Denken over lichaam, Andreas De Block
H1: WAT IS FILOSOFIE
Etymologie: liefde voor de wijsheid of een verlangen om te weten, maar die
definitie brengt ons niet heel ver
Aristoteles: zei dat ALLE mensen van nature naar wijsheid en weten
verlangen, dus ook wetenschappers en gelovigen (dus definitie volgens hem niets
waard)
1.DRIE ASPECTEN: ATTITUDE, METHODOLOGIE, DOMEIN
1.1 ATTITUDE
Attitude=
Verwondering: je neemt niet zomaar iets vanzelfsprekend aan
Kritische denken: je onderzoekt anamneses, ook je eigen overtuigingen
Openheid: bereid zijn om je mening te herzien
Zoektocht naar betekenis: je wil begrijpen wat achter de dingen zit
wetenschappers en filosofen hebben heel wat attitudes gemeenschappelijk:
ze zijn kritisch, ze zoeken naar waarheid, enzovoort!
Nigal Warburton: ‘philosophy is an unusual subject in that its practitioners don’t agree
what it’s about’
Aristoteles:
René Descartes:
Optische illusie: gezichtsvermogen bedriegt ons vaak voorbeeld: Müller-Lyer
illusie
o Betekenis: onze zintuigen bedriegen ons vaker dan we denken
o Maar: zintuigen spelen een belangrijke rol in verwerking als onze
zintuigen onbetrouwbaar zijn, is dan ook onze kennis
onbetrouwbaar? Volgens Descartes wel
Malin génie: ons denken wordt voortdurend op een dwaalspoor gezet door God
of een kwaadaardige genie
1
,Denken over lichaam, Andreas De Block
1.2 METHODOLOGIE
Een methode in de filosofie is een systematische manier van denken die filosofen
gebruiken om vragen te onderzoeken, begrippen te analyseren en argumenten te
evalueren.
Het is dus de manier waarop je filosofeert — je gereedschapskist.
Probleem met methoden:
Filosofen gebruiken waaier aan methoden, maar geen daarvan is uniek voor de
filosofie
Indien de methoden uniek is voor filosofie, wordt die niet per se door alle filosofen
gebruikt
Belangrijkste methoden
Intuïtie:
17e -18e eeuw: kennis die op een onmiddellijke manier wordt verkregen
o Descartes: des idées claires et distinctes = ideeën of intuïties die
geen redelijk mens zou durven betwijfelen
Bv.: je pense donc je suis : het is volgens Descartes
vanzelfsprekend dat ik besta zodra en zolang ik denk
20e eeuw: common sense/ gezond verstand spontane overtuigingen die we
in onze eigen geest aantreffen wanneer we over een bepaald onderwerp
beginnen te denken
o Deze overtuigingen zijn vaak moeilijk te veranderen, ookal heb je
tegenbewijs!
Vandaag de dag: filosofen die intuïties gebruiken worden ‘armchair
philosophers’ genoemd
Conceptuele analyse: begrippen scherp definiëren (bv. “Wat is vrijheid?”)
Luciano Floridi: filosofie=‘conceptual engineering’
= ontrafelen en verbeteren van concepten die we in dagelijks leven misschien
soms achteloos gebruiken
Doel: begrippen:
o Ontleden
o Beter begrijpen
o Beter gebruiken
Conceptuele analyse wordt niet door alle filosofen gebruikt
Conceptuele analyse wordt niet enkel door filosofen gebruikt
o Fysica: definitie massa, gewicht
o Sociale wetenschap: sekse, gender
Gedachten-experimenten: situaties bedenken om ideeën te testen (bv. de trolley-
problem).
Verbeelding, dat gebruikt wordt om nieuwe info over een thema te verkrijgen
zonder gebruik te maken van nieuwe empirische data
Menselijke geest
Voordelen:
2
,Denken over lichaam, Andreas De Block
o Verhelderen een probleem door het te visualiseren
o Leveren gegevens op die voor of tegen een bepaalde theorie kunnen
worden gebruikt
o Financiële, technologische en morele problemen mee omzeilen
Bv.: brain-in-a-vat: kunnen we weten dat wij geen brain in a vat zijn?
1.3 DOMEIN
Dit gaat over waarover filosofie zich buigt — de inhoudelijke gebieden.
Klassieke domeinen
Domein Centrale vragen
Metafysica Wat bestaat er? Wat is de aard van de werkelijkheid?
Epistemologie Wat is kennis? Hoe weten we iets?
Ethiek Wat is goed handelen? Wat is juist of fout?
Logica Wat is een geldige redenering?
Politieke filosofie Wat is een rechtvaardige samenleving?
Filosofie van de
Wat is bewustzijn? Wat is de geest?
geest
Wetenschapsfilos Hoe werkt wetenschap? Wat is een wetenschappelijke
ofie verklaring?
👉 Het domein is dus de inhoud: de vragen en thema’s die filosofie onderzoekt.
Ultrakorte examensamenvatting
Attitude = de houding: kritisch, vragend, verwonderd.
Methodologie = de werkwijze: argumentatie, analyse, logica, gedachte-
experimenten.
Domein = de inhoud: de grote vragen over kennis, werkelijkheid, moraal, mens
en samenleving.
3
, Denken over lichaam, Andreas De Block
2. VIER DEELDOMEINEN
‘Wat is filosofie’: als het bestudeerd wordt in 1 vd 4 deeldomeinen van filosofie maar
dat brengt ons geen stap verder, want dan komen de vragen: ‘wat is metafysica?’, ‘wat is
logica?’,…
2.1 METAFYSICA
Bestudeert aard en structuur van de wereld
Aristoteles: boek dat ‘metafysica’ noemt, maar niet zeker of het:
o Chronologisch is: het volgt na het boek ‘fysica’
o Structureel is: het gaat over de problemen die voorbij of achter of onder
de fysica liggen
Onderwerp: bestaan wat bestaat er echt?
Bv.: bestaat tijd echt?
Bv.: lichaam en geest zijn we meer dan onze hersenen
o Volgens materialisten (fysicalisten): physical stuff alles opgebouwd
met behulp van materie en dat geldt ook voor onze mentale toestanden:
mentale toestanden zijn gewoon hersentoestanden
o Volgens dualisten: mental stuff mentale toestanden zijn opgebouwd
uit geestspul
MAAR: eigenlijk geen eenduidig gemeenschappelijk kenmerk tussen
metafysische problemen (wat maakt nu precies dat ze onder deze categorie
vallen?)
Onderzoekt de aard en structuur van de werkelijkheid.
Kernvragen:
Wat bestaat er eigenlijk?
Wat is de aard van dingen?
Hoe verhouden lichaam en geest zich tot elkaar?
Voorbeelden uit je tekst:
Het probleem van lichaam en geest is een typisch metafysisch probleem.
Materialisten zeggen: alles is fysisch (physical stuff).
Dualisten zeggen: er bestaat ook niet-fysische “mental stuff”.
Waarom belangrijk? Metafysica probeert te begrijpen wat de wereld is, los van wat we
erover denken of meten.
2.2 LOGICA
Onderzoekt geldige redeneringen en argumenten.
Kernvragen:
Wanneer is een redenering geldig?
Hoe kunnen we foutieve argumenten herkennen?
Wat maakt een conclusie logisch dwingend?
Voorbeelden uit je tekst:
Logica bestudeert de structuur van argumenten.
4
H1: WAT IS FILOSOFIE
Etymologie: liefde voor de wijsheid of een verlangen om te weten, maar die
definitie brengt ons niet heel ver
Aristoteles: zei dat ALLE mensen van nature naar wijsheid en weten
verlangen, dus ook wetenschappers en gelovigen (dus definitie volgens hem niets
waard)
1.DRIE ASPECTEN: ATTITUDE, METHODOLOGIE, DOMEIN
1.1 ATTITUDE
Attitude=
Verwondering: je neemt niet zomaar iets vanzelfsprekend aan
Kritische denken: je onderzoekt anamneses, ook je eigen overtuigingen
Openheid: bereid zijn om je mening te herzien
Zoektocht naar betekenis: je wil begrijpen wat achter de dingen zit
wetenschappers en filosofen hebben heel wat attitudes gemeenschappelijk:
ze zijn kritisch, ze zoeken naar waarheid, enzovoort!
Nigal Warburton: ‘philosophy is an unusual subject in that its practitioners don’t agree
what it’s about’
Aristoteles:
René Descartes:
Optische illusie: gezichtsvermogen bedriegt ons vaak voorbeeld: Müller-Lyer
illusie
o Betekenis: onze zintuigen bedriegen ons vaker dan we denken
o Maar: zintuigen spelen een belangrijke rol in verwerking als onze
zintuigen onbetrouwbaar zijn, is dan ook onze kennis
onbetrouwbaar? Volgens Descartes wel
Malin génie: ons denken wordt voortdurend op een dwaalspoor gezet door God
of een kwaadaardige genie
1
,Denken over lichaam, Andreas De Block
1.2 METHODOLOGIE
Een methode in de filosofie is een systematische manier van denken die filosofen
gebruiken om vragen te onderzoeken, begrippen te analyseren en argumenten te
evalueren.
Het is dus de manier waarop je filosofeert — je gereedschapskist.
Probleem met methoden:
Filosofen gebruiken waaier aan methoden, maar geen daarvan is uniek voor de
filosofie
Indien de methoden uniek is voor filosofie, wordt die niet per se door alle filosofen
gebruikt
Belangrijkste methoden
Intuïtie:
17e -18e eeuw: kennis die op een onmiddellijke manier wordt verkregen
o Descartes: des idées claires et distinctes = ideeën of intuïties die
geen redelijk mens zou durven betwijfelen
Bv.: je pense donc je suis : het is volgens Descartes
vanzelfsprekend dat ik besta zodra en zolang ik denk
20e eeuw: common sense/ gezond verstand spontane overtuigingen die we
in onze eigen geest aantreffen wanneer we over een bepaald onderwerp
beginnen te denken
o Deze overtuigingen zijn vaak moeilijk te veranderen, ookal heb je
tegenbewijs!
Vandaag de dag: filosofen die intuïties gebruiken worden ‘armchair
philosophers’ genoemd
Conceptuele analyse: begrippen scherp definiëren (bv. “Wat is vrijheid?”)
Luciano Floridi: filosofie=‘conceptual engineering’
= ontrafelen en verbeteren van concepten die we in dagelijks leven misschien
soms achteloos gebruiken
Doel: begrippen:
o Ontleden
o Beter begrijpen
o Beter gebruiken
Conceptuele analyse wordt niet door alle filosofen gebruikt
Conceptuele analyse wordt niet enkel door filosofen gebruikt
o Fysica: definitie massa, gewicht
o Sociale wetenschap: sekse, gender
Gedachten-experimenten: situaties bedenken om ideeën te testen (bv. de trolley-
problem).
Verbeelding, dat gebruikt wordt om nieuwe info over een thema te verkrijgen
zonder gebruik te maken van nieuwe empirische data
Menselijke geest
Voordelen:
2
,Denken over lichaam, Andreas De Block
o Verhelderen een probleem door het te visualiseren
o Leveren gegevens op die voor of tegen een bepaalde theorie kunnen
worden gebruikt
o Financiële, technologische en morele problemen mee omzeilen
Bv.: brain-in-a-vat: kunnen we weten dat wij geen brain in a vat zijn?
1.3 DOMEIN
Dit gaat over waarover filosofie zich buigt — de inhoudelijke gebieden.
Klassieke domeinen
Domein Centrale vragen
Metafysica Wat bestaat er? Wat is de aard van de werkelijkheid?
Epistemologie Wat is kennis? Hoe weten we iets?
Ethiek Wat is goed handelen? Wat is juist of fout?
Logica Wat is een geldige redenering?
Politieke filosofie Wat is een rechtvaardige samenleving?
Filosofie van de
Wat is bewustzijn? Wat is de geest?
geest
Wetenschapsfilos Hoe werkt wetenschap? Wat is een wetenschappelijke
ofie verklaring?
👉 Het domein is dus de inhoud: de vragen en thema’s die filosofie onderzoekt.
Ultrakorte examensamenvatting
Attitude = de houding: kritisch, vragend, verwonderd.
Methodologie = de werkwijze: argumentatie, analyse, logica, gedachte-
experimenten.
Domein = de inhoud: de grote vragen over kennis, werkelijkheid, moraal, mens
en samenleving.
3
, Denken over lichaam, Andreas De Block
2. VIER DEELDOMEINEN
‘Wat is filosofie’: als het bestudeerd wordt in 1 vd 4 deeldomeinen van filosofie maar
dat brengt ons geen stap verder, want dan komen de vragen: ‘wat is metafysica?’, ‘wat is
logica?’,…
2.1 METAFYSICA
Bestudeert aard en structuur van de wereld
Aristoteles: boek dat ‘metafysica’ noemt, maar niet zeker of het:
o Chronologisch is: het volgt na het boek ‘fysica’
o Structureel is: het gaat over de problemen die voorbij of achter of onder
de fysica liggen
Onderwerp: bestaan wat bestaat er echt?
Bv.: bestaat tijd echt?
Bv.: lichaam en geest zijn we meer dan onze hersenen
o Volgens materialisten (fysicalisten): physical stuff alles opgebouwd
met behulp van materie en dat geldt ook voor onze mentale toestanden:
mentale toestanden zijn gewoon hersentoestanden
o Volgens dualisten: mental stuff mentale toestanden zijn opgebouwd
uit geestspul
MAAR: eigenlijk geen eenduidig gemeenschappelijk kenmerk tussen
metafysische problemen (wat maakt nu precies dat ze onder deze categorie
vallen?)
Onderzoekt de aard en structuur van de werkelijkheid.
Kernvragen:
Wat bestaat er eigenlijk?
Wat is de aard van dingen?
Hoe verhouden lichaam en geest zich tot elkaar?
Voorbeelden uit je tekst:
Het probleem van lichaam en geest is een typisch metafysisch probleem.
Materialisten zeggen: alles is fysisch (physical stuff).
Dualisten zeggen: er bestaat ook niet-fysische “mental stuff”.
Waarom belangrijk? Metafysica probeert te begrijpen wat de wereld is, los van wat we
erover denken of meten.
2.2 LOGICA
Onderzoekt geldige redeneringen en argumenten.
Kernvragen:
Wanneer is een redenering geldig?
Hoe kunnen we foutieve argumenten herkennen?
Wat maakt een conclusie logisch dwingend?
Voorbeelden uit je tekst:
Logica bestudeert de structuur van argumenten.
4