HULPVERLENING EN CULTURELE DIVERSITEIT
Kennisclips
Inleiding
Wat is cultuur?
Edward Burnett Tylor: “that complex whole which includes knowledge, belief, art, morals, law, custom,
and any other capabilities and habits acquired by man as a member of society.”
Geert Hofstede: “the collective programming of the mind that distinguishes the members of one group
of people from another”
Steven J. Heine: “any kind of information (ideas, beliefs, technology, habit, practice) that is acquired
from other members of one’s species through social learning that is capable of affecting an individual’s
behaviors.”
De werkdefinitie van cultuur: gedeeld binnen een groep, doorgegeven of aangeleerd, gesitueerd in het hoofd
(overtuiging, zelfbeeld, emotie) en gesitueerd in de wereld (gewoontes, organisatiestructuren)
Algemene psychologie:
• Context en inhoud doen er niet toe -> ze vormen ruis voor de psyche
• Er is “Psychic unity”
• Doel: zoeken naar universele wetten van psychologisch functioneren
Culturele psychologie: context en inhoud maken deel uit vd psyche -> maken dus deel uit vh te-begrijpen-
fenomeen
Mutual constitution: the study of the ways subject and object, self and other, psyche and culture, person
and context […], live together, require each other, and dynamically, dialectically, and jointly make each
other up (Shweder, 1991, p. 73)
Waarom is dat zo?
o Principe van existentiële onzekerheid: de mens is van nature gemotiveerd om betekenissen
uit zijn sociaal-culturele omgeving te halen.
o Principe van intentionele werelden: mensen en sociaal-culturele omgevingen doordringen
elkaar: “Intentionele werelden" zijn menselijke 'artefactuele' werelden die bevolkt worden door
‘intentionele dingen'. Deze hebben geen identiteit die losstaat van het menselijk begrip; het
zijn geen natuurlijke soorten (bijv. onkruid, schade, zonde, stelen, scheiden, etc.) Mensen
geven er betekenis aan.
Culturele verschillen in Zelf-concept
Zelf-concept:
• Het zelf als “gekend” = “ME” = De verzameling overtuigingen die we hebben over onszelf
• Bv als iemand een vragenlijst invult over zichzelf, is dit waarnaar gevraagd wordt
• Het zelf als “doener” = “I” = de doener en de voeler die verhalen vertelt
Model van zelf:
• Geïnternaliseerde, maar gedeelde representatie van wat het betekent om een ‘goed persoon’ te zijn
• Vaak gelinkt aan wat het betekent om ‘goede relaties’ te hebben met anderen
=> Concept en Model worden geconstrueerd én gelimiteerd in interactie met anderen en de sociale wereld: het
zelf is niet statisch, maar veranderbaar obv ervaringen
Onafhankelijke context:
Ideeën: autonoom individu, belang vd beste te zijn, uniek zijn en winnaar te zijn
Aristoteles begon al hiermee
1
, Interacties: in gesprek afstand bewaren, grenzen v partner bewaken,
ander ook als autonoom inschatten, argumenteren en discussiëren om
die autonomie vast te pinnen
Onafhankelijk model van het zelf:
1. Zelf is verschillend van relaties
2. Zelf-definiërende aspecten binnen het individu
3. Zelf is begrensd en stabiel over verschillende situaties
4. Ingroep-grenzen zijn permeabel of doorlaatbaar: ingroup betreden is niet
al te moeilijk
Onafh. Zelf-enhancement bias:
• Motivatie of bias om het zelf in een positief daglicht te zien
• Focus op waar het zelf goed in is
• Manifesteert zichzelf in brede waaier van self-serving biases (better-than average effect)
Interafhankelijke context:
Ideeën: gelijkheid, inpassen in sociale groep, samen sterk staan, respect
naar anderen (vooral ouderen)
Al in Oost-Aziatische filosofische teksten in begin der tijd
Gesitueerd in relaties met anderen
Interacties: close band, moeien met leven v anderen, voelen v deel te zijn
v groter geheel, kritiek bedoeld om band te versterken, empathie,
innemen v perspectieven v anderen
Interafhankelijk model van het zelf:
1. Zelf is fundamenteel verbonden met anderen
2. Kernaspecten van het zelf zijn gebaseerd op significante relaties
3. Zelf is fluïde en situatie- afhankelijk: iemand is verschillend alleen vs in bijzijn v belangrijke anderen
4. Ingroep-outgroep verschil is scherp / onoverbrugbaar
Interafh. Zelf-kritische bias:
• Motivatie of bias om eigen tekortkomingen te zien
• Focus op waarin het zelf kan verbeteren (perspectief nemen)
• Manifesteert zich in gedragingen die bedoeld zijn om gezichtsverlies te vermijden, om relaties goed te
houden
Culturele verschillen in Motivatie en Agency
Wanneer blijven we doorzetten? ~ Motivatie
Experiment:
• RAT test: remote association test pijlt naar creativiteit
• makkelijk = succes -> doorzetten
• moeilijk = mislukking -> doorzetten
• ‘computer crash’ = wachttijd om tweede deel v experiment voort te
zetten
• 2de set v/d RAT items zijn beschikbaar in wachttijd
• AV: tijd gespendeerd aan het maken van RAT tijdens de wachttijd
• Resultaten: Canada steekt er meer tijd in als ze succes hadden in eerste test, Japan bij mislukking
• Koppeling naar verschillen in zelf-concept: self-serving vs self-enhancement bias
2
,Voor wie zetten we door?
Experiment:
• Té moeilijke anagramtaak = faalsituatie
• "Beschrijf jezelf" vs. “Beschrijf je moeder” na de taak
• Tweede set anagrammen
• Geteld aantal anagrammen proberen te maken
• Na faalsituatie en over zichzelf nadenken was er geen verschil in
prestatie/motivatie, maar de Aziatisch Amerikaanse studenten maakten meer
anagrammen als ze aan hun moeder moesten denken
Experiment:
• Kinderen van 7 tot 9 jaar
• Anagram taken; 6 pijlers over dieren, objecten etc
• Persoonlijke keuze van thema vs. keuze van experimentleider (outgroup) vs.
keuze van moeder (ingroup)
• AV1: # correcte anagrammen
• AV2: tijd om vrij te spelen
• Aantal correcte anagrammen lag hoger bij Europese kinderen als ze zelf
mochten kiezen vs met de moeder
• Voor de Aziatische kinderen scoorden ze beter als de moeder de keuze maakte
• Bij de experimentleider was de prestatie bij beide groepen slechter
Iyengar & Lepper, 1999:
Pre-test: wiskunde test & voorkeuren voor ruimteschip etc.
Experiment:
o Ruimteschip-spel dat de planeet moet bereiken
o Beweegt als kind correcte wiskundige vergelijking maakt
o Keuze van schip verschilt: persoonlijke keuze, keuze v klasgenoten (ingroup) en derdejaars
maken keuze (outgroup)
o AV1: # pogingen tot spelen
Post-test:
o Wiskunde test > moeilijk
o Voorliefde voor spel + voor wiskunde
o AV2: leereffect op de wiskunde-test
tussen pre- & post-test
Resultaten
o Wnr een ingroup een keuze maakt, is
de wiskundige vooruitgang zeer groot
o Wnr een outgroup een keuze maakt, is
er niet veel vooruitgang
Gebrek aan agency? (Markus en Kitayama)
Agency = acting in the world
Onderzocht door medaille winnaars te interviewen: wat draagt bij tot hun winst?
“Ik denk dat ik gewoon geconcentreerd bleef. Het was tijd om de wereld te laten zien wat ik kon doen. Ik ben
gewoon blij dat ik het kon doen. Ik wist dat ik Suzy O'Neil kon verslaan, diep in mijn hart geloofde ik het, en ik
weet dat deze hele week de twijfels binnen bleven sluipen, maar ik zei gewoon, '’Nee, dit is mijn nacht’.” (-
zwemmer)
o Innerlijke overtuigingen, persoonlijke karakteristieken
“Dit is door de beste coach in de wereld, de beste manager in de wereld, en alle mensen die mij steunen - al deze
dingen kwamen samen en werden een gouden medaille. Dus ik denk dat ik dit niet alleen heb verwezenlijkt.” (-
loper)
o Winst schuiven in schoenen v ander of met dank aan anderen
3
, Verschillende vormen v agency:
Onafhankelijke context versus interafhankelijke context
Zelf + motivatiesysteem verschilt tussen beide
Disjoint model: agency wordt bepaald door persoonlijke attributen
Conjoint model: agency wordt bepaald door een samenraapsel van achtergrond, andere personen, eigen
ideeën en persoonlijke attributen
Verder onderzoek naar agency werd gedaan in kader van Hurricane Katrina in de VS (2005)
Studie 1: Perceptie van vertrekkers vs. blijvers
1200 mensen gestorven door niet te evacueren: vaak toegeschreven
aan keuze om te blijven
Er was verplichte evacuatie dus negeren hiervan was hun eigen ding
Als er gevraagd werd om vertrekkers en blijvers te omschrijven,
werden de blijvers negatief beschreven en de vertrekkers positief
Studie 2: Overlevingsverhalen van vertrekkers vs. blijvers
Vertrekkers reageerden uit een DISjoint model
o Goede acties:
Invloed uitoefenen op omgeving
Volgens individuele motieven, doelen en voorkeuren
o Goede orkaanoverlevende
Beïnvloedde de situatie
Overwon de situationele beperkingen
Vond een manier om zich te evacueren door onafhankelijkheid
o De meeste waren witte, Europees-Amerikanen uit middenklasse.
Hoger inkomen, hoog geschoold, meer toegang tot informatie, meer middelen om
daadwerkelijk te evacueren (auto, brandstof, vrienden/familie in andere staten).
Blijvers: CONjoint model
o Goede acties:
Aanpassen aan de omgeving
Bevorderen vd onderlinge afhankelijkheid met andere mensen
o Goede orkaanoverlevende
Paste aan aan de situatie, aanvaardde de situationele beperkingen
Bleef en bleef samen sterk door de onderlinge afhankelijkheid en het geloof in God
o De meeste waren gekleurde, Afrikaans-Amerikanen uit arbeidersklasse
Lager inkomen, laag geschoold, geen/minder toegang tot informatie, geen/minder
middelen om daadwerkelijk te evacueren (auto, brandstof, vrienden/familie in
andere staten)
Conclusie: Alle handelingen en acties moeten worden opgevat als een product van wat het individu kan doen
gezien de middelen van de sociaal-culturele context.
Is het een keuze of niet?
4
Kennisclips
Inleiding
Wat is cultuur?
Edward Burnett Tylor: “that complex whole which includes knowledge, belief, art, morals, law, custom,
and any other capabilities and habits acquired by man as a member of society.”
Geert Hofstede: “the collective programming of the mind that distinguishes the members of one group
of people from another”
Steven J. Heine: “any kind of information (ideas, beliefs, technology, habit, practice) that is acquired
from other members of one’s species through social learning that is capable of affecting an individual’s
behaviors.”
De werkdefinitie van cultuur: gedeeld binnen een groep, doorgegeven of aangeleerd, gesitueerd in het hoofd
(overtuiging, zelfbeeld, emotie) en gesitueerd in de wereld (gewoontes, organisatiestructuren)
Algemene psychologie:
• Context en inhoud doen er niet toe -> ze vormen ruis voor de psyche
• Er is “Psychic unity”
• Doel: zoeken naar universele wetten van psychologisch functioneren
Culturele psychologie: context en inhoud maken deel uit vd psyche -> maken dus deel uit vh te-begrijpen-
fenomeen
Mutual constitution: the study of the ways subject and object, self and other, psyche and culture, person
and context […], live together, require each other, and dynamically, dialectically, and jointly make each
other up (Shweder, 1991, p. 73)
Waarom is dat zo?
o Principe van existentiële onzekerheid: de mens is van nature gemotiveerd om betekenissen
uit zijn sociaal-culturele omgeving te halen.
o Principe van intentionele werelden: mensen en sociaal-culturele omgevingen doordringen
elkaar: “Intentionele werelden" zijn menselijke 'artefactuele' werelden die bevolkt worden door
‘intentionele dingen'. Deze hebben geen identiteit die losstaat van het menselijk begrip; het
zijn geen natuurlijke soorten (bijv. onkruid, schade, zonde, stelen, scheiden, etc.) Mensen
geven er betekenis aan.
Culturele verschillen in Zelf-concept
Zelf-concept:
• Het zelf als “gekend” = “ME” = De verzameling overtuigingen die we hebben over onszelf
• Bv als iemand een vragenlijst invult over zichzelf, is dit waarnaar gevraagd wordt
• Het zelf als “doener” = “I” = de doener en de voeler die verhalen vertelt
Model van zelf:
• Geïnternaliseerde, maar gedeelde representatie van wat het betekent om een ‘goed persoon’ te zijn
• Vaak gelinkt aan wat het betekent om ‘goede relaties’ te hebben met anderen
=> Concept en Model worden geconstrueerd én gelimiteerd in interactie met anderen en de sociale wereld: het
zelf is niet statisch, maar veranderbaar obv ervaringen
Onafhankelijke context:
Ideeën: autonoom individu, belang vd beste te zijn, uniek zijn en winnaar te zijn
Aristoteles begon al hiermee
1
, Interacties: in gesprek afstand bewaren, grenzen v partner bewaken,
ander ook als autonoom inschatten, argumenteren en discussiëren om
die autonomie vast te pinnen
Onafhankelijk model van het zelf:
1. Zelf is verschillend van relaties
2. Zelf-definiërende aspecten binnen het individu
3. Zelf is begrensd en stabiel over verschillende situaties
4. Ingroep-grenzen zijn permeabel of doorlaatbaar: ingroup betreden is niet
al te moeilijk
Onafh. Zelf-enhancement bias:
• Motivatie of bias om het zelf in een positief daglicht te zien
• Focus op waar het zelf goed in is
• Manifesteert zichzelf in brede waaier van self-serving biases (better-than average effect)
Interafhankelijke context:
Ideeën: gelijkheid, inpassen in sociale groep, samen sterk staan, respect
naar anderen (vooral ouderen)
Al in Oost-Aziatische filosofische teksten in begin der tijd
Gesitueerd in relaties met anderen
Interacties: close band, moeien met leven v anderen, voelen v deel te zijn
v groter geheel, kritiek bedoeld om band te versterken, empathie,
innemen v perspectieven v anderen
Interafhankelijk model van het zelf:
1. Zelf is fundamenteel verbonden met anderen
2. Kernaspecten van het zelf zijn gebaseerd op significante relaties
3. Zelf is fluïde en situatie- afhankelijk: iemand is verschillend alleen vs in bijzijn v belangrijke anderen
4. Ingroep-outgroep verschil is scherp / onoverbrugbaar
Interafh. Zelf-kritische bias:
• Motivatie of bias om eigen tekortkomingen te zien
• Focus op waarin het zelf kan verbeteren (perspectief nemen)
• Manifesteert zich in gedragingen die bedoeld zijn om gezichtsverlies te vermijden, om relaties goed te
houden
Culturele verschillen in Motivatie en Agency
Wanneer blijven we doorzetten? ~ Motivatie
Experiment:
• RAT test: remote association test pijlt naar creativiteit
• makkelijk = succes -> doorzetten
• moeilijk = mislukking -> doorzetten
• ‘computer crash’ = wachttijd om tweede deel v experiment voort te
zetten
• 2de set v/d RAT items zijn beschikbaar in wachttijd
• AV: tijd gespendeerd aan het maken van RAT tijdens de wachttijd
• Resultaten: Canada steekt er meer tijd in als ze succes hadden in eerste test, Japan bij mislukking
• Koppeling naar verschillen in zelf-concept: self-serving vs self-enhancement bias
2
,Voor wie zetten we door?
Experiment:
• Té moeilijke anagramtaak = faalsituatie
• "Beschrijf jezelf" vs. “Beschrijf je moeder” na de taak
• Tweede set anagrammen
• Geteld aantal anagrammen proberen te maken
• Na faalsituatie en over zichzelf nadenken was er geen verschil in
prestatie/motivatie, maar de Aziatisch Amerikaanse studenten maakten meer
anagrammen als ze aan hun moeder moesten denken
Experiment:
• Kinderen van 7 tot 9 jaar
• Anagram taken; 6 pijlers over dieren, objecten etc
• Persoonlijke keuze van thema vs. keuze van experimentleider (outgroup) vs.
keuze van moeder (ingroup)
• AV1: # correcte anagrammen
• AV2: tijd om vrij te spelen
• Aantal correcte anagrammen lag hoger bij Europese kinderen als ze zelf
mochten kiezen vs met de moeder
• Voor de Aziatische kinderen scoorden ze beter als de moeder de keuze maakte
• Bij de experimentleider was de prestatie bij beide groepen slechter
Iyengar & Lepper, 1999:
Pre-test: wiskunde test & voorkeuren voor ruimteschip etc.
Experiment:
o Ruimteschip-spel dat de planeet moet bereiken
o Beweegt als kind correcte wiskundige vergelijking maakt
o Keuze van schip verschilt: persoonlijke keuze, keuze v klasgenoten (ingroup) en derdejaars
maken keuze (outgroup)
o AV1: # pogingen tot spelen
Post-test:
o Wiskunde test > moeilijk
o Voorliefde voor spel + voor wiskunde
o AV2: leereffect op de wiskunde-test
tussen pre- & post-test
Resultaten
o Wnr een ingroup een keuze maakt, is
de wiskundige vooruitgang zeer groot
o Wnr een outgroup een keuze maakt, is
er niet veel vooruitgang
Gebrek aan agency? (Markus en Kitayama)
Agency = acting in the world
Onderzocht door medaille winnaars te interviewen: wat draagt bij tot hun winst?
“Ik denk dat ik gewoon geconcentreerd bleef. Het was tijd om de wereld te laten zien wat ik kon doen. Ik ben
gewoon blij dat ik het kon doen. Ik wist dat ik Suzy O'Neil kon verslaan, diep in mijn hart geloofde ik het, en ik
weet dat deze hele week de twijfels binnen bleven sluipen, maar ik zei gewoon, '’Nee, dit is mijn nacht’.” (-
zwemmer)
o Innerlijke overtuigingen, persoonlijke karakteristieken
“Dit is door de beste coach in de wereld, de beste manager in de wereld, en alle mensen die mij steunen - al deze
dingen kwamen samen en werden een gouden medaille. Dus ik denk dat ik dit niet alleen heb verwezenlijkt.” (-
loper)
o Winst schuiven in schoenen v ander of met dank aan anderen
3
, Verschillende vormen v agency:
Onafhankelijke context versus interafhankelijke context
Zelf + motivatiesysteem verschilt tussen beide
Disjoint model: agency wordt bepaald door persoonlijke attributen
Conjoint model: agency wordt bepaald door een samenraapsel van achtergrond, andere personen, eigen
ideeën en persoonlijke attributen
Verder onderzoek naar agency werd gedaan in kader van Hurricane Katrina in de VS (2005)
Studie 1: Perceptie van vertrekkers vs. blijvers
1200 mensen gestorven door niet te evacueren: vaak toegeschreven
aan keuze om te blijven
Er was verplichte evacuatie dus negeren hiervan was hun eigen ding
Als er gevraagd werd om vertrekkers en blijvers te omschrijven,
werden de blijvers negatief beschreven en de vertrekkers positief
Studie 2: Overlevingsverhalen van vertrekkers vs. blijvers
Vertrekkers reageerden uit een DISjoint model
o Goede acties:
Invloed uitoefenen op omgeving
Volgens individuele motieven, doelen en voorkeuren
o Goede orkaanoverlevende
Beïnvloedde de situatie
Overwon de situationele beperkingen
Vond een manier om zich te evacueren door onafhankelijkheid
o De meeste waren witte, Europees-Amerikanen uit middenklasse.
Hoger inkomen, hoog geschoold, meer toegang tot informatie, meer middelen om
daadwerkelijk te evacueren (auto, brandstof, vrienden/familie in andere staten).
Blijvers: CONjoint model
o Goede acties:
Aanpassen aan de omgeving
Bevorderen vd onderlinge afhankelijkheid met andere mensen
o Goede orkaanoverlevende
Paste aan aan de situatie, aanvaardde de situationele beperkingen
Bleef en bleef samen sterk door de onderlinge afhankelijkheid en het geloof in God
o De meeste waren gekleurde, Afrikaans-Amerikanen uit arbeidersklasse
Lager inkomen, laag geschoold, geen/minder toegang tot informatie, geen/minder
middelen om daadwerkelijk te evacueren (auto, brandstof, vrienden/familie in
andere staten)
Conclusie: Alle handelingen en acties moeten worden opgevat als een product van wat het individu kan doen
gezien de middelen van de sociaal-culturele context.
Is het een keuze of niet?
4