In het handboek worden daar aparte hoofdstukken van gemaakt, die hangen eigenlijk heel nauw
samen: vandaar worden die samengenomen
Inleiding:
Sociale perceptie & groepsperceptie: gaat over hoe dat wij naar anderen kijken, hoe doen
wij indrukken op over anderen, wat is de rol van: stereotypes/vooroordelen/discriminatie
Stereotypes is iets heel cognitief en zit in ons hoofd: wanneer wordt het wel gevaarlijk?:
wanneer we ernaar gaan handelen en het in ons gedrag naar boven komt: dan gaat het over
discriminatie
Hoe ontstaan geruchten, hoe vertellen mensen dingen door aan andere, waarom worden er
extra details toegevoegd bij een gerucht als iets doorverteld wordt
Woord vooraf:
The psychology of rumor| Allport & Postman (1944)
Officieel gaat het niet over stereotypes maar het verteld er wel iets over
Studie heette: the psychology of rumor
Twee onderzoekers: Allport & Postman
Hebben gekeken naar:
hoe ontstaan eigenlijk geruchten?
Hoe komt het dat mensen een bepaald verhaal doorvertellen aan
iemand anders en dat dan uiteindelijk details weggelaten of
toegevoegd worden en dat er na een tijd een roddel of gerucht
ontstaat die NIET waar is
Hoe deden ze dat?
Allport & Postman gaven les en zij haalden 6 à 7 studenten uit de aula en ze zeiden:
“ga maar naar buiten” A & P: hadden verschillende prenten en riepen die studenten
één voor één binnen
Ze toonden aan student 1: een eerste prent en die eerste student mocht tot in detail
bekijken wat er allemaal op die prent getekend was
sterker nog de onderzoekers beschreven het ook (je ziet hier een auto, je ziet
een bos…) dus die onderzoekers vertelden wat erop die prent stond terwijl
dat student 1 ernaar kon kijken
Wat was de bedoeling?
De bedoeling was dat student 1 dat zo sterk mogelijk inprenten in het hoofd WANT:
dan werd die prent weggelegd en werd student 2 binnengeroepen
Er werd tegen student 1 gezegd: nu mag jij hier vertellen aan student 2 wat jij zonet
allemaal op die eerste prent hebt gezien
Dan werd student 3 binnengeroepen en werd er tegen student 2 hetzelfde gezegd als
instructie: vertel jij eens aan student 3 wat student 2 zonet allemaal hebt gehoord
dat er op de prent stond die student 1 heeft gezien
69
, Zo gingen we verder tot student 6 of 7 die dan hardop in de aula moest vertellen wat
er door student 1 gezien op die prent was gezien
Conclusie:
dingen waren van plaats veranderd en/of toegevoegd of verdwenen
Concrete voorbeelden van wat eruit dat onderzoek bleek:
Ten eerste toonde Allport & Postman een prent van wat in Amerika een heel duidelijke
begrip is: corner drug store (= drogisterij, soort apotheek maar waar je ook andere dingen
zoals voedingswaren… kan krijgen)
Amerika wordt er niet gesproken over drugsstore maar WEL: over een corner
drug store: omdat die zich meestal op een hoek van twee straten bevinden
Wat hadden Allport & Postman gedaan?:
ze hadden zo’n drug store op die prent op een andere plek gezet:
midden in een rustige straat, tussen allerlei rijtjes huizen met
bomen rond
totaal niet hoe dat wij dat als proefpersoon op dat
moment in ons hoofd hebben
Wanneer dat proefpersoon 1 aan proefpersoon 2, 3, 4… enzovoort
moest verder vertellen wat ze hebben gezien dan merkte A & P significant
dat bij de verschillende groepen dat die drug store van ergens midden in een
woonwijk verplaatst werd naar de werkelijke corner drug store zoals dat zij het
vanuit hun stereotype beeld in de werkelijkheid gewoon zijn
Conclusie:
Dat we merken als er 6 of 7 proefpersonen overgaan dan wordt het beeld meer
gekneed naar het stereotype dat wij in ons hoofd hebben
Bij een tweede prent van Allport & Postman (bleek dat ook het geval te zijn):
Toonde een foto van het American Red Cross (Belgische
rode kruis)
op de foto een wagen te zien waarvan de deuren aan de
achter open waren
wanneer proefpersoon 1 die foto te zien kreeg kon die
duidelijk zien wat erin die wagen lag
wagen was gevuld met wapens, explosieven: gevaarlijke
dingen
dit associëren wij niet met waar zo’n wagen van American Red Cross voor zou
staan
70
,Conclusie:
Proefpersonen 7= de inhoud werd veranderd volgens wat beter paste bij American Red
Cross:
ze gingen zeggen dat daar een hoop dekens inlagen om af te geven aan mensen die
hulp nodig hadden, etenswaarden, EHBO kit....
alles wat dus volgens hun stereotype beter paste bij zo’n wagen i.p.v. de wapens
en explosieven die er op de prent werden getoond aan de eerste persoon
Prent 3: (hier zagen ze de meest innemend verandering)
voor ons nu in deze tijd is deze prent totaal niet duidelijk: dit is één van de prenten
die in hun oorspronkelijk artikel werden gepubliceerd
Het ging vooral over: de twee personen vooraan
je hebt een man van kleur die aan het praten is met een witte man:
de witte man heeft een soort (zak) mes in handen
conclusie:
na het herhalen van dit experiment een aantal keer:
Het mes migreerde/ verhuisde van de handen van de witte man naar de
handen van de zwarte man -> officiële term = migratie van voorwerpen
dit bleek zich een aantal keer voor te doen
Moeten we nu denken dat al de proefpersoon die het mes hebben gemigreerd van de ene
persoon naar de andere persoon dat dat een enorm bewijs is van een raciale haat of een
raciale angst (= bedreigt voelen door een bepaalde groep waar zij niet toe behoren)??
Allport & Postman zeggen in hun artikel NEEN, hoeven we niet zomaar van uit te
gaan:
WANT het is een impliciete bias = een bepaalde overtuiging die wij impliciet hebben,
maar dat wilt niet zeggen dat we die gaan expliciteren (= perse gaan uiten in ons
gedrag)
Meer zelfs: ook gemerkt bij een aantal zwarte studenten ook daar werd soms het
mes verplaatst
Het gaat eerder om iets impliciet: over een soort van cultureel stereotype:
In die tijd werd er sterk benadrukt dat mensen van kleur temperamentvoller waren
WANT: vaak werd er ook gezegd dat er een stevige discussie was (oorspronkelijk
vertrokken van die 2 zijn met elkaar aan het praten)
Daar werd dan een hevige discussie met een mes van gemaakt
Het zou eerder gaan over: conventionele verwachtingen
71
, nu wordt er recenter sociaal psychologisch naar gekeken:
Bij het bekijken van het onderzoek zijn er direct een aantal vragen die we kunnen
stellen
Die vragen maakt dat we er geen conclusies uit mogen trekken
Bv: er was GEEN vergelijkingsconditie, geen omgekeerde conditie
1) Wat als de oorspronkelijke prent zou zijn dat de zwarte man een mes in de hand
had? –> zou er dan kans zijn dat het mes OOK migreert naar de witte man -> zou dus
een controle conditie/ vergelijkingsconditie kunnen geweest zijn
2) Er bleek dat er heel wat voorwerpen migreerde
Bv: je ziet op de prent een man met een hoed die de krant leest: die hoed
en/of krant verhuisde vaak naar andere personen op de metro
DUS: het is niet zo dat we direct grote conclusies hieruit mogen trekken -> hierdoor
deze inleiding voor het bewustzijn van het gevaar van stereotypes
ABC model
cognitieve component
Er zijn twee processen die in ons hoofd gebeuren:
wij gaan als mens andere/of dingen heel sterk categoriseren
als gevolg daarvan ontstaan er: stereotypen
affectieve component
gaat over vooroordelen
wanneer jij een bepaald stereotype hebt over een bepaalde groep en je voelt daar
van alles bij (bv: angstig, onveilig..) is dat jou vooroordeel
gedragscomponent
discriminatie
dat is wanneer dat je werkelijk jou stereotypes en jou gevoel gaat omzetten in jou
gedrag
voorbeeld: ik wil niet door een vrouwelijke chirurg geopereerd worden, ik wil niet dat
iemand van een ander religie als dat van mij geholpen worden aan de kassa…
Als je iets wil doen aan het stoppen of het verminderen van discriminatie moet je
beginnen bij C (cognitieve component)
Hoe minder dat mensen nog te maken hebben met impliciete bias en stereotypes ->
hoe minder groot de kans is dat we verzeild gaan geraken in het discrimineren
72