SAMENVATTING BOEK PSYCHOLOGIE 2026-27
Hoofdstuk 1 - Wat is psychologie?
1.1Een definitie van psychologie
Psychologie*: wetenschap waarbij het gedrag bestudeerd wordt en waarbij die
gedragsevidentie gebruikt wordt om de interne processen te begrijpen die aan dat
gedrag ten grondslag liggen. De wetenschap van het innerlijke leven.
Functieleer: onderzoek naar biologische en psychologische menselijke functies.
*Alle kernbegrippen in deze samenvatting van het boek zijn vetgedrukt.
1.2 Ontwikkelingen die de psychologie mogelijk gemaakt hebben
Ontwikkelingen in de filosofie
Rationalisme: filosofische doctrine die stelt dat de Waarheid achterhaald kan
worden door gebruik te maken van de rede.
Nativisme: aangeboren kennis. Vanuit deze kon de rede de volledige waarheid
afleiden.
Empirisme: inhoud van de geest komt niet tot stand op basis van aangeboren
ideeën maar via zintuiglijke ervaringen. Kennis komt uit ervaring voort.
Associationisme: Als twee dingen tegelijk ervaren worden, hebben ze veel kans
om mentaal met elkaar geassocieerd te worden. Leer die stelt dat geestelijke en
morele verschijnselen kunnen worden verklaard door middel van associatie van
ideeën.
Darwin en de evolutietheorie
Evolutietheorie: “Afstamming met verandering”; wanneer de omgeving
verandert, bieden sommige eigenschappen van een organisme meer
voordeel dan andere (=natuurlijke selectie)
De eerste psychologische experimenten
Mentale chronometrie: men probeert te achterhalen hoeveel mentale
processen er nodig zijn voor het uitvoeren van een taak en hoe moeilijk deze
processen zijn. Dit doet men door te kijken naar de snelheid waarmee
proefpersonen de taak kunnen uitvoeren.
2009 Marco Croese - 1
,2
Experimenten waarin men uit variaties in reactietijden, die in verschillende taken
of taakcondities waren gemeten, de snelheid en/of aard van interne
verwerkingsprocessen probeerde af te leiden.
1.3 De beginjaren van de psychologie
Structuralisme: waaruit bestaat het bewustzijn?
Introspectie: de psychologie waarbij de persoon naar zichzelf kijkt van
binnenuit. Een activiteit waarbij de eigen gedachten, gevoelens en
herinneringen tot onderwerp van overdenking gemaakt worden.
Structuralisme: Een stroming in de psychologie die op basis van
introspectie de structuur van het bewustzijn probeerde te ontdekken. Alle
menselijke ervaringen zijn terug te leiden tot een aantal elementaire
processen. Kijkt naar het nut van het bewustzijn en gedrag.
Gestaltpsychologie: de perceptie van het geheel
Gestaltpsychologie: mensen nemen de wereld waar in gehelen of gestalten en
patronen.
Functionalisme: wat is de functie van het bewustzijn?
Functionalisme: een grote interesse voor individuele verschillen tussen mensen
en ook tussen verschillen van mens en dier. Kijkt naar het nut of functie van
gedrag.
Behaviorisme: hoe kunnen we de mens wetenschappelijk bestuderen?
Behaviorisme: psychologische stroming waarin men het standpunt huldigt dat
enkel observeerbaar, meetbaar gedrag als enige geldige onderzoeksobject voor
psychologisch onderzoek en theorievorming.
Operationele definitie: men moest concepten definiëren in termen van de
gebruikte meetprocessen. Operaties (acties) die nodig zijn om het te meten.
S-R- psychologie: zo wordt het behaviorisme ook wel genoemd, een stimulus lokt
een respons uit.
Psychoanalyse: Sigmund Freud en het onbewuste
Psychoanalyse: het bewustzijn en het gedrag zijn zeer oppervlakkige
fenomenen, de ware oorsprong van het ontstaan van
persoonlijkheidsverschillen en mentale stoornissen ligt bij onbewuste krachten.
Er werd niet gekeken naar het bewuste, maar naar het onbewuste.
2009 Marco Croese - 2
,3
1.4 De hedendaagse psychologie
Homunculus: “geest in de machine” Latijn voor mannetje. Wordt vaak gebruikt
als een personificatie van het bewustzijn of een interne instantie die indrukken
uit de buitenwereld interpreteert en integreert. Ergens in de hersenen leek een
klein mensje te zitten dat doelgericht was, een vrije wil had, beslissingen nam en
helemaal geen machine-achtige eigenschappen vertoonde.
Cognitieve psychologie: de overtuiging dat men menselijk gedrag niet kon
begrijpen en voorspellen zonder een beroep te doen op informatieverwerkende
(cognitieve) processen die zich afspelen in de hersenen.
Het belang van de biologie
Biologie speelt op 4 manieren een rol in de psychologie:
1 alle gedrag loopt via het centrale zenuwstelsel.
2 de biologie manifesteert zich ook in de genen die de kinderen van hun
ouders erven.
3 Evolutie.
4 via processen die zich in het lichaam afspelen (productie van hormonen,
conditie).
Inprenting: de vroege en snelle neiging (kritieke periode tot 3 dagen) om een
bewegend voorwerp te volgen. Als voorbeeld geldt de kip of eend.
Cognitieve neurowetenschap: het onderzoeksgebied dat het psychologische en
neurobiologisch onderzoek naar de cognitieve functies combineert.
De onmisbaarheid van cognitieve processen
Mensen en dieren leren constant en hun gedrag verandert op basis van vroegere
ervaringen. Spelen nagenoeg bij alles wat een mens doet een rol.
De mens als deel van een groep
Hofstede onderscheidt 4 belangrijke dimensies waarop culturen verschillen:
1 Individualisme vs. collectivisme
2 Afstand op basis van macht
3 Vermijding van onzekerheid
4 Masculiniteit (rolverdeling man/vrouw)
Erfelijkheid-milieudebat/nature-nurturedebat: binnen dit debat probeert
men te achterhalen hoeveel van de verschillen tussen mensen bepaald wordt
door aangeboren, genetische karakteristieken (nature) en hoeveel bepaald wordt
2009 Marco Croese - 3
, 4
door de ervaringen (opvoeding) die het individu opgedaan heeft in de omgeving
waarin het opgegroeid is (nurture).
1.5Onderzoeksmethoden in de psychologie
Theorie: een samenhangend geheel van ideeën dat gebruikt wordt om een
fenomeen te verklaren.
Literatuurstudie: deze voert een onderzoeker eerst uit om te kijken wat al
bekend is over de problematiek om onderzoeksvragen nauwkeuriger te kunnen
formuleren en te weten te komen welke valkuilen moeten worden vermeden.
Beschrijvend onderzoek
Naturalistische observatie: een onderzoekstechniek waarbij het gedrag
systematisch geobserveerd wordt in een natuurlijke context (Antropologen
gebruiken die methode). Een nadeel is dat mensen zich anders kunnen gaan
gedragen wanneer ze weten dat ze geobserveerd worden.
Reactieve gedragingen: wanneer de aanwezigheid van de onderzoeker invloed
heeft op het geobserveerde gedrag.
Vragenlijst: een reeks van vragen die de ondervraagden in hun eigen tempo
beantwoorden, gewoonlijk zonder dat de onderzoeker aanwezig is.
Gestructureerd interview: de ondervrager heeft een vaste lijst van vragen die
in een bepaalde volgorde aan bod komen. Ongestructureerd interview: de
vragen liggen niet van tevoren vast, maar er wordt ingehaakt op wat de
ondervraagde zegt. Sociale wenselijkheid: de neiging die mensen hebben om
op vragen te reageren op een manier die maatschappelijk gewaardeerd wordt,
waardoor ze in sociaal opzicht een gunstiger indruk maken.
Opiniepeiling: een inventaris van de opinies bij een representatieve steekproef
van de bevolking, op basis waarvan men conclusies trekt over de hele populatie.
Gestandaardiseerde tests: dit zijn procedures voor het meten van
vaardigheden of eigenschappen, die aan een zorgvuldig vooronderzoek
onderworpen werden zodat de onderzoeker een duidelijk beeld heeft van de
scores die verwacht kunnen worden, en voldoende waarborgen heeft dat de test
op een betrouwbare manier de vaardigheid of eigenschap meet die men wil
meten.
Gevalsstudie: een intensief, gedetailleerd onderzoek over één persoon of één
gebeurtenis.
Correlatie-onderzoek
Variabele: elk kenmerk dat kan veranderen en dat gemeten kan worden (in een
getal uitgedrukt), b.v. grootte en gewicht. Correlatie: verwijst naar de mate
waarin twee variabelen met elkaar samenhangen, naar de mate waarin
2009 Marco Croese - 4