lOMoARcPSD|47169695
Sv - Samenvatting Media-economie en
mediastructuren
,MEDIA- ECONOMIE EN STRUCTUREN
1 Algemene introductie
Examen:
- Actualiteit (economie, media & politiek) volgen
- Kennis en inzicht in media- economische kenmerken ontwikkelen
- Enkel open vragen op examen
- Concepten kunnen toepassen en vooral goed kunnen uitleggen in eigen woorden -
Lees examenweetjes Ufora!
- Huidige minister v media = Cieltje Van Achter
2 Wat is media-economie?
2.1 Media- economie
= combinatie van mediastudies en economie
- Toepassen van economische theorieën, concepten en principes om werking van
mediabedrijven/ producten/ industrie te verklaren
- Begrijpen welke invloed financieel-economische krachten/ structuren op
mediabedrijven/ … uitoefenen
- Sterk gelinkt ad politieke economie vd communicatie
- Media als ruilwaarde: niet altijd met geld, ook met aandacht betalen…
Voor de jaren 1970: mediasector vertoonde nauwelijks commerciële kenmerken
Vanaf de jaren 1980: liberaliseringsgolf -> snelle commercialisering vd mediasector
Internationale expansie v Amerikaanse mediabedrijven
Opkomst v multinationale mediaondernemingen
Integratie v regionale mediamarkten id wereldwijde media-economie
Robert Picard: 1 vd grondleggers v media-economie als onderzoeksveld
Media-economen bestuderen hoe mediabedrijven met de beschikbare middelen de
informatie- en entertainmentbehoeften v publiek, adverteerders en smlvn vervullen
Middelen zijn beperkt => schaarste
ECONOMIE
= een wisselwerking tss vraag & aanbod (samen tot een evenwichtsprijs komen)
= het is de wetenschap vd schaarste middelen
3 soorten middelen/productiefactoren (die schaars zijn):
1. Arbeid, personeel
o media = ‘people business’
o aantrekken v creatief en zakelijk talent
o digitale technologie verandert de arbeidsomstandigheden => digitale
knowhow!
2. Land & grondstoffen
o Materieel (krantenpapier) & immaterieel (programmarechten)
1
, o Extern aangekocht, deel uitmakend v/e bedrijf of intern ontwikkeld
3. Kapitaal
o Geld = nodig om te investeren (in bovenstaande productiefactoren)
o Versterkt door eigenaars, beursgang of externe financiers (banken)
o Financiële stabiliteit meten: winst/cashflow, liquiditeits- en solvabiliteitsratio
tijden van overvloed: (schaarste of overvloed? -> zie box 1.1 (p22))
• Schaarste nodig voor productwaarde
• Kunstmatige schaarste creëren om waarde v producten op te drijven -> exclusiviteit
• MAAR: tijd vd consument blijft schaars
2.2 Macro vs. micro- economie
Macro- economie Micro- economie
= gehele economische omgeving = vraag & aanbod tss individuele actoren
= focus: ec groei, tewerkstelling, inflatie of
export/import
Nationale Consumenten
Europese Bedrijven
Wereldeconomie Markten
De focus v media-economie is eerder micro-economisch (maar macro ook belangrijk)
Economie = een mechanisme dat bepaalt wat, hoe en voor wie goederen en diensten
geproduceerd worden.
Deze beslissingen vinden plaatsen in ‘markets’ bij 3 economische actoren:
o Consumenten
o Bedrijven
o Overheid
Types van ondernemingen (bedrijven)
• functies (rollen):
o Producent: zij die content maken (bv: productiehuizen)
o Aggregator: brengen alle stukjes (content) samen (vb: krant doet dit met het
nieuws)
o Distributeur: distribueert het programma, content gaan verdelen via een
technisch netwerk (bv: proximus)
• Omvang
o Groot – klein
o Lokaal – internationaal
• Eigendom: beursgenoteerd – familie eigendom
2
, Marginaal nut: de verandering in tevredenheid bij het consumeren van net iets meer of net
iets minder v/e bepaald product.
Wet vh afnemend marginaal nut: hoe meer v/e bepaald product een individu consumeert,
hoe minder voldoening hij er telkens van zal hebben bij 1 eenheid extra.
Marginale nuttigheid voor de consument
= de bijkomende waarde blijft niet gelijk stijgen bij een hogere consumptie
2.3 Theorieën over de onderneming (The firm in economy theory)
Economen verklaren het ontstaan, het gedrag en de structuur v ondernemingen adhv
theorieën vd onderneming:
1) Neoklassieke theorie
= zoveel mogelijk winst maken door grondstoffen zo effectief mogelijk inzetten
= kosten-batenanalyse -> 1 vd beste instrumenten ih ec beslissingsproces
- WINSTMAXIMALISATIE
Opportuniteitskost
= kiezen is ook verliezen -> nadeel die je eruit haalt
= best mogelijk alternatief dat we hadden kunnen doen met ons geld, maar we
hebben het niet gedaan (bv. €2in pintje stoppen of in krant -> je mist de kans om het
nieuws te kennen…)
- Marktmechanismes creëren beste uitkomst, niet de overheid
- Kritisch tov de overheid -> overheidsinterventie = verstorend
- Overheid enkel ingrijpen bij marktfalen
- Toepassing homo economicus op bedrijven
Kritiek:
- Niet elk mediabedrijf streeft zoveel mogelijk winst na (bv. VRT=publieke omroep)
- Niet elk mediabedrijf is gelijk, geen mobiliteit
- OH speelt vaak wel een rol
2) Agency theorie
= aandacht ad relatie tss aandeelhouders en het management
= onderneming = bundel v contracten tss verschillende partijen (aandeelhouders,
managers, werknemers, leveranciers, klanten)
- aandeelhouders laten dagelijkse, operationele beheer v onderneming over aan
professionele managers
• Bedoeling: de aandeelhouderswaarde op lange termijn doen toenemen
• MAAR: managers kunnen opportunistisch gedrag vertonen -> eigen
persoonlijke belangen najagen ten koste vd belangen vd aandeelhouders
3
Sv - Samenvatting Media-economie en
mediastructuren
,MEDIA- ECONOMIE EN STRUCTUREN
1 Algemene introductie
Examen:
- Actualiteit (economie, media & politiek) volgen
- Kennis en inzicht in media- economische kenmerken ontwikkelen
- Enkel open vragen op examen
- Concepten kunnen toepassen en vooral goed kunnen uitleggen in eigen woorden -
Lees examenweetjes Ufora!
- Huidige minister v media = Cieltje Van Achter
2 Wat is media-economie?
2.1 Media- economie
= combinatie van mediastudies en economie
- Toepassen van economische theorieën, concepten en principes om werking van
mediabedrijven/ producten/ industrie te verklaren
- Begrijpen welke invloed financieel-economische krachten/ structuren op
mediabedrijven/ … uitoefenen
- Sterk gelinkt ad politieke economie vd communicatie
- Media als ruilwaarde: niet altijd met geld, ook met aandacht betalen…
Voor de jaren 1970: mediasector vertoonde nauwelijks commerciële kenmerken
Vanaf de jaren 1980: liberaliseringsgolf -> snelle commercialisering vd mediasector
Internationale expansie v Amerikaanse mediabedrijven
Opkomst v multinationale mediaondernemingen
Integratie v regionale mediamarkten id wereldwijde media-economie
Robert Picard: 1 vd grondleggers v media-economie als onderzoeksveld
Media-economen bestuderen hoe mediabedrijven met de beschikbare middelen de
informatie- en entertainmentbehoeften v publiek, adverteerders en smlvn vervullen
Middelen zijn beperkt => schaarste
ECONOMIE
= een wisselwerking tss vraag & aanbod (samen tot een evenwichtsprijs komen)
= het is de wetenschap vd schaarste middelen
3 soorten middelen/productiefactoren (die schaars zijn):
1. Arbeid, personeel
o media = ‘people business’
o aantrekken v creatief en zakelijk talent
o digitale technologie verandert de arbeidsomstandigheden => digitale
knowhow!
2. Land & grondstoffen
o Materieel (krantenpapier) & immaterieel (programmarechten)
1
, o Extern aangekocht, deel uitmakend v/e bedrijf of intern ontwikkeld
3. Kapitaal
o Geld = nodig om te investeren (in bovenstaande productiefactoren)
o Versterkt door eigenaars, beursgang of externe financiers (banken)
o Financiële stabiliteit meten: winst/cashflow, liquiditeits- en solvabiliteitsratio
tijden van overvloed: (schaarste of overvloed? -> zie box 1.1 (p22))
• Schaarste nodig voor productwaarde
• Kunstmatige schaarste creëren om waarde v producten op te drijven -> exclusiviteit
• MAAR: tijd vd consument blijft schaars
2.2 Macro vs. micro- economie
Macro- economie Micro- economie
= gehele economische omgeving = vraag & aanbod tss individuele actoren
= focus: ec groei, tewerkstelling, inflatie of
export/import
Nationale Consumenten
Europese Bedrijven
Wereldeconomie Markten
De focus v media-economie is eerder micro-economisch (maar macro ook belangrijk)
Economie = een mechanisme dat bepaalt wat, hoe en voor wie goederen en diensten
geproduceerd worden.
Deze beslissingen vinden plaatsen in ‘markets’ bij 3 economische actoren:
o Consumenten
o Bedrijven
o Overheid
Types van ondernemingen (bedrijven)
• functies (rollen):
o Producent: zij die content maken (bv: productiehuizen)
o Aggregator: brengen alle stukjes (content) samen (vb: krant doet dit met het
nieuws)
o Distributeur: distribueert het programma, content gaan verdelen via een
technisch netwerk (bv: proximus)
• Omvang
o Groot – klein
o Lokaal – internationaal
• Eigendom: beursgenoteerd – familie eigendom
2
, Marginaal nut: de verandering in tevredenheid bij het consumeren van net iets meer of net
iets minder v/e bepaald product.
Wet vh afnemend marginaal nut: hoe meer v/e bepaald product een individu consumeert,
hoe minder voldoening hij er telkens van zal hebben bij 1 eenheid extra.
Marginale nuttigheid voor de consument
= de bijkomende waarde blijft niet gelijk stijgen bij een hogere consumptie
2.3 Theorieën over de onderneming (The firm in economy theory)
Economen verklaren het ontstaan, het gedrag en de structuur v ondernemingen adhv
theorieën vd onderneming:
1) Neoklassieke theorie
= zoveel mogelijk winst maken door grondstoffen zo effectief mogelijk inzetten
= kosten-batenanalyse -> 1 vd beste instrumenten ih ec beslissingsproces
- WINSTMAXIMALISATIE
Opportuniteitskost
= kiezen is ook verliezen -> nadeel die je eruit haalt
= best mogelijk alternatief dat we hadden kunnen doen met ons geld, maar we
hebben het niet gedaan (bv. €2in pintje stoppen of in krant -> je mist de kans om het
nieuws te kennen…)
- Marktmechanismes creëren beste uitkomst, niet de overheid
- Kritisch tov de overheid -> overheidsinterventie = verstorend
- Overheid enkel ingrijpen bij marktfalen
- Toepassing homo economicus op bedrijven
Kritiek:
- Niet elk mediabedrijf streeft zoveel mogelijk winst na (bv. VRT=publieke omroep)
- Niet elk mediabedrijf is gelijk, geen mobiliteit
- OH speelt vaak wel een rol
2) Agency theorie
= aandacht ad relatie tss aandeelhouders en het management
= onderneming = bundel v contracten tss verschillende partijen (aandeelhouders,
managers, werknemers, leveranciers, klanten)
- aandeelhouders laten dagelijkse, operationele beheer v onderneming over aan
professionele managers
• Bedoeling: de aandeelhouderswaarde op lange termijn doen toenemen
• MAAR: managers kunnen opportunistisch gedrag vertonen -> eigen
persoonlijke belangen najagen ten koste vd belangen vd aandeelhouders
3