Management accounting
HOOFDSTUK 1: DE TECHNIEK VAN KOSTPRIJSCALCULATIE
D EEL 1: B ASISBEGRIPPEN VAN KOSTPRIJSCALCULATIE
PROBLEEMSTELLING – DE TECHNIEK VAN KOSTPRIJSCALCULATIE (HB 3-4)
Directe arbeiders: hebben het eindproduct effectief in hun hand gehad, je weet perfect welke
arbeider welk deeltje er in heeft gestoken
Indirecte arbeiders: niet meteen een verband met het product, hun arbeid zit niet in het product:
vb onderhouders vd machine, kuisploeg, ploegbaas
1
, Management accounting
Werkingskosten: zakelijke lunchen, printerkosten, …
2
, Management accounting
3. BEGRIP KOSTPRIJS (HB 4)
Eerst belangrijke vraag: Wat betekent het begrip ‘kostprijs’ nu precies?
Kostprijs= de som van de kosten nodig voor het realiseren van een bepaalde prestatie. Waarbij
we kosten definiëren als de in geldwaarde uitgedrukte offers van de ingezette
productiemiddelen.
Prestatie = kostenobject
3.1 DEFINITIE VAN HET BEGRIP ‘KOSTPRIJS’
Laten we de definitie even gaan opsplitsen?
1. Wat is de inhoud van de prestatie?
Waarvan willen we de kosten berekenen?
- Product
- Dienst
- Productgroep
- Arbeidsuur
- …
Prestatie = kostenobject
Onderscheid maken tussen productie en verkoop:
- Fabricagekostprijs voor afgewerkt product: alle kosten totaliseren vb.
productieonderneming, handelsonderneming, dienst
- verkoopkostprijs voor verkocht product = fabricagekostprijs + kosten nodig om verkoop
te realiseren.
Kostprijs: enkel voor verkoopbaar assortiment,
Kosten van… : voor onverkoopbare deelactiviteiten
3
, Management accounting
2. Welke kostensoorten zijn nodig voor de prestatie?
Zijn de kosten gelijk aan de uitgaven?
- Om een bepaalde output te krijgen hebben we input nodig = productiemiddelen
• Cashflow = kasopbrengsten – kaskosten
• Winst= opbrengsten - kosten
Kosten vs. Uitgaven:
- Uitgaven = liquide middelen
- Kosten = opgeofferde productiemiddelen
Idem voor ontvangsten en opbrengsten!
- Saldo liquide middelen = ontvangsten – uitgaven
- Winst = opbrengsten – kosten
Tijdstip van betaling staat los van de kost.
→ Men maakt een kost als iemand waarde offert en niet wanneer men een productiemiddel
verwerft of betaalt.
Liquide middelen: balans
Winst: resultaatrekening.
Enkele voorbeelden:
Opbrengst zonder ontvangst: Verkoop op krediet
Opbrengst en ontvangst: contante verkoop
Ontvangst maar geen opbrengst: betaling klant
Een uitgave is de daadwerkelijke geldstroom die plaatsvindt, terwijl een kost de waarde
vertegenwoordigt van een middel dat is verbruikt in een bepaalde periode om winst te
maken. Een uitgave kan een investering zijn in een bedrijfsmiddel dat over meerdere periodes
wordt afgeschreven als kosten, zoals de aankoop van een machine.
Vb onderdelen gebruiken: een kost, moment van betaling vd leverancier = uitgave
4
HOOFDSTUK 1: DE TECHNIEK VAN KOSTPRIJSCALCULATIE
D EEL 1: B ASISBEGRIPPEN VAN KOSTPRIJSCALCULATIE
PROBLEEMSTELLING – DE TECHNIEK VAN KOSTPRIJSCALCULATIE (HB 3-4)
Directe arbeiders: hebben het eindproduct effectief in hun hand gehad, je weet perfect welke
arbeider welk deeltje er in heeft gestoken
Indirecte arbeiders: niet meteen een verband met het product, hun arbeid zit niet in het product:
vb onderhouders vd machine, kuisploeg, ploegbaas
1
, Management accounting
Werkingskosten: zakelijke lunchen, printerkosten, …
2
, Management accounting
3. BEGRIP KOSTPRIJS (HB 4)
Eerst belangrijke vraag: Wat betekent het begrip ‘kostprijs’ nu precies?
Kostprijs= de som van de kosten nodig voor het realiseren van een bepaalde prestatie. Waarbij
we kosten definiëren als de in geldwaarde uitgedrukte offers van de ingezette
productiemiddelen.
Prestatie = kostenobject
3.1 DEFINITIE VAN HET BEGRIP ‘KOSTPRIJS’
Laten we de definitie even gaan opsplitsen?
1. Wat is de inhoud van de prestatie?
Waarvan willen we de kosten berekenen?
- Product
- Dienst
- Productgroep
- Arbeidsuur
- …
Prestatie = kostenobject
Onderscheid maken tussen productie en verkoop:
- Fabricagekostprijs voor afgewerkt product: alle kosten totaliseren vb.
productieonderneming, handelsonderneming, dienst
- verkoopkostprijs voor verkocht product = fabricagekostprijs + kosten nodig om verkoop
te realiseren.
Kostprijs: enkel voor verkoopbaar assortiment,
Kosten van… : voor onverkoopbare deelactiviteiten
3
, Management accounting
2. Welke kostensoorten zijn nodig voor de prestatie?
Zijn de kosten gelijk aan de uitgaven?
- Om een bepaalde output te krijgen hebben we input nodig = productiemiddelen
• Cashflow = kasopbrengsten – kaskosten
• Winst= opbrengsten - kosten
Kosten vs. Uitgaven:
- Uitgaven = liquide middelen
- Kosten = opgeofferde productiemiddelen
Idem voor ontvangsten en opbrengsten!
- Saldo liquide middelen = ontvangsten – uitgaven
- Winst = opbrengsten – kosten
Tijdstip van betaling staat los van de kost.
→ Men maakt een kost als iemand waarde offert en niet wanneer men een productiemiddel
verwerft of betaalt.
Liquide middelen: balans
Winst: resultaatrekening.
Enkele voorbeelden:
Opbrengst zonder ontvangst: Verkoop op krediet
Opbrengst en ontvangst: contante verkoop
Ontvangst maar geen opbrengst: betaling klant
Een uitgave is de daadwerkelijke geldstroom die plaatsvindt, terwijl een kost de waarde
vertegenwoordigt van een middel dat is verbruikt in een bepaalde periode om winst te
maken. Een uitgave kan een investering zijn in een bedrijfsmiddel dat over meerdere periodes
wordt afgeschreven als kosten, zoals de aankoop van een machine.
Vb onderdelen gebruiken: een kost, moment van betaling vd leverancier = uitgave
4