Micro-economie
Hoofdstuk 1:
De gemengde economie (= een markteconomie met overheidsinterventie), werkte goed voor
onze analyses, maar wel enkele tekortkomingen:
Vrije markteconomie: bedrijven en consumenten beslissen wat er geproduceerd wordt op basis
van vraag en aanbod.
Planeconomie: de overheid beslist wat er geproduceerd wordt en tegen welke prijs
→Gemengde economie bevindt zich tussen deze 2.
- interacties tussen het economische systeem en de fysieke omgeving: milieuproblemen,
gezondheidsproblemen; = NEGATIEVE EXTERNALITEITEN (prijs van schade wordt niet
altijd opgenomen, zowel niet voor producent als consument)
- aanhoudende inkomens- en welvaartsongelijkheid, blijvende armoede
Blijft eerste jaren constant → dan explosieve groei van bbp per capita
Kapitalistische revolutie – explosieve groei – privaat eigendom (bedrijven zijn eigenaars van
input en output) + ondernemingen zijn de eenheden vd productie (niet de staat) + vrije markt
(consumenten zijn vrij om goederen te kopen)
2 elementen:
- Concurrentie (private ondernemingen willen winst maken) – motivatie om te innoveren
→ technologische vooruitgang
- Bedrijven groeien → meer specialisatie mogelijk → arbeiders kunnen zich meer gaan
specialiseren → groei
1
,Verschillende factoren kunnen zorgen voor een goede of slechte groei: bv.
- Overheidsstimulans (bedrijven stimuleren, onderwijs stimuleren – om internationaal
competitief te zijn) → groei
- Onvrede onder de bevolking door kapitalisme, corruptie → overheid faalt → daling
Maar ook de gemengde economie is verre van perfect:
→goede productie → meer vervuiling →gezondheidsrisicos
→negatieve externaliteiten worden niet altijd opgenomen
→systematische ongelijkheid
→armoede
Economics as part of the physical environment
Gezinnen bieden arbeid, aan productieprocessen van bedrijven
Bedrijven leveren goederen
Vervuiling van bedrijven en gezinnen, moet ook opgenomen worden in prijs van product
2
,→Klimaatverandering:
- CO2- aantal deeltjes per miljoen deeltjes zuurstof – enorm sterk toegenomen
sinds industriele revolutie
→Pandemie: COVID 19:
→Persistente ongelijkheid – Thomas Piketty:
→aandeel van rijkste 0,1% in inkomens van een land
→serieus afgenomen, maar lijkt weer toe te nemen
Hoe kan 0,1% rijkste nog 3% van total inkomen bevatten?
- Scholingsgraad
- Beleid (minimumlonen, onderwijsbeleid)
→Return to capital and growth
R- rendement op kapitaal
G – groeivoet, economische groei
Als R>G, dan zal kapitaal meer geconcentreerd zijn (als je een groot vermogen
hebt en interest op vermogen is groter dna totale winst op economie, zal
vermogen sneller aangroeien dus, meer geconcentreerd zijn)
Als G>R: invloed van kapitaal neemt af, vermogen neemt minders snel aan dan
hele economie, minder ongelijkheid, minder concentratie
→Top income tax rates
Wat kan beleid doen aan ongelijkheid?
- Belastingsvoeten op top-inkomens
Ongelijkheid mag er zijn, want willen verdiensten wel belonen
Teveel concentratie van macht wel vermijden, want andrs minder concurrentie
en is slecht voor economie, is ook slecht voor democratie en leidt tot onvrede,…
3
,Doel van micro-economie?
- Cruciaal om bedrijfsbeslissingen te begrijpen:
o Pricing,investments, advertising,…
- Cruciaal om het effect van overheidsinterventies op jouw bedrijf etc te begrijpen
➔Micro-economics zou moeten leiden tot betere beslissingen bij bedrijven en
overheden
4
,Hoofdstuk 2: Demand and Supply Analysis
1. A quick review: demand, supply, equilibrium, elasticities
Evenwicht: vraag=aanbod
Vraagoverschot = aanbodtekort:
→P=3, er wordt meer gevraagd dan
aangeboden, producenten gaan meer
produceren, prijs stijgt
Vraagtekort = aanbodoverschot:
→P=5, er wordt meer aangeboden dan
gevraagd, producenten gaan minder
produceren, prijs daalt
➔Bewegen op de curve → als prijs verandert
Verschuivingen in aanbod en vraag:
➔Verschuiving van de curve:
- Wanneer een andere factor dan de prijs verandert, bv. inkomen stijg, toename
productiekosten
Positieve vraagschok [Vraagcurve schuift op naar rechts] : bv. inkomens stijgen
Negatieve aanbodschok [aanbodscurve schuift naar links]: toename productiekosten
Positieve aanbodschok [aanbodscurve verschuift naar rechts]: technologische vooruitgang
5
, Elasticiteiten
= meet hoe producenten en consumenten reageren op veranderingen in de marktcondies
= Effect van een veranderende variabele op de vraag en/of aanbod
Voorbeelden:
• Prijselasticiteit van vraag en aanbod
o =Hoe verandert aanbod en vraag, bij een verandering in prijs
• Kruiselingse prijselasticiteit van vraag en aanbod
o = Wat is het effect van een verandering in de prijs van product x, op de
hoeveelheid van product y.
• Inkomenselasticiteit van de vraag
o Wat is het effect op de vraag, als het inkomen toe of afneemt
• Reclame elasticiteit van de vraag
• Loonelasticiteit van aanbod
• …
Elasticiteiten van de vraag
1) Prijselasticiteit van de vraag
- = Als prijs met 1% verandert, met hoeveel % verandert de vraag
- Vb. prijs stijgt van 2 naar 2.20, en hoeveelheid vermindert van 10 naar 8.
→Als de prijs stijgt met 1% daalt de vraag met 2% of
→Als prijs daalt met 1% stijgt de vraag met 2%
→Formule is gevoelig aan richting. Stel prijs daalt van 2.20 naar 2 euro en hoeveelheid
stijgt daardoor van 8 naar 10 krijgen we een prijselasticiteit van -2.75
2) Boogelasticiteit (oplossing richtingsgevoeligheid: Is niet richting gevoelig!!)
- Je deelt hier ipv door Qd en P, door gemiddelde van hoeveelheden en prijzen
6
Hoofdstuk 1:
De gemengde economie (= een markteconomie met overheidsinterventie), werkte goed voor
onze analyses, maar wel enkele tekortkomingen:
Vrije markteconomie: bedrijven en consumenten beslissen wat er geproduceerd wordt op basis
van vraag en aanbod.
Planeconomie: de overheid beslist wat er geproduceerd wordt en tegen welke prijs
→Gemengde economie bevindt zich tussen deze 2.
- interacties tussen het economische systeem en de fysieke omgeving: milieuproblemen,
gezondheidsproblemen; = NEGATIEVE EXTERNALITEITEN (prijs van schade wordt niet
altijd opgenomen, zowel niet voor producent als consument)
- aanhoudende inkomens- en welvaartsongelijkheid, blijvende armoede
Blijft eerste jaren constant → dan explosieve groei van bbp per capita
Kapitalistische revolutie – explosieve groei – privaat eigendom (bedrijven zijn eigenaars van
input en output) + ondernemingen zijn de eenheden vd productie (niet de staat) + vrije markt
(consumenten zijn vrij om goederen te kopen)
2 elementen:
- Concurrentie (private ondernemingen willen winst maken) – motivatie om te innoveren
→ technologische vooruitgang
- Bedrijven groeien → meer specialisatie mogelijk → arbeiders kunnen zich meer gaan
specialiseren → groei
1
,Verschillende factoren kunnen zorgen voor een goede of slechte groei: bv.
- Overheidsstimulans (bedrijven stimuleren, onderwijs stimuleren – om internationaal
competitief te zijn) → groei
- Onvrede onder de bevolking door kapitalisme, corruptie → overheid faalt → daling
Maar ook de gemengde economie is verre van perfect:
→goede productie → meer vervuiling →gezondheidsrisicos
→negatieve externaliteiten worden niet altijd opgenomen
→systematische ongelijkheid
→armoede
Economics as part of the physical environment
Gezinnen bieden arbeid, aan productieprocessen van bedrijven
Bedrijven leveren goederen
Vervuiling van bedrijven en gezinnen, moet ook opgenomen worden in prijs van product
2
,→Klimaatverandering:
- CO2- aantal deeltjes per miljoen deeltjes zuurstof – enorm sterk toegenomen
sinds industriele revolutie
→Pandemie: COVID 19:
→Persistente ongelijkheid – Thomas Piketty:
→aandeel van rijkste 0,1% in inkomens van een land
→serieus afgenomen, maar lijkt weer toe te nemen
Hoe kan 0,1% rijkste nog 3% van total inkomen bevatten?
- Scholingsgraad
- Beleid (minimumlonen, onderwijsbeleid)
→Return to capital and growth
R- rendement op kapitaal
G – groeivoet, economische groei
Als R>G, dan zal kapitaal meer geconcentreerd zijn (als je een groot vermogen
hebt en interest op vermogen is groter dna totale winst op economie, zal
vermogen sneller aangroeien dus, meer geconcentreerd zijn)
Als G>R: invloed van kapitaal neemt af, vermogen neemt minders snel aan dan
hele economie, minder ongelijkheid, minder concentratie
→Top income tax rates
Wat kan beleid doen aan ongelijkheid?
- Belastingsvoeten op top-inkomens
Ongelijkheid mag er zijn, want willen verdiensten wel belonen
Teveel concentratie van macht wel vermijden, want andrs minder concurrentie
en is slecht voor economie, is ook slecht voor democratie en leidt tot onvrede,…
3
,Doel van micro-economie?
- Cruciaal om bedrijfsbeslissingen te begrijpen:
o Pricing,investments, advertising,…
- Cruciaal om het effect van overheidsinterventies op jouw bedrijf etc te begrijpen
➔Micro-economics zou moeten leiden tot betere beslissingen bij bedrijven en
overheden
4
,Hoofdstuk 2: Demand and Supply Analysis
1. A quick review: demand, supply, equilibrium, elasticities
Evenwicht: vraag=aanbod
Vraagoverschot = aanbodtekort:
→P=3, er wordt meer gevraagd dan
aangeboden, producenten gaan meer
produceren, prijs stijgt
Vraagtekort = aanbodoverschot:
→P=5, er wordt meer aangeboden dan
gevraagd, producenten gaan minder
produceren, prijs daalt
➔Bewegen op de curve → als prijs verandert
Verschuivingen in aanbod en vraag:
➔Verschuiving van de curve:
- Wanneer een andere factor dan de prijs verandert, bv. inkomen stijg, toename
productiekosten
Positieve vraagschok [Vraagcurve schuift op naar rechts] : bv. inkomens stijgen
Negatieve aanbodschok [aanbodscurve schuift naar links]: toename productiekosten
Positieve aanbodschok [aanbodscurve verschuift naar rechts]: technologische vooruitgang
5
, Elasticiteiten
= meet hoe producenten en consumenten reageren op veranderingen in de marktcondies
= Effect van een veranderende variabele op de vraag en/of aanbod
Voorbeelden:
• Prijselasticiteit van vraag en aanbod
o =Hoe verandert aanbod en vraag, bij een verandering in prijs
• Kruiselingse prijselasticiteit van vraag en aanbod
o = Wat is het effect van een verandering in de prijs van product x, op de
hoeveelheid van product y.
• Inkomenselasticiteit van de vraag
o Wat is het effect op de vraag, als het inkomen toe of afneemt
• Reclame elasticiteit van de vraag
• Loonelasticiteit van aanbod
• …
Elasticiteiten van de vraag
1) Prijselasticiteit van de vraag
- = Als prijs met 1% verandert, met hoeveel % verandert de vraag
- Vb. prijs stijgt van 2 naar 2.20, en hoeveelheid vermindert van 10 naar 8.
→Als de prijs stijgt met 1% daalt de vraag met 2% of
→Als prijs daalt met 1% stijgt de vraag met 2%
→Formule is gevoelig aan richting. Stel prijs daalt van 2.20 naar 2 euro en hoeveelheid
stijgt daardoor van 8 naar 10 krijgen we een prijselasticiteit van -2.75
2) Boogelasticiteit (oplossing richtingsgevoeligheid: Is niet richting gevoelig!!)
- Je deelt hier ipv door Qd en P, door gemiddelde van hoeveelheden en prijzen
6