SAMENVATTING PDM
Thema 1
1)ONS GEHEUGEN
1.1)HARDE SCHIJF
→Ons geheugen: Is geen vaste opslagruimte, geheugen is een proces, die
bestaat uit neurale netwerken→ door te leren gaan we nieuwe, sterkere en
uitgebreidere neurale netwerken vormen/ hersencellen die zich
verbinden door connecties→ Herhaling helpt het geheugen, hoe vaker je info
verwerkt, hoe beter je het kunt oproepen
1.2)PROCES VAN LEREN EN SOORTEN GEHEUGENS
= Bij leren gaat het erom dat er nieuwe info wordt overgezet naar je
langetermijngeheugen(permanent) en je deze info naderhand makkelijk terug
kan ophalen
•LEREN→ Start met AANDACHT: Als de
informatieprikkels binnen komen in de hersenen Start er
een proces waarbij informatie ofwel zal opgeslagen
worden(=geleerd) of zal verwijderd
worden(=vergeten) →Leren is een verandering in het
LTG
•INVLOED interesses en motivatie: Als bepaalde info
je interesseert en motiveert zal dit makkelijker opgeslagen worden in het
geheugen.
1.2.1) ONDERDELEN VAN HET GEHEUGEN
= tijdens het leren, maken we gebruik van 3 onderdelen van het geheugen:
1-SENSORISCH/ZINTUIGELIJK GEHEUGEN: Wat we ervaren uit de omgeving
wordt geregistreerd in ons zintuigelijk geheugen→ Dit geheugen kan die
info maar kort vasthouden, daarom wordt er een selectie gemaakt van de
meest relevante info die verwerkt zal worden in ons werkgeheugen, want
niet alles wat we binnenkrijgen verwerken we in ons brein
2-WERKGEHEUGEN: Is de plaats waar het denken en het bewustzijn
plaatsvindt→ Dit geheugen heeft een beperkte capaciteit: We kunnen niet aan
veel dingen tegelijk denken, want ons WG ontvangt zowel sensorische prikkels uit
de omgeving als info uit het LTG → Hoe meer info er in het LTG is, hoe
makkelijker het is voor ons WG om nieuwe info aan te verbinden
→Het Werkgeheugen kan info tot 30sec vasthouden als we er niks mee doen,
anders is het weg (=pruning)→ Door de info te herhalen ga je deze info ook
makkelijker onthouden en ophalen
3-LANGETERMIJNGEHEUGEN: Het is een netwerk dat verspreid ligt over onze
hersenschors en heeft en onbeperkte capaciteit→ Het Is onze ‘Opslagtank’
van wat we weten→ Georganiseerd door kennisschema’s en structuren die we
uitbreiden door bestaande kennis te verbinden met nieuwe kennis
(=associëren/connecteren/voortbouwen)
, SAMENVATTING PDM
Wat permanent is opgeslagen in het LTG, functioneert als een middel om de
beperking van ons WG te overwinnen.
informatie overdragen van het werkgeheugen naar het
langetermijngeheugen gebeurt dus door vastzetting en herhaling→
Wanneer informatie niet wordt overgedragen naar het
langetermijngeheugen of er geen informatie terug wordt opgeroepen uit
het langetermijngeheugen, zal deze informatie vergeten worden→ Dat
betekent dat de verbindingen tussen de neuronen zullen vervagen en
uiteindelijk ook verdwijnen(=pruning)
1.3)GOED OF SLECHT GEHEUGEN
= Een goed geheugen is deels aanleg, maar er zijn verschillende geheugens waar
moet goed in zijn:
-Verbaal geheugen: Onthouden beter info die mondeling of schriftelijk word
uitgelegd →in woorden
-Visueel geheugen: waarnemingen / vormen een beeld in hun hoofd van wat ze
gezien hebben en onthouden het zo beter
-Absoluut geheugen: mensen die goed zijn in het onthouden van details van
feiten en gebeurtenissen hebben dit soort geheugen
•De rol van slaap: Slaap is cruciaal voor een goed werkend geheugen→ om
aandachtig te kunnen zijn en de juiste info uit de omgeving te kunnen verwerken
heeft je brein voldoende rust nodig→ Tijdens de slaap wordt info die je
overdag leerde overgebracht van het WG naar het LTG, Je brein ordent
de binnengekomen info waarbij er verbanden worden gelegd en
gesorteerd wordt wat belangrijk is en wat niet→ Gifstoffen worden tijdens
je slaap afgevoerd wat focus overdag verbeterd.
•Encodage: Het opslaan en structureren van informatie van
gebeurtenissen, herinneringen en kennis verloopt via hetzelfde encodage
proces→ Informatie wordt overgebracht van het werkgeheugen naar het
langetermijngeheugen, waarbij het wordt geordend en gebundeld→ De PFC
helpt ons informatie terug te vinden uit het LTG, uit alle gecodeerde
informatie gaat het opzoek naar connecties/associaties en verbanden om kennis
op te halen die we eerder hebben geleerd.
Bij Emotionele gebeurtenissen: Verloopt de encodage vaak automatisch
omdat sterke emoties de hersengebieden activeren die betrokken zijn bij
geheugenopslag, waardoor de neurale verbindingen sterker aangelegd
worden bij emotionele gebeurtenissen→ zulke momenten kunnen hierdoor
altijd makkelijker onthouden en opgeroepen kunnen worden.
2)VERGEETCURVE (EBBINGHAUS)
= Wanneer je nieuwe informatie leert kan je die in eerste instantie goed
onthouden, maar na verloop van tijd vergeet je dingen→ De snelheid waarin je
nieuwe info vergeet hangt af van wat voor info het is, op welke manier het
gegeven wordt(visueel/vebraal) en wanneer het wordt gegeven→ de mate waarin
je sterke verbindingen hebt gelegd of minder sterkere is afhankelijk van hoe
ingewikkeld iets is en de mate waarin je het herhaald hebt + zelf belangrijk
vindt→ onbelangrijk= snel vergeten
→ geitenpaadjes vs. Snelwegen: Hoe zwakker de verbinding/paadje, des te
moeilijker het is om de informatie terug op te halen
-Dual Coding: Het verschil uitmaken of iets als tekst, visueel of beide manieren
wordt aangeboden
, SAMENVATTING PDM
•CONCLUSIE VERGEETCURVE: Je onthoudt info beter wanneer je
het veel herhaalt→ Hij maakt het belang van gespreid leren
(=Spaced Practice) duidelijk: Door je hersenen steeds te trainen
op het ophalen van info uit je LTG, versterk je de verbindingen
tussen je neuronen in je hersenen, waardoor je makkelijker info uit
je geheugen kan halen
VB: oefeningen maken van de afgelopen weken
3)LEERSTIJLEN
= Leerstijl theorieën gaan ervan uit dat resultaten verbeteren als
de informatie die ze krijgen aansluit bij hun leerstijl→ er is niet 1
‘goede ‘ leerstijl, maar iedereen heeft een Voorkeurs manier om informatie te
verwerken en op te slaan in het geheugen.
→Soorten voorkeursmanieren om info te verwerken: Visueel OF Verbaal
→GEVOLG VOOR LERAREN: er zijn verschillende geheugenvoorkeuren, dus moeten
leerkrachten verschillende manieren gebruiken waarop je info aanbiedt in hun les→
Variëren in strategieën
VB: leerstof verduidelijken met afbeeldingen of video en daarna verbaal met een tekst /
schema met combinatie van woord en beeld is het efficiëntste
•Zintuiglijk rijk: Hoe meer zintuigen betrokken zijn bij een leerproces, hoe meer ervan
zult onthouden.
4)INTELLIGENTIE
= Is het vermogen om problemen op te lossen, om flexibel om te gaan met je
omgeving. Je verzamelt informatie en onthoudt die voor een lange tijd waardoor
je ze op elk moment kan ophalen en in kan zetten wanneer je moet omgaan met
problemen(=doel) → Cognitieve Vaardigheden staan hier centraal (geheugen /
Algemeen kennis / inzicht)
→Er is geen vaste definitie van intelligentie omdat er verschillende aspecten
onderscheiden kunnen worden→ afhankelijk van het vakgebied
•Meervoudige Intelligentie theorie: Deze theorie is eerder controversieel,
omdat andere
vaardigheden buiten cognitieve ook benoemd worden als intelligentie, zoals
muzikale vaardigheden, sociale vaardigheden, emotionele vaardigheden,
praktische vaardigheden. Deze vaardigheden zijn
ook belangrijk om het in het leven te maken, maar daarom moeten ze nog niet
onder de noemer intelligentie vallen.
4.1)WORD JE SLIM GEBOREN?
= Vanaf je geboorte werken er veel genen samen om te zorgen voor een goede
ontwikkeling van ‘intelligentie’ →Nature en Nurture zijn onlosmakelijk met
elkaar verbonden: Ook al heb je een ‘goede’ en ‘slimme’ set genen gekregen,
dan heb je nog steeds een stimulerende omgeving (nurture) nodig om die
vaardigheden tot uiting te laten komen→ 60% en 40%
→ naarmate kinderen ouder worden, de omgeving een grotere invloed zou
spelen, Maar het omgekeerde is waar. Naarmate kinderen ouder worden, gaan
kinderen meer en meer lijken op biologische ouders → Naarmate men ouder
wordt komt de impact van nature dus meer en meer bovendrijven.
•Nature: zijn de erfelijke gene en factoren die je krijgt van je ouders
•Nurture: zijn de omgevingsfactoren die de ontwikkeling van iemand
beïnvloeden
Thema 1
1)ONS GEHEUGEN
1.1)HARDE SCHIJF
→Ons geheugen: Is geen vaste opslagruimte, geheugen is een proces, die
bestaat uit neurale netwerken→ door te leren gaan we nieuwe, sterkere en
uitgebreidere neurale netwerken vormen/ hersencellen die zich
verbinden door connecties→ Herhaling helpt het geheugen, hoe vaker je info
verwerkt, hoe beter je het kunt oproepen
1.2)PROCES VAN LEREN EN SOORTEN GEHEUGENS
= Bij leren gaat het erom dat er nieuwe info wordt overgezet naar je
langetermijngeheugen(permanent) en je deze info naderhand makkelijk terug
kan ophalen
•LEREN→ Start met AANDACHT: Als de
informatieprikkels binnen komen in de hersenen Start er
een proces waarbij informatie ofwel zal opgeslagen
worden(=geleerd) of zal verwijderd
worden(=vergeten) →Leren is een verandering in het
LTG
•INVLOED interesses en motivatie: Als bepaalde info
je interesseert en motiveert zal dit makkelijker opgeslagen worden in het
geheugen.
1.2.1) ONDERDELEN VAN HET GEHEUGEN
= tijdens het leren, maken we gebruik van 3 onderdelen van het geheugen:
1-SENSORISCH/ZINTUIGELIJK GEHEUGEN: Wat we ervaren uit de omgeving
wordt geregistreerd in ons zintuigelijk geheugen→ Dit geheugen kan die
info maar kort vasthouden, daarom wordt er een selectie gemaakt van de
meest relevante info die verwerkt zal worden in ons werkgeheugen, want
niet alles wat we binnenkrijgen verwerken we in ons brein
2-WERKGEHEUGEN: Is de plaats waar het denken en het bewustzijn
plaatsvindt→ Dit geheugen heeft een beperkte capaciteit: We kunnen niet aan
veel dingen tegelijk denken, want ons WG ontvangt zowel sensorische prikkels uit
de omgeving als info uit het LTG → Hoe meer info er in het LTG is, hoe
makkelijker het is voor ons WG om nieuwe info aan te verbinden
→Het Werkgeheugen kan info tot 30sec vasthouden als we er niks mee doen,
anders is het weg (=pruning)→ Door de info te herhalen ga je deze info ook
makkelijker onthouden en ophalen
3-LANGETERMIJNGEHEUGEN: Het is een netwerk dat verspreid ligt over onze
hersenschors en heeft en onbeperkte capaciteit→ Het Is onze ‘Opslagtank’
van wat we weten→ Georganiseerd door kennisschema’s en structuren die we
uitbreiden door bestaande kennis te verbinden met nieuwe kennis
(=associëren/connecteren/voortbouwen)
, SAMENVATTING PDM
Wat permanent is opgeslagen in het LTG, functioneert als een middel om de
beperking van ons WG te overwinnen.
informatie overdragen van het werkgeheugen naar het
langetermijngeheugen gebeurt dus door vastzetting en herhaling→
Wanneer informatie niet wordt overgedragen naar het
langetermijngeheugen of er geen informatie terug wordt opgeroepen uit
het langetermijngeheugen, zal deze informatie vergeten worden→ Dat
betekent dat de verbindingen tussen de neuronen zullen vervagen en
uiteindelijk ook verdwijnen(=pruning)
1.3)GOED OF SLECHT GEHEUGEN
= Een goed geheugen is deels aanleg, maar er zijn verschillende geheugens waar
moet goed in zijn:
-Verbaal geheugen: Onthouden beter info die mondeling of schriftelijk word
uitgelegd →in woorden
-Visueel geheugen: waarnemingen / vormen een beeld in hun hoofd van wat ze
gezien hebben en onthouden het zo beter
-Absoluut geheugen: mensen die goed zijn in het onthouden van details van
feiten en gebeurtenissen hebben dit soort geheugen
•De rol van slaap: Slaap is cruciaal voor een goed werkend geheugen→ om
aandachtig te kunnen zijn en de juiste info uit de omgeving te kunnen verwerken
heeft je brein voldoende rust nodig→ Tijdens de slaap wordt info die je
overdag leerde overgebracht van het WG naar het LTG, Je brein ordent
de binnengekomen info waarbij er verbanden worden gelegd en
gesorteerd wordt wat belangrijk is en wat niet→ Gifstoffen worden tijdens
je slaap afgevoerd wat focus overdag verbeterd.
•Encodage: Het opslaan en structureren van informatie van
gebeurtenissen, herinneringen en kennis verloopt via hetzelfde encodage
proces→ Informatie wordt overgebracht van het werkgeheugen naar het
langetermijngeheugen, waarbij het wordt geordend en gebundeld→ De PFC
helpt ons informatie terug te vinden uit het LTG, uit alle gecodeerde
informatie gaat het opzoek naar connecties/associaties en verbanden om kennis
op te halen die we eerder hebben geleerd.
Bij Emotionele gebeurtenissen: Verloopt de encodage vaak automatisch
omdat sterke emoties de hersengebieden activeren die betrokken zijn bij
geheugenopslag, waardoor de neurale verbindingen sterker aangelegd
worden bij emotionele gebeurtenissen→ zulke momenten kunnen hierdoor
altijd makkelijker onthouden en opgeroepen kunnen worden.
2)VERGEETCURVE (EBBINGHAUS)
= Wanneer je nieuwe informatie leert kan je die in eerste instantie goed
onthouden, maar na verloop van tijd vergeet je dingen→ De snelheid waarin je
nieuwe info vergeet hangt af van wat voor info het is, op welke manier het
gegeven wordt(visueel/vebraal) en wanneer het wordt gegeven→ de mate waarin
je sterke verbindingen hebt gelegd of minder sterkere is afhankelijk van hoe
ingewikkeld iets is en de mate waarin je het herhaald hebt + zelf belangrijk
vindt→ onbelangrijk= snel vergeten
→ geitenpaadjes vs. Snelwegen: Hoe zwakker de verbinding/paadje, des te
moeilijker het is om de informatie terug op te halen
-Dual Coding: Het verschil uitmaken of iets als tekst, visueel of beide manieren
wordt aangeboden
, SAMENVATTING PDM
•CONCLUSIE VERGEETCURVE: Je onthoudt info beter wanneer je
het veel herhaalt→ Hij maakt het belang van gespreid leren
(=Spaced Practice) duidelijk: Door je hersenen steeds te trainen
op het ophalen van info uit je LTG, versterk je de verbindingen
tussen je neuronen in je hersenen, waardoor je makkelijker info uit
je geheugen kan halen
VB: oefeningen maken van de afgelopen weken
3)LEERSTIJLEN
= Leerstijl theorieën gaan ervan uit dat resultaten verbeteren als
de informatie die ze krijgen aansluit bij hun leerstijl→ er is niet 1
‘goede ‘ leerstijl, maar iedereen heeft een Voorkeurs manier om informatie te
verwerken en op te slaan in het geheugen.
→Soorten voorkeursmanieren om info te verwerken: Visueel OF Verbaal
→GEVOLG VOOR LERAREN: er zijn verschillende geheugenvoorkeuren, dus moeten
leerkrachten verschillende manieren gebruiken waarop je info aanbiedt in hun les→
Variëren in strategieën
VB: leerstof verduidelijken met afbeeldingen of video en daarna verbaal met een tekst /
schema met combinatie van woord en beeld is het efficiëntste
•Zintuiglijk rijk: Hoe meer zintuigen betrokken zijn bij een leerproces, hoe meer ervan
zult onthouden.
4)INTELLIGENTIE
= Is het vermogen om problemen op te lossen, om flexibel om te gaan met je
omgeving. Je verzamelt informatie en onthoudt die voor een lange tijd waardoor
je ze op elk moment kan ophalen en in kan zetten wanneer je moet omgaan met
problemen(=doel) → Cognitieve Vaardigheden staan hier centraal (geheugen /
Algemeen kennis / inzicht)
→Er is geen vaste definitie van intelligentie omdat er verschillende aspecten
onderscheiden kunnen worden→ afhankelijk van het vakgebied
•Meervoudige Intelligentie theorie: Deze theorie is eerder controversieel,
omdat andere
vaardigheden buiten cognitieve ook benoemd worden als intelligentie, zoals
muzikale vaardigheden, sociale vaardigheden, emotionele vaardigheden,
praktische vaardigheden. Deze vaardigheden zijn
ook belangrijk om het in het leven te maken, maar daarom moeten ze nog niet
onder de noemer intelligentie vallen.
4.1)WORD JE SLIM GEBOREN?
= Vanaf je geboorte werken er veel genen samen om te zorgen voor een goede
ontwikkeling van ‘intelligentie’ →Nature en Nurture zijn onlosmakelijk met
elkaar verbonden: Ook al heb je een ‘goede’ en ‘slimme’ set genen gekregen,
dan heb je nog steeds een stimulerende omgeving (nurture) nodig om die
vaardigheden tot uiting te laten komen→ 60% en 40%
→ naarmate kinderen ouder worden, de omgeving een grotere invloed zou
spelen, Maar het omgekeerde is waar. Naarmate kinderen ouder worden, gaan
kinderen meer en meer lijken op biologische ouders → Naarmate men ouder
wordt komt de impact van nature dus meer en meer bovendrijven.
•Nature: zijn de erfelijke gene en factoren die je krijgt van je ouders
•Nurture: zijn de omgevingsfactoren die de ontwikkeling van iemand
beïnvloeden