Sociale psychologie:
deel 2
Van Acker, Meeussen
Hannelore Bruurs
Academiejaar 2024 – 2025
, COLLEGE 1: INLEIDING SOCIALE PSYCHOLOGIE
1. Wat is sociale psychologie
Wat is sociale psychologie en hoe verschilt het van andere disciplines
Sociale psychologie: wetenschappelijk onderzoek naar de manier waarop gedachten, gevoelens en gedragingen
worden beïnvloed door anderen
(gedrag = wat mensen daadwerkelijk doen dat objectief gemeten kan worden)
1) Gedachten, gevoelens, gedrag = psyche, psychologische processen
2) Invloed van anderen: sociale focus
Invloed van anderen:
Die fysiek aanwezig zijn bv. leerlingen in de aula hebben invloed op de prof
Die in gedachten aanwezig zijn bv. door ruzie met kotgenoot zijn gedachten bezig met deze persoon waardoor het
invloed heeft op het hier en nu
Die geïmpliceerd zijn bv. normen en waarden rond onderwijs die men meekreeg van thuis, als ouders veel waarde
hechten aan een goede opleiding, dan zal het kind misschien beter opletten in de les
2. Verschillende verklaringsniveaus
Verkaringsniveau = types concepten, mechanismen en taal gebruikt om een fenomeen te verklaren
1) Intrapersoonlijk (persoon in context) micro niveau
o Individueel niveau: processen binnen de persoon
o Hoe je zelf denkt of voelt over bepaalde dingen
o Voor een stuk ook cultureel meegegeven: eerdere ervaringen, opvoeding maar in dit niveau gaat het om
individuele omgang hiermee (verzetten of toepassen)
o Bv. stereotypen sturen je oordeel over de kwaliteiten van de kandidaat
2) Interpersoonlijk (relaties) micro niveau
o Hoe andere jou beïnvloeden in beslissing, gedrag, denken
o Interacties, relaties, situaties
o Bv. een opmerking van student naast je activeerde een stereotype
3) Positioneel (groepen) meso niveau
o Compositie/samenstelling van groep kan invloed hebben op beslissing
o Samenstelling van groep
o Status van persoon, groepslidmaatschap, groepsrelaties
o Bv. samenstelling van bedrijf (bv. veel ouderen) maakt vrouwen/ouderen minder/meer welkom (bv.
omdat ze meer of minder in de groep passen)
4) Ideologisch (cultureel) macro niveau
o Wetgeving (bv. over discriminatie)
o Denkbeelden en ideologieën die aanwezig zijn in een maatschappij
o Rol van algemene opvattingen en ideeën, groepsrelaties, culturele betekenissen en praktijken
o Bv. de samenleving typeert vrouwen en mannen zodanig dat ze voor sommige rollen ongeschikt lijken
Al deze niveaus van verklaring zijn waar en relevant
Reductionism = explanation of a phenomenon in terms of the language and concepts of a lower level of analysis,
usually with a loss of explanatory power
Reductionisme = als je probeert het hele fenomeen terug te brengen tot één enkel niveau van verklaring
Slechts kijken naar één verklaringsniveau voor een studie is verkeerd, meerdere verklaringsniveaus zijn mogelijk
Men weet niet of gevonden niveau van verklaring het belangrijkste niveau is
, Voorbeeld
Je hebt een vacature voor leidinggevende, welke kandidaat neem je aan voor een leidinggevende functie?
Kandidaat A: oudere vrouw
Kandidaat B: jongere man
Keuze beïnvloed door (reactie tegen) stereotypen over mannen en vrouwen, jongere of oudere mensen?
1) Intrapersoonlijk
o Mate waarin je zelf bepaalt welke eigenschappen of kenmerken iemand geschikt maken voor
leidinggevende functie
o Stereotypen kleuren je oordeel over persoon
Vrouw: vriendelijk, zorgend, passief, zwak
Man: competent, sterk, dominant, agressief
o Stereotypes komen voor op 2 dimensies: competentie (mannen hoger) en
warmte (vrouwen hoger)
o Stereotypes kleurden mogelijk (bewust of onbewust) je keuze of je kennis over
die stereotypen en je feministische idealen maakten dat je er tegenin ging
o Wat met vrouwelijke leidinggevende rollen? tegenstrijdig
Worden mannen gediscrimineerd?
Soms glass escalator: glazen lift = mannen in vrouwelijke leiderschapsrollen hebben extra
voordeel omdat ze opvallen: hierdoor meer kans op positieve evaluatie en promotie
2) Interpersoonlijk
o Als de omgeving de stereotypen relevant maakt, zullen
ze meer doorwegen in je oordeel
o Bv. de voorzitter van de sollicitatiecommissie heeft net
een seksistische opmerking gemaakt
o Bv. opmerking interviewer: “Op sommige momenten
moet je in deze job zware producten verplaatsen. Dat
kan een beetje gevaarlijk zijn – maar de jongens zullen
een aardige jongedame als jij vast wel helpen”
Uit onderzoek blijft dat invloed van deze opmerking afhangt van het beeld van de interviewer
3) Positioneel
o Vertegenwoordiging van groepen in bepaalde context
o Bv. in een jonge startup zal een oudere kandidaat mogelijk minder kans maken of zelf afhaken
4) Ideologisch
o Positie van vrouwen is beter in samenlevingen met een minder seksistische ideologie
Onderscheid: vijandig en welwillend seksisme
Vijandig: overduidelijk negatieve uitspraken
Welwillend: positieve denkbeelden die op subtiele manier weergeven dat vrouwen op
bepaalde domeinen minder competent of stevig zijn (paternalistische ideeën)
Positief gecorreleerd: naarmate iemand meer akkoord gaat met welwillend seksisme, zal men
ook meer akkoord gaan met vijandig seksisme
o Twee maten voor positie vrouwen:
Gender empowerment (macht): deelname aan economie en politiek
Gender development (ontwikkeling): levensverwachting, scholing, levensstandaard
o In samenlevingen met seksistische ideeën hebben vrouwen ook minder vaak een leidinggevende
functie
, 3. Welke methoden
Sociale psychologie gaat over sociale invloed op gevoelens, gedachten en
gedrag
Experimentele methode kan causaliteit aantonen
Sociale psychologie gaat over hoe gevoelens, gedachten en gedrag sociaal gekleurd zijn
Steeds meer aandacht voor andere methoden ook
o Niet altijd mogelijk om te manipuleren
o Soms interessanter om in realistische context te gebruiken (ecologische
validiteit)
3.1 Experiment
Voorbeeld experiment: worden mensen hulpvaardiger als ze zich goed voelen?
OV: compliment of kritiek geven
o Proberen manipuleren
o Meerdere condities: vaak experimentele versus controle conditie (participanten random toegewezen, om
rekening te houden met storende variabelen)
AV: hoeveel papieren rapen vrouwelijke psychologiestudenten op als een medewerker een hele map vol papieren
laat vallen bij het langslopen?
o Psychologische processen
Resultaten:
o Als participanten een compliment kregen, raapten ze gemiddeld 5 papieren op
o Als participanten kritiek kregen, raapten ze gemiddeld 1 papier op
Kwaliteit methoden – validiteit:
Interne validiteit = kun je het resultaat dat je meet toeschrijven aan de OV?
o Bv. waren ze hulpvaardiger omdat ze zich goed voelden?
o Maar: wat met je neutraal voelen? Of is er een storende variabele, zoals meer hulpvaardige mensen in de
ene dan de andere conditie?
o = experimental realism = psychological impact of the manipulations in an experiment
Externe validiteit = mate waarin resultaten kunnen worden gegeneraliseerd en toegepast in andere
contexten
o Bv. resultaten vrouwelijke psychologiestudenten te veralgemenen naar doelpopulatie?
o En zou hetzelfde gebeuren in een dagelijkse situatie? (t.o.v. iemand die je kent)
o Belang van replicatie! (met andere groep, andere context, …)
o Cf. reductionisme
o = mundane realism = similarity between circumstances surrounding an experiment and
circumstances encountered in everyday life
Laboratorium-experimenten Veld-experimenten
Hoge interne, lage externe validiteit Lagere interne, hoge externe validiteit
o Contrast tussen experimentele en Minder controle op storende factoren
controle groep Gevaar voor antwoordtendenzen
o Participanten random toegewezen aan Bv. jeugdkamp Sherif
condities: effect door experimentele Bv. CILS volgorde vragenlijsten (stereotype
manipulatie, niet door verschillen tussen threat)
groepen Als zonder manipulatie: horend bij groep van non-
o Zo veel mogelijk potentiële confounding experimentele methoden
variabelen controleren o Onderzoeker is volledig onzichtbaar
Gevaar voor reductionisme o Onderzoeker is volledig participant van
Ook kans op *demand karakteristieken, beperking het gedrag (stiekem notities nemen en
van spontaal gedrag (*‘subject effects’) observeren)
Bv. Zimbardo prison experiment Goed om spontaan gedrag in natuurlijke context
te observeren