MODULE 1: VERLOSKUNDE ANNO 2025
INLEIDING
Verloskunde = kunde, leer, wetenschap die zich bezighoudt met zwangerschap, bevalling en geboorte
Fysiologisch proces → als zorgverlener: “watchfull waiting”
Anderzijds : problemen op tijd opmerken / anticiperen
Zwangerschap = stress-test voor vrouw → nodige reserves om op terug te vallen
Veranderingen in zwangere populatie → meer mogelijkheden MAAR ook nieuwe medische en ethische uitdagingen
- Zwangere populatie: ouder, meer obesitas, meer co-morbiditeit, meer medicatiegebruik
- Vooruitgang fertiliteit: vrouwen die eerder niet spontaan zwanger zouden worden, nu wel
- Vrouwen met onderliggende pathologie: vroeger lage levensverwachting -> nu wel vruchtbare leeftijd bereiken
Subdisciplines gynaecologie-verloskunde:
- Benigne gynaecologie
- Fertiliteit
- Gynaecologische oncologie
- Verloskunde
➔ Verschillende zorgpaden binnen verloskunde:
o Laagrisico verloskunde → zwangerschap zonder RF → opvolging 1-2de lijn
o Hoogrisico verloskunde → zwangerschap met verhoogd risico → opvolging 2-3de lijn
Obsterische complicaties Zwangerschapsdiabetes, groeirestrictie, placenta previa, preeclampsie,
peripartumcomplicaties zoals schouderdystocie of bloeding
Prenatale diagnostiek en Foetus met congenitale of genetische afwijkingen
foetale therapie
Maternale geneeskunde Zwangerschappen bij vrouwen met onderliggende medische aandoeningen
!! of een zwangerschap laagrisico is, weet je pas wanneer zwangerschap en bevalling ongecompliceerd verlopen is !!
MATERNALE EN PERINATALE MORTALITEIT EN MORBIDITEIT
MATERNALE MORTALITEIT EN MORBIDITEIT
Maternale mortaliteit = dood van vrouw terwijl zwanger of binnen 42d na het einde van de zwangerschap, ten gevolge van
directe en indirecte oorzaken
Directe sterfte Gevolg van
- complicaties van zwangerschap, bevalling en kraambed
- interventies
- onjuiste behandeling
- reeks van gebeurtenissen die voortvloeien uit deze complicaties
bv trombose, bloeding (antepartum (bv placenta previa), peripartum (uterusruptuur), postpartum) , infectie/sepsis,
hypertensie/preeclampsie, vruchtwaterembolie, zelfmoord, geobstrueerde arbeid, onveilige abortus, extrauteriene
zwangerschap
1
, Indirecte Gevolg van
sterfte - vooraf bestaande ziekte
- ziekte die zich tijdens zwangerschap ontw heeft en door zwangerschap dermate ernstig is
geworden dat ze tot overlijden heeft geleid
bv hartziekte, epilepsie, HIV/AIDS, malaria, influenza/covid, kanker, diabetes, systeemlupus, trauma, geweld, drugs
Toevallige Als zwangerschap geen invloed had op beloop
sterfte ➔ In dit geval: niet spreken van moedersterfte
Maternale mortaliteitsratio (MMR)
= aantal vrouwen dat overlijdt direct/indirect ten gevolge van zwangerschap, bevalling of kraambed, per 100 000 levend
geboren kinderen
➔ Opvallend: ongelijke geografische distributie
Wereldwijd Ontwikkelingslanden Welvarende landen België
MMR = 211 per 100 000 MMR = 462 per 100 000 MMR = 11 per 100 000 MMR = 5 per 100 000
maternale sterfte verlagen:
- Verbetering zorgaanbod
- Toegang tot gezondheidszorg
- Correcte informatie in ontwikkelingslanden
➔ Tegen 2030: MMR proberen verlagen naar minder dan 70 per 100 000 levendgeboortes waarbij geen enkel lang
een MMR heeft die dubbel zo hoog is als het wereldwijde gemiddelde
= één van de Sustainable Development Goals (SDG3) van de UN
Mortaliteitsoorzaken in Europa:
Trombo-embolische complicaties
Vooraf bestaand cardiaal lijden
Sepsis Genitaal-obsterisch
Indirect: covid, influenza, pneumonie
Psychiatrische aandoeningen Zelfmoord, alcohol/drugs
Neurologische aandoeningen Epilepsie, CVA
Postpartumbloeding
Pre-eclampsie
Vruchtwaterembool
kanker
Mortaliteitsoorzaken wereldwijd:
28% Indirecte oorzaken
27% Verloskundige bloeding
14% Hypertensie/ (pre) eclampsie
11% Sepsis
10% Andere directe oorzaken
8% Abortus
3% Trombose
Verdieping: zie module op toledo
2
,Maternale morbiditeit
Belangrijkste oorzaken wereldwijd:
Bloedingsgerelateerde complicaties DIC, bloedtransfusiereactie, MOF na hypovolemische
shock, hysterectomie
Hypertensieve complicaties HF, CVA, eclampsie, cardiomyopathie
postpartumdepressie
PID (pelvic inflammatory disease), sepsis
Fistels (vesicovaginaal, rectovaginaal), perineumruptuur, uterusprolaps
Infertiliteit
PERINATALE MORTALITEIT
= antenatale sterften (na 22w of > 500g) + vroege neonatale sterften (eerste levensweek)
Per 1000 geboorten
Oorzaken:
- Immaturiteit/prematuriteit
- Congenitale afwijkingen → structureel, chromosomaal, artimieën, congenitale infecties
- Infectie/sepsis
- Navelstrengaccident
- Intrapartum asfyxie of trauma
- Abruptio placentae
- IUGR
- (zwangerschapsabrekingen)
Grootteorde → welvarende landen : 5 – 10 per 1000 geboorten (hier ook geografische schommeling)
In Vlaanderen (2023) → perinatale mortaliteit van 6,6 %0 (5,3 foetaal en 1,3 vroeg-neonataal)
Perinatale mortaliteit foetaal Vroeg-neonataal
Éénling 6,2 per 1000 5,0 1,1
meerling 20,2 per 1000 13,6 6,6
TERMINOLOGIE
Zie p5-7
3
, MODULE 2: ZWANGERSCHAPSFYSIOLOGIE EN KLINISCHE IMPLICATIES
Het vrouwelijk genitaal stelsel
- produceert haploide eicellen (oogenese) thv de ovaria
- maakt bevruchting mogelijk thv de eileiders
- voorziet een goede fysische en hormonale omgeving voor de implanting en ontwikkeling van het embryo in de
uterus
DE MENSTRUELE CYCLUS
= processen die leiden tot ovulatie, bevruchting en implanting van de bevruchte eicel
→ complex, nog steeds niet volledig opgehelderd
Gevolg van samenspel tussen hypothalamus, hypofyse, ovarium en baarmoederslijmvlies
OVARIUM
Hypothalamus: Gn-RH (=gonadotrofine-releasing hormoon)
➔ Stimuleert hypofyse → zet vrij:
- LH = luteiniserend hormoon
- FSH = follikelstimulerend hormoon
→Stimuleren ovarium → productie oestrogeen en
progesteron
+ ovarium produceert eicellen (= gametogenese)
Lage oestrogeen (= begin en einde cyclus)
Hypofyse gestimuleerd tot FSH productie → groei van follikels stim:
- aanmaak oestrogeen neemt toe
- granulosacellen maken inhibine en AMH aan
→beide hormoonstijgingen → FSH- productie onderdrukken
in adenohypofyse
Daardoor: enkel dominante follikel kan verder groeien (=
grootste, met meeste FSH-receptoren)
→ oestrogeenpiek
Oestrogeenpiek
Adenohypofyse gestimuleerd tot LH-piek en kleinere FSH-piek → lokt
ovulatie uit
LH stimuleert:
- lokale productie prostaglandines en proteolytische enzymen
- ontwikkeling corpus luteum → produceert progesteron
ENDOMETRIUM
Cyclische veranderingen in oestrogeen en progesteron → veranderingen thv endometrium
Proliferatieve fase toename epitheliale en stromale cellen:
(Oiv oestrogeen) - vergroting klierbuizen
- vergroting endometriale dikte: 1-2mm tot 10-12mm
Secretoire fase minder mitotische activiteit + tortueuze uitgezette klierbuizen met accumulatie glycogeen
(oiv progesteron: 2d na ➔ geen bevruchting: conc oestradiol en progesteron dalen → menstruatie
ovulatie)
4