Wijsbegeerte
Inleiding
Stromingen -> boven individuele niveau denken (5 continentale stromingen: 20 ste
eeuw)
1. Fenomenologie (psychologismedebat)
2. Hermeneutiek (wetenschappelijk statuut menswetenschappen)
3. Existentialisme (abstracte rationaliteit speculatieve wetenschap +
reductionistische rationaliteit empirische wetenschap)
4. Westers marxisme (herinterpretatie Marx)
5. Poststructuralisme (vernieuwing linguïstiek)
1. Hedendaags:
Actuele denken: hedendaagse begrippen/thema’s/debatten
Onherleidbare pluraliteit: veelheid posities/analyses zonder
samenhang/gemeenschappelijkheid -> versplintering filosofie
Uitsplitsing/verzelfstandiging deelgebieden
Historisch overzicht:
Descartes: eigen ervaring + cogito
Hegel: overgang modern (realisatie aspiraties) ->
hedendaags (belangrijke nieuwe thema’s)
Hedendaags = post-hegeliaans
Al snel afstand van Hegels systeemdenken door positivisme
(begrip wetenschap), Dilthey (geschiedenisopvatting), Marx
(idealisme), Kierkegaard + Nietzsche (totaliteit- en
subjectsconcept), de Saussure (taalopvatting) door
ontwikkelingen in menswetenschappen.
2. Continentaal (<-> analytische):
Misleidend, vaak onterecht onderscheid.
Verschillende appreciatie van de erfenis (verschil in betekenis en
relevantie).
Vertrekpunt: radicale kritiek uitgangspunten positivisme <->
formulering programma logisch positivisme
Marxisme: blijvende betekenis + nieuwe wijze denken
(Frankfurther Schule + kritische theorie) <-> afwezig (wel
liberalisme)
Hegel: Auseinandersetzung <-> miskenning filosofie Hegel
Historische benadering: problemen in en vanuit wijsgerige
context + historische ontwikkeling <-> universele betekenis
conceptuele problemen (= weinig kritische herneming bekende
stellingen)
Denken = historisch gesitueerd -> kritische
ondervraging fundamentele categorieën.
Ontwikkeling denken in relatie tot actualiteit.
3. Enkele krachtlijnen:
Radicale, onomkeerbare crisis (wetenschappen, denken, politieke,
West-Europese cultuur/identiteit, heerschappij techniek,
instrumentele rationaliteit … financiële markten, Europese
, instellingen, klimaatverandering) -> invraagstelling taak
filosofie: Waarheid? Regels rationaliteit? Het wezen?
Antisciëntisme: grenzen/mogelijkheden kennis (verklaren
grondslag, rationaliteit)
Wetenschappelijke rationaliteit = niet
eerste/belangrijkste betekenis
Verwerven van inzichten vanuit eerste persoon ‘zelf
denken’
Kritische reflectie vooruitgang techniek + toegepaste
wetenschappen
Bezinning uitgangspunten: herneming oorspronkelijke
denkbeweging + reflectie + nieuwe betekenis
Transformatie filosofie (<-> Hegel)
o Differentiedenken: radicale pluraliteit (diversiteit
stromingen + veelheid thema’s, methodische
overwegingen binnen stroming) -> zoekt niet meer
naar samenhang, maar poogt betekenis verschil te
articuleren.
o Eindigheidsdenken: einddoel is niet ware
werkelijkheid (besef eindigheid)
o Praktische filosofie: mogelijkheid vatten
werkelijkheid in (systematische) totaliteit is niet
vanzelfsprekend.
Fenomenologie
1. Welke taak heeft de fenomenologie in het hedendaagse debat over de
cognitieve wetenschappen?
Subjectieve ervaringen en bewustzijn van individuen niet
vergeten. (Niet enkel gedragsobservaties)
Kritiek op reductionisme: complexe cognitieve fenomenen kunnen
niet worden teruggebracht tot enkel fysiologische processen.
Belang interdisciplinariteit
Verklaringskloof verminderen via fenomenologie: wat is het om te
zijn? (zombie- + kennisargument) -> nauwkeurige beschrijving van
welke soort kennis in het fenomenale bewustzijn van de ervaring
verworven wordt.
o Interdisciplinair, niet-reductionistisch, niet-dualistisch
Adequate beschrijving fenomenale kennis +
samenvoeging mentale, fysische en neurobiologische
eigenschappen.
2. Welke betekenis heeft volgens Husserl de fenomenologie?
Fenomenologie = strenge wetenschap: zuivere beschrijving
van ervaringen direct in het bewustzijn zonder vooroordelen of
theoretische aannames. Bewustzijn als startpunt.
Wezensdefinities bewustzijnservaringen: zien, horen, voelen,
verbeelden, voorstellen, verlangen, betekenen, handelen, twijfelen.
o Intentionaliteit: bewustzijn is steeds het bewustzijn van iets
Bewustzijn kan niet rechtstreeks op zichzelf als zuivere
immanentie worden begrepen
o Eidetische reductie:
o Fenomenologische reductie:
, Anti-naturalisme: niet dezelfde mathematische methode
gebruiken als bij andere wetenschappen. (Nu minder radicaal omdat
bij Husserl onderzoek voor op empirie was gebaseerd en nu ook
computers = niet puur gedrag)
Transcendentaal onderzoek: fundament zekerheid in
bewustzijn -> onderzoek bewustzijn als bewustzijn, niet als
object natuurwetenschappelijk onderzoek.
Bewustzijn in de mogelijkheidsvoorwaarde voor het
verschijnen van een object -> kan zelf niet tot object in de
wereld worden gereduceerd.
3. Waarover gaat het psychologismedebat?
Positivisme (Comte): criteria wetenschappelijkheid definiëren
(zinvolheid, waarneming, systematisch karakter, relativiteit kennis,
mogelijkheid vooruitgang van kennis), mathematische/empirische
methode als basis voor alle wetenschappen
o Husserl (wetenschappelijkheid, maar geen dominantie van
natuurwetenschappelijk denken)
Psychologisme: psychologie (psychische processen/ervaring in het
bewustzijn) = belangrijkste wetenschappelijke discipline. Belang
subject.
o Tegen:
Crisis idealisme (subject is niet te beschrijven in
ideeën/a priori vermogens)
Kritiek materialisme (subject is niet louter object van
materiële processen)
o Onderscheid (methodisch verschil):
Experimentele psychologie (Wundt): verklarend,
empirisch-inductief, psychofysisch
Descriptieve psychologie: beschrijvend, a priori
(definities, oorsprong en geldigheid
concepten/begrippen)
Conflict ontstaat pas bij Brentano: wil een ‘zuiver’
descriptieve psychologie. (volledig a priori vanuit het
bewustzijn)
Husserls kritiek psychologisme:
o Logica: hoe moet het verloop van onze gedachten zijn om tot
wetenschap te leiden?
> psychologisme: logica in domein psychologie =
vallen af te leiden uit psychische processen
Kritiek Husserl: psychologisme is geen empirische
wetenschap (logica = niet juistheid van het oordelen,
maar geldigheid logische inhoud)
- Interne contradictie psychologisme: subjectief
relativisme (inductief – gevoel bij waarneming)
= geen goede theorie van kennis, want in strijd
met eigen criteria
- Niet adequaat: algemene begrippen in logica,
geen uit waarneming gebaseerde voorbeelden.
(geen waarneming nodig om rondheid cirkel te
bevestigen)
- Gebaseerd op vooroordelen
, Fenomenologie als kenniskritiek en zelfstandigheid filosofie:
analyse bewustzijnsact (hoe betrekt een bewustzijn zich op
een inhoud?) en bewustzijnsinhouden (hoe komt een
bepaalde inhoud voor het bewustzijn te voorschijn?)
4. Waarin bestaat Husserls kritiek op het natuurwetenschappelijke
paradigma?
Fenomenologie = bijdrage kennistheorie + kenniskritiek (relatie
kenact en kenobject)
o Geloof in mogelijkheid strenge wetenschappelijkheid
Kritiek op psychologisme (psychologie heeft empirie als
basis): vooroordelen (naïviteit: oordeel als psychisch proces)
+ contradicties + gegevenheid (zonder gegevenheidswijze).
Samenhang tussen fenomenologie en psychologie
(natuurlijke houding -> objectieve gegevenheid van
objecten waar we bewust van zijn als evident
aannemen): op welke manier verschijnt een object in
het bewustzijn? <> feitelijke gegevenheid van de
ervaring = empirisch bewustzijn
5. Op welke manier herneemt Husserl de uitgangspunten van de moderne
filosofie?
Descartes (idee), Kant (vermogen): zintuiglijke indrukken worden
aan iets anders onderworpen
Kant: Kritiek van de zuivere rede (Hoe tot kennis komen?) =
onderscheid fenomenen (waargenomen verschijnselen) en
noemena (onwaarneembare dingen zoals ze op zichzelf zijn)
Descartes: zuivere kennis vertrekt vanuit bewustzijn/zelf + soort
radicale twijfel: geen aannames/vooropgesteldheden.
o Eerste zekerheid = twijfel als resultaat van een ervaring
(cogitatio) die zichzelf als kennis bewijst (ik twijfel of ik twijfel
= kan niet)
Husserl: Ontstaan noodzaak fenomenologische
reductie
Hoe komt gegevenheid van twijfel in bewustzijn
terecht?
Reduceert denkact (cogito) tot object (ergo sum)
6. Hoe definieert Husserl centrale noties als ‘kennis’, ‘ervaring’ en
‘bewustzijn’ en waarin bestaat het nieuwe van deze wezensbepalingen?
Kennis: actief proces van bewustzijnsacten, kenniskritiek, relatie
bewustzijn en object. Zuiver transcendentaal, kennisleer, eidetische
reductie, fenomenologische reductie.
Analyse bewustzijnsact = betekenis onderzoeken van object:
analyse van de specifieke relatie tussen de aard van de
gerichtheid van de ervaring (noesis van bewustzijn) en de
inhoud waarop die act zich richt (noema)
o Lost probleem van de brug op: relatie bewustzijn en
werkelijkheid (subject - object)
Descartes: res cogitans – res extensa
Bewustzijn als bewustzijn van iets (intentioneel). Psychologische
kennis komt voor uit zuivere fenomenologie. Betrekking of