SAMENVATTING KIJKEN NAAR DE MENS
GESCHIEDENIS VAN DE PSYCHOLOGIE
(P0M35A) 2026-27
DEEL I — FILOSOFISCHE EN HISTORISCHE FUNDAMENTEN (1–
20)
1. Wat onderscheidt de pre-wetenschappelijke psychologie
fundamenteel van de moderne psychologie?
A. Gebruik van experimenten
B. Systematische observatie
C. Filosofische reflectie zonder empirische toetsing
D. Gebruik van statistiek
Antwoord: C
Rationale: Pre-wetenschappelijke psychologie steunde
hoofdzakelijk op filosofische redeneringen en introspectieve
speculatie zonder empirische verificatie.
2. Welke these van Plato beïnvloedde later het rationalisme
het sterkst?
A. De vier lichaamssappen
B. De tabula rasa
,2
C. Aangeboren ideeën
D. Conditionering
Antwoord: C
Rationale: Plato stelde dat kennis aangeboren is en slechts
“herinnerd” wordt, een kernidee van het rationalisme.
3. Waarom wordt Aristoteles vaak beschouwd als een
voorloper van het empirisme?
A. Hij ontkende het bestaan van de ziel
B. Hij baseerde kennis op zintuiglijke ervaring
C. Hij geloofde in aangeboren kennis
D. Hij ontwikkelde experimenten
Antwoord: B
Rationale: Aristoteles stelde dat kennis ontstaat uit
waarneming en ervaring, een centraal empiristisch
uitgangspunt.
4. Wat is het kernprobleem van het lichaam-geest-vraagstuk?
A. Hoe emoties ontstaan
B. Hoe gedrag wordt aangeleerd
C. De relatie tussen mentale processen en het fysieke lichaam
D. Het verschil tussen bewust en onbewust
,3
Antwoord: C
Rationale: Het lichaam-geest-probleem onderzoekt hoe
mentale verschijnselen zich verhouden tot lichamelijke
processen.
5. Welke positie nam Descartes in?
A. Monisme
B. Materialisme
C. Dualisme
D. Empirisme
Antwoord: C
Rationale: Descartes maakte een strikt onderscheid tussen res
cogitans (geest) en res extensa (lichaam).
6. Waarom was de invloed van de Kerk in de middeleeuwen
problematisch voor psychologisch onderzoek?
A. Er was geen interesse in de mens
B. Onderzoek werd ondergeschikt aan religieuze dogma’s
C. Experimenten waren technisch onmogelijk
D. Er bestond geen filosofie
, 4
Antwoord: B
Rationale: Wetenschappelijke verklaringen mochten religieuze
leerstellingen niet tegenspreken.
7. Wat betekent ‘tabula rasa’ bij Locke?
A. Aangeboren ideeën
B. Morele intuïtie
C. Leeg bewustzijn bij geboorte
D. Onbewuste driften
Antwoord: C
Rationale: Locke stelde dat kennis volledig ontstaat door
ervaring.
8. Wat is Humes belangrijkste bijdrage aan de psychologie?
A. Dualisme
B. Experimentele methode
C. Analyse van associaties tussen ideeën
D. Psychoanalyse
Antwoord: C
Rationale: Hume onderzocht hoe mentale associaties gevormd
worden via ervaring.