Hoofdstuk 1: Wat is filosofie?
1. Drie aspecten: a/tude, methodologie en domein
o Ambrose Bierce: “Filosofie is een stelsel van vele wegen die van nergens naar niets leiden”
o Onmogelijke vragen = vragen waarop geen eensluidend en sluitend antwoord kan gegeven
worden
o Moeilijk om een lijst van filosofische kenmerken op te stellen die voorkomen bij alle filosofen en
hun opva/ngen, en enkel bij filosofen en hun opva/ngen
o A/tude:
- Nigel Warburton: “Philosophy is an unusual subject in that its pracLLoners don’t agree what
it’s about.”
- Etymologie: filosofie wijst op een liefde voor de wijsheid of een verlangen om te weten
- Filosofen ergeren zich aan de banaliteiten waarop ons dagelijks leven rust + kunnen of willen
zich niet neerleggen bij overgeleverde inzichten en schijnbare evidenLes
- Descartes redeneerde dat het mogelijk is dat onze zintuigen ons vaker bedriegen dan we
denken. Zintuigen spelen een belangrijke rol in het verwerven van kennis => Als onze zintuigen
onbetrouwbaar zijn, is onze kennis dat dan ook?
- Descartes: malin génie (ons denken wordt voortdurend op een dwaalspoor gezet door God of
kwaadaardige genie)
- Filosofische kriLek opent mogelijkheid dat dingen anders zouden (of hadden) kunnen zijn
- Filosofie tracht vaak een posiLef of construcLef project te formuleren, dat de bekriLseerde
elementen vervangt door elementen die beter bestand zijn tegen kriLek.
- Gemeenschappelijke a/tudes wetenschappers en filosofen: ze zijn kriLsch, zoeken naar
waarheid etc.
- Richard Feynman: “Eén van de kwaliteiten van de wetenschap is dat ze ons de waarde van
raLoneel denken bijbrengt, en het belang van vrijheid van denken; ze leert ons dat het loont
om te twijfelen aan de waarheid van wat ons verteld wordt.”
-> Gaat ook op voor filosofie
- Socrates: filosofische houding = relaLvering
- Alfred North Whitehead: “Philosophy begins in wonder. And, at the end, when philosophic
thought has done its best, the wonder remains.”
-> Verwondering blij\ soort motor achter het filosoferen
- Vertwijfeling: Schopenhauer, Kierkegaard
-> Vertwijfeling bij basale vragen (waarom leven we etc.) bij de meeste mensen op sommige
momenten in het leven (vooral bij mensen die suïcidaal zijn)
o Methode:
- Filosofen gebruiken waaier van methoden, maar geen daarvan lijkt uniek te zijn voor filosofie.
Methoden die wel uniek zijn voor wijsbegeerte worden niet door alle filosofen gebruikt, laat
staan dat die methoden in al het filosofisch werk gebruikt worden.
- IntuïLe: 17e-18e eeuw: verwijzen naar kennis die op een onmiddellijke manier verkregen
wordt (Descartes: des idées claires et dis.nctes = ideëen die geen redelijk mens zou durven te
betwijfelen bv. Je pense donc je suis)
20e eeuw: verwijst naar spontante overtuigingen die we in onze eigen geest aantreffen
wanneer we over een bepaald onderwerp beginnen te denken
-> Common sense (gezond verstand): overtuigingen vaak moeilijk te vreanderen of op te
geven, zelfs in aanwezigheid van overtuigend bewijsmateriaal
- Fauteuilfilosofen = armchair philosophers
- Wetenschappers: baseren zich vaak op hun intuïLes, vervolgens eventueel bevesLgd,
weerlegd of aangescherpt door experimenteel onderzoek
, - Conceptuele analyse = conceptual engineering (Luciano Floridi): het ontrafelen en verbeteren
van concepten die we in het dagelijks leven misschien soms te achteloos gebruiken, bv. liefde,
Ljd of vrijheid.
-> Proberen uitleggen hoe een begrip precies ineen zit
-> Belangrijke begrippen die we gebruiken ontleden in meer eenvoudige begrippen =>
Belangrijke begrippen beter begrijpen + beter kunnen gebruiken
- Gedachte-experiment (Baggini) = instrument van verbeelding dat gebruikt wordt om nieuwe
informaLe over een thema te verkrijgen zonder gebruik te maken van nieuwe empirische
data.
-> Verhelderen problemen door het te visualiseren
-> Leveren gegevens op die voor of tegen een bepaalde theorie gebruikt kunnen worden
-> Financiële, technologische en morele problemen mee omzeilen die zich zouden stellen bij
echte-wereld-experimenten
-> Brain in a vat = experiment dat een scepLsche posiLe over kennis ondersteunt => onze
“zekerheden” zijn eigenlijk geen echte, fundamentele zekerheden.
- Ook in wetenschappen: katparadox (Erwin Schrödinger), li<experiment (Einstein)
- Experimentele filosofen: empirisch-wetenschappelijke methoden kunnen soms bijdragen aan
een oplossing voor tradiLonele filosofische problemen
- Argumenteren: opstallen van argumenten waarbij je gaat van een aantal premissen naar een
conclusie
o Domein:
- Aard van vragen en problemen waarmee filosofen zich bezighouden
- In filosofie geen vooruitgang, enkel nieuwe manieren om oude, onoplosbare problemen te
beschrijven of te begrijpen
- Wetenschap: wetenschappelijke paradigma’s volgen elkaar op zonder echt op elkaar verder te
bouwen. Binnen een paradigma kan er wel sprake zijn van vooruitgang, maar tussen
paradigma’s is dat minder zelfsprekend.
- Onbeantwoorde vragen en fundamentele problemen
-> Je kan er wel iets over zeggen: uitleggen waarom foute antwoorden fout zijn, maar de vraag
wordt niet definiLef opgelost en we zullen nooit weten of die vragen uiteindelijk
beantwoordbaar zullen zijn (Zijn er dingen die we beter niet weten?)
-> Niet enkel in filosofie
2. Vier deeldomeinen
o Metafysica
- Bestudeert de aard en structuur van de wereld
- Meeste metafysische vragen gaan over wat het betekent om te bestaan
-> Bv. Ljd, verhouding tussen lichaam en geest (physical stuff vs. mental stuff)
o Logica
- Studie van geldigheid van redeneringen en argumenten
- Zorgt voor argumentaLeve hygiëne: belangrijk onderdeel van het kriLsch denken
- Weerleggen van drogredenen, bv. slippery slope
o Epistemologie
- Kennisleer
- Studie van aard, structuur en mogelijkheid van onze kennis
- Wat kunnen we weten, hoe verwerven we kennis, wat is kennis, wat betekent het om
overtuigd te zijn van iets etc.
- Weten wat kennis juist is en hoe we weten wat we denken te weten
- Brain in a vat: gaat over de vraag of en in welke mate het gerechtvaardigd is te geloven dat
wat we denken te weten waar is
, - Wetenschapsfilosofie (ook metafysisch of ethisch)
-> Algemeen: houdt zich bezig met fundamentele filosofische kwesLes die verband houden
met wetenschap
-> Toegepast: filosofische vragen die betrekking hebben op specifieke wetenschappen, vaak
instrumenteel: mechanisering en medicalisering
o Moraalfilosofie
- Studie van principes die betrekking hebben op goed en kwaad (aard, bestaan)
- Norma.eve universum
- Discussie over wat een probleem precies tot een moreel probleem maakt
- Trolley problem
- PoliLeke filosofie
3. Een zeer korte geschiedenis van de Westerse filosofie
o Om zichzelf in stand te houden -> filosofie moest zich steeds opnieuw uitvinden en herdefiniëren
o Oude Griekenland (6e eeuw v.C.)
-> Grote koninkrijken ruimen baan voor vorming van stadstaten met elk hun eigen rechtspraak en
bestuur
-> Wenen die voor iedereen gelijk en toegankelijk zijn + resultaat van publieke debanen
-> Gevoel van relaLviteit: vloeit voort uit feit dat Grieken steeds vaker in contact kwamen met
vreemde culturen (bv door economische opgang)
-> Thales (alles bestaat uit water en aarde drij\ op giganLsch vlot op kosmische zeëen),
Anaximander (bedacht ongedefinieerde substanLe + visualiseerde aarde als een ton) en
Anaximenes (lucht is oorsprong van alles en aarde zwee\ als ufo op omringende luchtstromen)
= Eerste filosofen = Natuurfilosofen (grote interesse in datgene dat de kosmos doet draaien, maar
ook overtuigd dat zowel levende als levenloze natuur voortkomt uit één of andere oerstof)
=> Eerste naturalisten: wilden kosmos begrijpen vanuit eigen natuur + eigen principes; maakten
komaf met eerbiedwaardige mythologische manier van denken
-> Plato (zintuiglijke wereld te veranderlijk om echte kennis te leveren + mogelijkheid van echte
kennis spoort ons aan om te veronderstellen dat er naast deze wereld ook nog andere wereld
moet bestaan: ideëenwereld die sjablonen bevat van alle dingen op aarde) + Aristoteles
(naturalist: alles wat we nodig hebben om de natuur te beschrijven en verklaren is aanwezig in de
natuur zelf)
o Homo universalis: gingen geen enkel thema uit de weg + brachten alle thema’s met elkaar in
verband in groots en doorwrocht systeem
o Middeleeuwen:
§ 313 anno Domini: christendom toegelaten als religie in Romeinse Rijk
§ Veel aandacht aan de band tussen filosofie en christelijk geloof + uitklaren van allerlei
begrippen, argumenten en theorieën die samenhingen met christelijke geloofsleer
§ Filosofie: ambiLe om het universum te doorgronden
§ Elke overtuiging moet in principe in vraag gesteld kunnen worden en moet het voorwerp
kunnen zijn van een raLonele en publieke discussie
§ Religie vaak gepaard met zekere intellectuele bescheidenheid
-> Elk geloof legt grenzen op aan het weten of minstens toch aan de intellectuele
nieuwsgierigheid
§ AugusLnus en Thomas van Aquino
-> Claimen dat veel geloofsovertuigingen wel bewezen kunnen worden met verstand (vandaar
bv de proliferaLe van godsbewijzen in christelijke middeleeuwen)
-> Argumenteren dat geloofsovertuigingen vertrekpunt kunnen (en zelfs moeten) vormen van
verder filosofisch onderzoek
o Moderne wetenschap:
§ Nieuwe ideëen in fysica, astronomie en biologie maakten gaandeweg komaf met oude
dogma’s uit de anLeke oudheid + middeleeuwen
, § Veelzijdigheid: zowel wetenschap als filosofie
-> Eeuwenoude filosofische problemen oplossen met behulp van revoluLonaire
wetenschappelijke methoden
-> Resultaten riepen ook nieuwe filosofische problemen in het leven
§ Richard Feynman (wetenschapper):
-> Enkel oog voor wetenschappen: filosofie eindigt (of beter: zou moeten eindigen) waar
wetenschap begint
-> Vraag naar het wezen van de natuur of naar oerstof niet langer een filosofische vraag, maar
een wetenschappelijke
-> NegaLef oordeel over de waarde van de filosofie: suggereert dat het eerder overbodige
bezigheid is (kan na meer dan 2000 jaar nauwelijks posiLeve resultaten voorleggen)
§ ScienLsme = overtuiging dat de methoden van de natuurwetenschappen de enige bron van
echte kennis over eender welk onderwerp zijn
-> OpLmisten: van overtuigd dat de wetenschap vroeg of laat een antwoord zal vinden op alle
vragen (naïef, want nieuwe wetenschappen roepen ook nieuwe filosofische vragen in het
leven)
o Bertrand Russell: “Er zijn heel wat vragen die, voor zover we daar zicht op hebben, onoplosbaar zullen
blijven voor het menselijk verstand, tenzij zijn krachten van een heel andere orde zouden worden dan wat
ze nu zijn”
4. Besluit
Sinds haar ontstaan hee\ de filosofie zich meerdere keren moeten heruitvinden. Mythologische, religieuze
en wetenschappelijke verklaringen van allerlei fenomenen en gebeurtenissen daagden filosofen voortdurend
uit op zoek te gaan naar de eigenheid van hun discipline. In dit hoofdstuk hebben we betoogd dat die
zoektocht tot op heden weinig resultaten hee\ opgeleverd. Het blijkt erg moeilijk om de unieke eigenheid
van de filosofie te bepalen en haar van aangrenzende kennisdomeinen af te bakenen. Het is met andere
woorden erg moeilijk om een antwoord te vinden op de vraag ‘Wat is filosofie?’.
Die vraag is uiteraard niet de enige vraag die vooralsnog onbeantwoord en misschien zelf onbeantwoordbaar
is. In de filosofie wemelt het van onbeantwoorde en onbeantwoordbare vragen, die onze drang naar
zekerheden danig op de proef stellen. In de hoofdstukken die volgen, zullen we talloze voorbeelden van zulke
vragen ontmoeten.
1. Drie aspecten: a/tude, methodologie en domein
o Ambrose Bierce: “Filosofie is een stelsel van vele wegen die van nergens naar niets leiden”
o Onmogelijke vragen = vragen waarop geen eensluidend en sluitend antwoord kan gegeven
worden
o Moeilijk om een lijst van filosofische kenmerken op te stellen die voorkomen bij alle filosofen en
hun opva/ngen, en enkel bij filosofen en hun opva/ngen
o A/tude:
- Nigel Warburton: “Philosophy is an unusual subject in that its pracLLoners don’t agree what
it’s about.”
- Etymologie: filosofie wijst op een liefde voor de wijsheid of een verlangen om te weten
- Filosofen ergeren zich aan de banaliteiten waarop ons dagelijks leven rust + kunnen of willen
zich niet neerleggen bij overgeleverde inzichten en schijnbare evidenLes
- Descartes redeneerde dat het mogelijk is dat onze zintuigen ons vaker bedriegen dan we
denken. Zintuigen spelen een belangrijke rol in het verwerven van kennis => Als onze zintuigen
onbetrouwbaar zijn, is onze kennis dat dan ook?
- Descartes: malin génie (ons denken wordt voortdurend op een dwaalspoor gezet door God of
kwaadaardige genie)
- Filosofische kriLek opent mogelijkheid dat dingen anders zouden (of hadden) kunnen zijn
- Filosofie tracht vaak een posiLef of construcLef project te formuleren, dat de bekriLseerde
elementen vervangt door elementen die beter bestand zijn tegen kriLek.
- Gemeenschappelijke a/tudes wetenschappers en filosofen: ze zijn kriLsch, zoeken naar
waarheid etc.
- Richard Feynman: “Eén van de kwaliteiten van de wetenschap is dat ze ons de waarde van
raLoneel denken bijbrengt, en het belang van vrijheid van denken; ze leert ons dat het loont
om te twijfelen aan de waarheid van wat ons verteld wordt.”
-> Gaat ook op voor filosofie
- Socrates: filosofische houding = relaLvering
- Alfred North Whitehead: “Philosophy begins in wonder. And, at the end, when philosophic
thought has done its best, the wonder remains.”
-> Verwondering blij\ soort motor achter het filosoferen
- Vertwijfeling: Schopenhauer, Kierkegaard
-> Vertwijfeling bij basale vragen (waarom leven we etc.) bij de meeste mensen op sommige
momenten in het leven (vooral bij mensen die suïcidaal zijn)
o Methode:
- Filosofen gebruiken waaier van methoden, maar geen daarvan lijkt uniek te zijn voor filosofie.
Methoden die wel uniek zijn voor wijsbegeerte worden niet door alle filosofen gebruikt, laat
staan dat die methoden in al het filosofisch werk gebruikt worden.
- IntuïLe: 17e-18e eeuw: verwijzen naar kennis die op een onmiddellijke manier verkregen
wordt (Descartes: des idées claires et dis.nctes = ideëen die geen redelijk mens zou durven te
betwijfelen bv. Je pense donc je suis)
20e eeuw: verwijst naar spontante overtuigingen die we in onze eigen geest aantreffen
wanneer we over een bepaald onderwerp beginnen te denken
-> Common sense (gezond verstand): overtuigingen vaak moeilijk te vreanderen of op te
geven, zelfs in aanwezigheid van overtuigend bewijsmateriaal
- Fauteuilfilosofen = armchair philosophers
- Wetenschappers: baseren zich vaak op hun intuïLes, vervolgens eventueel bevesLgd,
weerlegd of aangescherpt door experimenteel onderzoek
, - Conceptuele analyse = conceptual engineering (Luciano Floridi): het ontrafelen en verbeteren
van concepten die we in het dagelijks leven misschien soms te achteloos gebruiken, bv. liefde,
Ljd of vrijheid.
-> Proberen uitleggen hoe een begrip precies ineen zit
-> Belangrijke begrippen die we gebruiken ontleden in meer eenvoudige begrippen =>
Belangrijke begrippen beter begrijpen + beter kunnen gebruiken
- Gedachte-experiment (Baggini) = instrument van verbeelding dat gebruikt wordt om nieuwe
informaLe over een thema te verkrijgen zonder gebruik te maken van nieuwe empirische
data.
-> Verhelderen problemen door het te visualiseren
-> Leveren gegevens op die voor of tegen een bepaalde theorie gebruikt kunnen worden
-> Financiële, technologische en morele problemen mee omzeilen die zich zouden stellen bij
echte-wereld-experimenten
-> Brain in a vat = experiment dat een scepLsche posiLe over kennis ondersteunt => onze
“zekerheden” zijn eigenlijk geen echte, fundamentele zekerheden.
- Ook in wetenschappen: katparadox (Erwin Schrödinger), li<experiment (Einstein)
- Experimentele filosofen: empirisch-wetenschappelijke methoden kunnen soms bijdragen aan
een oplossing voor tradiLonele filosofische problemen
- Argumenteren: opstallen van argumenten waarbij je gaat van een aantal premissen naar een
conclusie
o Domein:
- Aard van vragen en problemen waarmee filosofen zich bezighouden
- In filosofie geen vooruitgang, enkel nieuwe manieren om oude, onoplosbare problemen te
beschrijven of te begrijpen
- Wetenschap: wetenschappelijke paradigma’s volgen elkaar op zonder echt op elkaar verder te
bouwen. Binnen een paradigma kan er wel sprake zijn van vooruitgang, maar tussen
paradigma’s is dat minder zelfsprekend.
- Onbeantwoorde vragen en fundamentele problemen
-> Je kan er wel iets over zeggen: uitleggen waarom foute antwoorden fout zijn, maar de vraag
wordt niet definiLef opgelost en we zullen nooit weten of die vragen uiteindelijk
beantwoordbaar zullen zijn (Zijn er dingen die we beter niet weten?)
-> Niet enkel in filosofie
2. Vier deeldomeinen
o Metafysica
- Bestudeert de aard en structuur van de wereld
- Meeste metafysische vragen gaan over wat het betekent om te bestaan
-> Bv. Ljd, verhouding tussen lichaam en geest (physical stuff vs. mental stuff)
o Logica
- Studie van geldigheid van redeneringen en argumenten
- Zorgt voor argumentaLeve hygiëne: belangrijk onderdeel van het kriLsch denken
- Weerleggen van drogredenen, bv. slippery slope
o Epistemologie
- Kennisleer
- Studie van aard, structuur en mogelijkheid van onze kennis
- Wat kunnen we weten, hoe verwerven we kennis, wat is kennis, wat betekent het om
overtuigd te zijn van iets etc.
- Weten wat kennis juist is en hoe we weten wat we denken te weten
- Brain in a vat: gaat over de vraag of en in welke mate het gerechtvaardigd is te geloven dat
wat we denken te weten waar is
, - Wetenschapsfilosofie (ook metafysisch of ethisch)
-> Algemeen: houdt zich bezig met fundamentele filosofische kwesLes die verband houden
met wetenschap
-> Toegepast: filosofische vragen die betrekking hebben op specifieke wetenschappen, vaak
instrumenteel: mechanisering en medicalisering
o Moraalfilosofie
- Studie van principes die betrekking hebben op goed en kwaad (aard, bestaan)
- Norma.eve universum
- Discussie over wat een probleem precies tot een moreel probleem maakt
- Trolley problem
- PoliLeke filosofie
3. Een zeer korte geschiedenis van de Westerse filosofie
o Om zichzelf in stand te houden -> filosofie moest zich steeds opnieuw uitvinden en herdefiniëren
o Oude Griekenland (6e eeuw v.C.)
-> Grote koninkrijken ruimen baan voor vorming van stadstaten met elk hun eigen rechtspraak en
bestuur
-> Wenen die voor iedereen gelijk en toegankelijk zijn + resultaat van publieke debanen
-> Gevoel van relaLviteit: vloeit voort uit feit dat Grieken steeds vaker in contact kwamen met
vreemde culturen (bv door economische opgang)
-> Thales (alles bestaat uit water en aarde drij\ op giganLsch vlot op kosmische zeëen),
Anaximander (bedacht ongedefinieerde substanLe + visualiseerde aarde als een ton) en
Anaximenes (lucht is oorsprong van alles en aarde zwee\ als ufo op omringende luchtstromen)
= Eerste filosofen = Natuurfilosofen (grote interesse in datgene dat de kosmos doet draaien, maar
ook overtuigd dat zowel levende als levenloze natuur voortkomt uit één of andere oerstof)
=> Eerste naturalisten: wilden kosmos begrijpen vanuit eigen natuur + eigen principes; maakten
komaf met eerbiedwaardige mythologische manier van denken
-> Plato (zintuiglijke wereld te veranderlijk om echte kennis te leveren + mogelijkheid van echte
kennis spoort ons aan om te veronderstellen dat er naast deze wereld ook nog andere wereld
moet bestaan: ideëenwereld die sjablonen bevat van alle dingen op aarde) + Aristoteles
(naturalist: alles wat we nodig hebben om de natuur te beschrijven en verklaren is aanwezig in de
natuur zelf)
o Homo universalis: gingen geen enkel thema uit de weg + brachten alle thema’s met elkaar in
verband in groots en doorwrocht systeem
o Middeleeuwen:
§ 313 anno Domini: christendom toegelaten als religie in Romeinse Rijk
§ Veel aandacht aan de band tussen filosofie en christelijk geloof + uitklaren van allerlei
begrippen, argumenten en theorieën die samenhingen met christelijke geloofsleer
§ Filosofie: ambiLe om het universum te doorgronden
§ Elke overtuiging moet in principe in vraag gesteld kunnen worden en moet het voorwerp
kunnen zijn van een raLonele en publieke discussie
§ Religie vaak gepaard met zekere intellectuele bescheidenheid
-> Elk geloof legt grenzen op aan het weten of minstens toch aan de intellectuele
nieuwsgierigheid
§ AugusLnus en Thomas van Aquino
-> Claimen dat veel geloofsovertuigingen wel bewezen kunnen worden met verstand (vandaar
bv de proliferaLe van godsbewijzen in christelijke middeleeuwen)
-> Argumenteren dat geloofsovertuigingen vertrekpunt kunnen (en zelfs moeten) vormen van
verder filosofisch onderzoek
o Moderne wetenschap:
§ Nieuwe ideëen in fysica, astronomie en biologie maakten gaandeweg komaf met oude
dogma’s uit de anLeke oudheid + middeleeuwen
, § Veelzijdigheid: zowel wetenschap als filosofie
-> Eeuwenoude filosofische problemen oplossen met behulp van revoluLonaire
wetenschappelijke methoden
-> Resultaten riepen ook nieuwe filosofische problemen in het leven
§ Richard Feynman (wetenschapper):
-> Enkel oog voor wetenschappen: filosofie eindigt (of beter: zou moeten eindigen) waar
wetenschap begint
-> Vraag naar het wezen van de natuur of naar oerstof niet langer een filosofische vraag, maar
een wetenschappelijke
-> NegaLef oordeel over de waarde van de filosofie: suggereert dat het eerder overbodige
bezigheid is (kan na meer dan 2000 jaar nauwelijks posiLeve resultaten voorleggen)
§ ScienLsme = overtuiging dat de methoden van de natuurwetenschappen de enige bron van
echte kennis over eender welk onderwerp zijn
-> OpLmisten: van overtuigd dat de wetenschap vroeg of laat een antwoord zal vinden op alle
vragen (naïef, want nieuwe wetenschappen roepen ook nieuwe filosofische vragen in het
leven)
o Bertrand Russell: “Er zijn heel wat vragen die, voor zover we daar zicht op hebben, onoplosbaar zullen
blijven voor het menselijk verstand, tenzij zijn krachten van een heel andere orde zouden worden dan wat
ze nu zijn”
4. Besluit
Sinds haar ontstaan hee\ de filosofie zich meerdere keren moeten heruitvinden. Mythologische, religieuze
en wetenschappelijke verklaringen van allerlei fenomenen en gebeurtenissen daagden filosofen voortdurend
uit op zoek te gaan naar de eigenheid van hun discipline. In dit hoofdstuk hebben we betoogd dat die
zoektocht tot op heden weinig resultaten hee\ opgeleverd. Het blijkt erg moeilijk om de unieke eigenheid
van de filosofie te bepalen en haar van aangrenzende kennisdomeinen af te bakenen. Het is met andere
woorden erg moeilijk om een antwoord te vinden op de vraag ‘Wat is filosofie?’.
Die vraag is uiteraard niet de enige vraag die vooralsnog onbeantwoord en misschien zelf onbeantwoordbaar
is. In de filosofie wemelt het van onbeantwoorde en onbeantwoordbare vragen, die onze drang naar
zekerheden danig op de proef stellen. In de hoofdstukken die volgen, zullen we talloze voorbeelden van zulke
vragen ontmoeten.