aan hun zelf, hadden een goede inschatting
van hun gedrag.
De mensen die niet autonoom waren en zich dus conformeerde aan de groep,
die gingen hun autonomie overschatten of minimaliseren, ze verzonnen
excuses.
Dit komt doordat sociale beïnvloeding niet graag wordt toegegeven.
Het hangt af van context of je het gaat benadrukken of minimaliseren.
Bv: Beklemtonen da je onder invloed was door je vrienden die nooit naar de les
wouden gaan en je dus daardoor gebuisd was om een examen.
Conclusie: (ash)
Er zijn 2 soorten invloed, redenen waarom we ons conformeren:
-Informatieve sociale beïnvloeding:
9
, Je volgt de groep omdat je denkt dat zij het wel zullen,
we doen vooral in onzekere situaties, crisis of als andere mensen
deskundige zijn.
Voorbeeld: vuur in gebouw, iedereen loopt naar uitgang dus jij ook.
-Normatieve sociale beïnvloeding:
Conformeren zodat je erbij hoort en niet wordt afgewezen.
Het kan gaan om hypes, of lichaamsbeelden. Voorbeeld: loom bandjes
Dit gedrag komt doordat we vroeger was de groep belangrijk om te overleven,
Daardoor hebben we nu nog steeds die neiging. (in amygdala)
Emotionele pijn door buitensluiting laat dezelfde stoffen vrij als bij fysieke pijn.
Unanimiteit: Allemaal eens met elkaar.
Dit was aanwezig bij het lijnexperiment van Ash.
Hij vroeg zich af wat er zou gebeuren als we die unanimiteit breken.
Hierbij moest 1 pseudo iets anders kiezen dan de groep, dit kon het juiste
antwoord zijn of een ander fout antwoord.
Zodra een pseudo dus afweek van de groep durfde de proefpersoon vaker
zelfstandig een ander antwoord te geven.
De proefpersoon kreeg het gevoel ‘ik ben niet de enige die afwijkt’
De pseudo die afweek krijgt 2 mogelijke benamingen:
-Dissident: Pseudo die afwijkt van de groep, maakt niet uit of die gelijk heeft
of niet.
Het doorbreekt de unanimiteit en dit beïnvloedt de proefpersoon.
-Geestverwant: Pseudo die hetzelfde denkt of kiest als de proefpersoon.
Als die aanwezig was durfde de proefpersoon ook af te wijken van de groep.
Andere inwerkende factoren: (ash)
-Plafont effect:
Dit is een positieve correlatie, en causaal verband.
De hoeveelheid pseudos die hetzelfde foutieve antwoord geven,
heeft een invloed op de geloofwaardigheid van het experiment.
De hoeveelheid moet geloofwaardig zijn,
dus als het te groot is geloven we het niet meer.
Daarom is 4 het beste om ons te beïnvloeden.
-Injunctieve norm/ wenselijke norm
: Hoe ons gedrag zou moeten zijn.
Voorbeeld: gelieve niet te eten in dit lokaal
(beter zou zijn “dankje om je eten buiten te laten” )
10