LP1: HET RECHT EN ZIJN KENMERKEN
1. Wat is recht?
= een geheel van afdwingbare rechtsregels, opgelegd door de maatschappij, met als doel de
maatschappij te ordenen
Wat? Gedragsregels
Wat mag? Wat moet? Wat mag niet?
Waarom? Samenleving ordenen
Van waar? Maatschappij bepaalt de regels !! niet
rechtstreeks => via democratisch proces
(de regerings- en parlementsregels bepalen,
wij onrechtstreeks door te verkiezen)
Wat als? Gevolgen aan niet-naleving => sancties
(rechtsregels zijn afdwingbaar)
2. Kenmerken van het recht
2.1 objectief vs subjectief recht
- Objectief recht
o “the law” – abstract en algemeen
o Abstracte normen, los van concrete personen of situaties waarop ze toepasbaar
zijn
o = het recht op zich, zonder dat het toegepast wordt
o Bv. het eigendomsrecht
- Subjectieve rechten
o “rights” – concreet en toegepast
o = rechten die personen of situaties afleiden uit objectieve rechtsregels
o => het recht wordt toegepast
het objectief recht verleent dus subjectieve rechten
2.2 rechtssubjecten vs rechtsobjecten
- Rechtssubject
, o = de natuurlijke personen of rechtspersonen die subjectieve rechten bezitten
- Rechtsobject
o = de zaken/ rechten waarover subjectieve rechten gaan
2.3 natuurlijke persoon vs rechtspersoon
- Natuurlijke personen
o Mensen van vlees en bloed
- Rechtspersonen
o Geen echte personen van vlees en bloed => worden door het recht op bepaalde
vlakken wel hetzelfde behandeld (krijgen een fictieve persoonlijkheid)
o = een juridische constructie waardoor een abstracte entiteit of organisatie kan
optreden als een volwaardig en handelingsbekwaam persoon in het
rechtsverkeer
o instellingen, organisaties en ondernemingen
o soorten rechtspersonen
privaatrechtelijke rechtspersonen
ontstaan uit privé-initiatief
publiekrechtelijke rechtspersonen
worden opgericht door een overheid
beiden zijn drager van rechten en plichten
Beiden kunnen overlappen => onderscheid is van belang voor patrimonium en
aansprakelijkheid
2.4 zaken vs rechten
- zaken
o = lichamelijke goederen (kunnen we met onze zintuigen waarnemen)
- Rechten
o = onlichamelijke goederen (kunnen we niet zintuiglijk waarnemen)
2.5 roerende vs onroerende goederen
- roerende goederen
o uit hun aard
verplaatsbaar (lichamelijke goederen)
o door wetsbepaling
, onlichamelijke goederen waarvan de wet bepaalt dat deze gezien
worden als roerend
o vervroegd roerende goederen
om de aan- en verkopen ervan te vergemakkelijken
bv. graan dat nog niet geoogst werd => is in principe onverplaatsbaar
maar wordt toch gezien als roerend wanneer het voor de oogst al wordt
verkocht
om de formaliteiten die gepaard gaan met de aan- en verkoop van
onroerende goederen te vermijden
notariële akte opmaken & registratierechten betalen
onderhandse akte & BTW
- onroerende goederen
o uit hun aard
een goed die we niet kunnen verplaatsen
o door bestemming
goederen die eigenlijk wel verplaatsbaar zijn maar door hun specifieke
band met een onroerend goed ook als onroerend beschouwd worden
o door incorporatie
goederen die vastgemaakt werden aan een onroerend goed en hierdoor
dezelfde kwalificatie krijgen
kan je niet losmaken van het onroerend hoofdgoed zonder het te
beschadigen
o door het voorwerp waarop ze betrekking hebben
aanspraken op bepaalde onroerende goederen (‘rechten’)
criterium van verplaatsbaarheid kan niet worden toegepast
het recht zal onroerend zijn wanneer het betrekking heeft op een
onroerend goed, waardoor het recht op zich ook onroerend wordt
belang:
aan- en verkopen
, 2.6 Zekerheden
= waarborgen die als onderpand dienen voor de naleving van verbintenissen
- Persoonlijke zekerheden
Er staat een extra persoon garant voor de naleving van de verbintenis
o Borgtocht
= de zekerheid waarbij een persoon zich verbindt om de verbintenis
van de schuldenaar te voldoen wanneer die zijn verplichtingen niet kan
nakomen
Tussen schuldeiser en borg: recht van uitwinning => de schuld moet
eerst met alle middelen op de schuldenaar worden verhaald vooraleer
de schuldeiser zich tot de borg mag wenden
Meerdere personen voor dezelfde schuldenaar borg: voorrecht van
schuldsplitsing => de schuldeiser kan van elk van de borgen slechts
het deel vorderen waarvoor hij instaat
kan afwijken door hoofdelijkheid te bedingen
Tussen hoofdschuldenaar en borg: subrogatie => de borg heeft het
recht om van de hoofdschuldenaar terug te eisen wat hij voor hem heeft
moeten betalen
- Zakelijke zekerheden
o Hypotheek
Onroerende goederen waarborgen de schuld => schuldeiser heeft het
recht om het onroerend goed te verkopen om de schuld af te betalen als
de schuldenaar dit niet doen
Zakelijk recht (schuldeiser op onroerend goed) => hij kan goed
verkopen als schuldenaar zijn verbintenis niet nakomt
Hypotheek = ondeelbaar recht => het rechts blijft bestaan voor de hele
duur van het contract & geldt op het volledige onroerende goed
Schuldeiser = volgrecht => de hypotheek blijft het onroerend goed
volgen, ook als het onroerend goed verkocht wordt
Hypotheek= bijkomend recht => het is verbonden aan de
hoofdverbintenis (de lening) (als hoofdverbintenis verdwijnt, verdwijnt
ook de hypotheek)
1. Wat is recht?
= een geheel van afdwingbare rechtsregels, opgelegd door de maatschappij, met als doel de
maatschappij te ordenen
Wat? Gedragsregels
Wat mag? Wat moet? Wat mag niet?
Waarom? Samenleving ordenen
Van waar? Maatschappij bepaalt de regels !! niet
rechtstreeks => via democratisch proces
(de regerings- en parlementsregels bepalen,
wij onrechtstreeks door te verkiezen)
Wat als? Gevolgen aan niet-naleving => sancties
(rechtsregels zijn afdwingbaar)
2. Kenmerken van het recht
2.1 objectief vs subjectief recht
- Objectief recht
o “the law” – abstract en algemeen
o Abstracte normen, los van concrete personen of situaties waarop ze toepasbaar
zijn
o = het recht op zich, zonder dat het toegepast wordt
o Bv. het eigendomsrecht
- Subjectieve rechten
o “rights” – concreet en toegepast
o = rechten die personen of situaties afleiden uit objectieve rechtsregels
o => het recht wordt toegepast
het objectief recht verleent dus subjectieve rechten
2.2 rechtssubjecten vs rechtsobjecten
- Rechtssubject
, o = de natuurlijke personen of rechtspersonen die subjectieve rechten bezitten
- Rechtsobject
o = de zaken/ rechten waarover subjectieve rechten gaan
2.3 natuurlijke persoon vs rechtspersoon
- Natuurlijke personen
o Mensen van vlees en bloed
- Rechtspersonen
o Geen echte personen van vlees en bloed => worden door het recht op bepaalde
vlakken wel hetzelfde behandeld (krijgen een fictieve persoonlijkheid)
o = een juridische constructie waardoor een abstracte entiteit of organisatie kan
optreden als een volwaardig en handelingsbekwaam persoon in het
rechtsverkeer
o instellingen, organisaties en ondernemingen
o soorten rechtspersonen
privaatrechtelijke rechtspersonen
ontstaan uit privé-initiatief
publiekrechtelijke rechtspersonen
worden opgericht door een overheid
beiden zijn drager van rechten en plichten
Beiden kunnen overlappen => onderscheid is van belang voor patrimonium en
aansprakelijkheid
2.4 zaken vs rechten
- zaken
o = lichamelijke goederen (kunnen we met onze zintuigen waarnemen)
- Rechten
o = onlichamelijke goederen (kunnen we niet zintuiglijk waarnemen)
2.5 roerende vs onroerende goederen
- roerende goederen
o uit hun aard
verplaatsbaar (lichamelijke goederen)
o door wetsbepaling
, onlichamelijke goederen waarvan de wet bepaalt dat deze gezien
worden als roerend
o vervroegd roerende goederen
om de aan- en verkopen ervan te vergemakkelijken
bv. graan dat nog niet geoogst werd => is in principe onverplaatsbaar
maar wordt toch gezien als roerend wanneer het voor de oogst al wordt
verkocht
om de formaliteiten die gepaard gaan met de aan- en verkoop van
onroerende goederen te vermijden
notariële akte opmaken & registratierechten betalen
onderhandse akte & BTW
- onroerende goederen
o uit hun aard
een goed die we niet kunnen verplaatsen
o door bestemming
goederen die eigenlijk wel verplaatsbaar zijn maar door hun specifieke
band met een onroerend goed ook als onroerend beschouwd worden
o door incorporatie
goederen die vastgemaakt werden aan een onroerend goed en hierdoor
dezelfde kwalificatie krijgen
kan je niet losmaken van het onroerend hoofdgoed zonder het te
beschadigen
o door het voorwerp waarop ze betrekking hebben
aanspraken op bepaalde onroerende goederen (‘rechten’)
criterium van verplaatsbaarheid kan niet worden toegepast
het recht zal onroerend zijn wanneer het betrekking heeft op een
onroerend goed, waardoor het recht op zich ook onroerend wordt
belang:
aan- en verkopen
, 2.6 Zekerheden
= waarborgen die als onderpand dienen voor de naleving van verbintenissen
- Persoonlijke zekerheden
Er staat een extra persoon garant voor de naleving van de verbintenis
o Borgtocht
= de zekerheid waarbij een persoon zich verbindt om de verbintenis
van de schuldenaar te voldoen wanneer die zijn verplichtingen niet kan
nakomen
Tussen schuldeiser en borg: recht van uitwinning => de schuld moet
eerst met alle middelen op de schuldenaar worden verhaald vooraleer
de schuldeiser zich tot de borg mag wenden
Meerdere personen voor dezelfde schuldenaar borg: voorrecht van
schuldsplitsing => de schuldeiser kan van elk van de borgen slechts
het deel vorderen waarvoor hij instaat
kan afwijken door hoofdelijkheid te bedingen
Tussen hoofdschuldenaar en borg: subrogatie => de borg heeft het
recht om van de hoofdschuldenaar terug te eisen wat hij voor hem heeft
moeten betalen
- Zakelijke zekerheden
o Hypotheek
Onroerende goederen waarborgen de schuld => schuldeiser heeft het
recht om het onroerend goed te verkopen om de schuld af te betalen als
de schuldenaar dit niet doen
Zakelijk recht (schuldeiser op onroerend goed) => hij kan goed
verkopen als schuldenaar zijn verbintenis niet nakomt
Hypotheek = ondeelbaar recht => het rechts blijft bestaan voor de hele
duur van het contract & geldt op het volledige onroerende goed
Schuldeiser = volgrecht => de hypotheek blijft het onroerend goed
volgen, ook als het onroerend goed verkocht wordt
Hypotheek= bijkomend recht => het is verbonden aan de
hoofdverbintenis (de lening) (als hoofdverbintenis verdwijnt, verdwijnt
ook de hypotheek)