Academiejaar 2025-2026 KU Leuven
ANALYTISCHE WIJSBEGEERTE EN TAALFILOSOFIE
,INHOUDSTAFEL
1 Module 1: Paul Grice ...................................................................................................... 5
1.1 Inleiding 5
1.1.1 Menselijke communicatie 5
1.1.2 Over Grice 5
1.2 Natural vs. non-natural meaning 5
1.2.1 (1) N-betekenis 5
1.2.2 (2) NN-betekenis 6
1.2.3 Herformulering van N-betekenis 6
1.2.4 Herformulering van NN-betekenis 8
1.3 Wat is communicatie? 11
1.3.1 Vertrekpunt 11
1.3.2 Eerste analyse van communicatie 11
1.3.3 Tweede analyse van communicatie 12
1.3.4 Derde analyse van communicatie 14
1.3.5 Conclusie: wat is communicatie? 15
1.3.6 Signalen als epistemische substituten 16
1.3.7 Kritieken op Grice 17
2 Module 2: Gottlob Frege .............................................................................................. 18
2.1 De propositie 18
2.1.1 Freges idealisering 18
2.1.2 Inhoud 18
2.1.3 Zinnen en proposities 19
2.1.4 Methodologische uitgangspunten 20
2.1.5 Semantische waarde 23
2.2 Waarheid 24
2.2.1 Waarheidstheorieën 24
2.2.2 Freges minimalistische theorie 25
2.2.3 Technische eigenschappen van het predicaat ‘is waar’ 26
2.2.4 Problemen met correspondentietheorie 30
2.2.5 Accuraatheid 34
2.3 Beweren 35
2.3.1 Act en inhoud 35
2.3.2 Freges tekortkomingen 36
2.3.3 Indexicale uitdrukkingen 37
2.4 Betekenis 37
2.4.1 Probleemstelling 37
2.4.2 Naïeve theorie 38
2.4.3 Freges eigen theorie 40
2.5 Platonisme 41
2.5.1 Freges platonisme omtrent Betekenissen en proposities 41
2.5.2 Rudolf Carnaps alternatief 43
2.5.3 Waarheidsrelativisme? 43
3 Module 3: Ludwig Wittgenstein .................................................................................. 46
3.1 Inleiding 46
© Jeroen Goots Analytische wijsbegeerte en taalfilosofie 2
, 3.1.1 Geschiedenis 46
3.1.2 Onderscheid gewone en ideale taal 46
3.2 Biografie 47
3.3 Vroege Wittgenstein (I): Tractatus Logico-Philosophicus 48
3.3.1 Betekenis- en waarheidstheorie 48
3.3.2 Limieten van mijn denken 49
3.4 Late Wittgenstein (II): Filosofische Onderzoekingen 51
3.4.1 Transitie en kritiek op Tractatus 51
3.4.2 Inleiding: Augustinus’ Confessiones 51
3.4.3 Betekenis als gebruik 52
3.4.4 Taalspelen en familiegelijkenissen 52
3.4.5 Filosofie en verwarring 53
3.4.6 Theorieën over hoe taal werkt 54
3.4.7 Outro: de essentie van Wittgenstein is niet contextualisme 57
4 Module 4: John Austin ................................................................................................. 58
4.1 Inleiding 58
4.1.1 J.L. Austin 58
4.1.2 Betekenis en kracht van een uitspraak 58
4.2 Eén uiting, drie taalhandelingen 60
4.2.1 Locutionaire handeling 60
4.2.2 Illocutionaire handeling 61
4.2.3 Perlocutionaire handeling 61
4.3 Performatieven 62
4.3.1 Historische achtergrond 62
4.3.2 Performatieve taalhandelingen (PT) 63
4.3.3 Expliciete PT’s genereren commitment 64
4.3.4 Introductie van namen 66
4.3.5 Werkwoorden 67
4.3.6 Zijn performatieve uitspraken waar? 68
4.3.7 De belofte 68
4.4 Toepassingen 69
4.4.1 Performatieven zijn coördinatie-instrumenten 69
4.4.2 Metalinguïstische onderhandelingen 70
4.4.3 Publieke afkondigingen 71
5 Module 5: Indirect spreken .......................................................................................... 72
5.1 Paul Grice 72
5.1.1 Inleiding 72
5.1.2 Methodologische uitgangspunten 73
5.1.3 Conventionele implicaturen 76
5.1.4 Conversationele implicaturen 78
5.2 Daniel Kahneman 81
5.2.1 Framing 81
5.2.2 Manipulatie en nudging 82
5.3 Steven Pinker 83
5.3.1 Voorgeschiedenis 83
5.3.2 Speltheoretische analyse van commitment en common knowledge 83
5.3.3 Strategische functie van indirect taalgebruik 86
5.3.4 Fiske over sociale verhoudingen 92
© Jeroen Goots Analytische wijsbegeerte en taalfilosofie 3
, 5.3.5 Pluralistische ignorantie en rationele ignorantie 94
5.4 Metaforen 96
5.4.1 Vragen 96
5.4.2 De vele functies van metaforisch spreken 96
5.4.3 Letterlijke betekenis en metaforische betekenis 97
5.4.4 Communicatieve functie van metaforen 98
5.4.5 Kenmerken van metaforen 99
6 Module 6: Speltheorie ................................................................................................. 104
6.1 Inleiding 104
6.2 Matrix lezen 105
6.2.1 Concepten 105
6.2.2 Drie strategieën 105
6.3 Soorten spellen 107
6.3.1 Puur coördinatiespel 107
6.3.2 Nulsomspel (zero-sum) 108
6.3.3 Battle of the sexes 108
6.3.4 Hertenjacht (stag hunt) 108
6.3.5 Prisoner’s dilemma 109
6.3.6 Havik-duifspel (chicken game) 109
6.3.7 Ultimatum spel 109
6.4 David Hume als voorloper 110
6.5 Ullmann-Margalit: Coördinatienormen 111
6.5.1 Inleiding 111
6.5.2 Coördinatienormen 112
6.5.3 Morele regels 115
6.5.4 Conformisme 116
6.5.5 PD oplossen 116
© Jeroen Goots Analytische wijsbegeerte en taalfilosofie 4
,1 MODULE 1: PAUL GRICE
1.1 INLEIDING
1.1.1 Menselijke communicatie
menselijke communicatie is intentioneel
- dieren/planten: biologisch/instinctief gedrag
- mensen: productie en receptie van signalen w onder intentionele controle geplaatst
o communicatie = intentioneel fenomeen
o taalhandeling is een intentionele handeling
o gevolg: modellen w complexer
o bv. je kan beslissen iets te zeggen, je reageert
niet puur intuïtief
schematisch
- zender (z), ontvanger (o), teken (x), betekenis (p)
- z produceert x en wilt daarmee de o iets doen geloven
- o herkent wat z bedoelt met x
1.1.2 Over Grice
achtergrond
- filosoof uit Oxford
- verhuisde naar Berkeley (hippies)
artikel hier relevant: “Meaning” (1957)
- verschillende manieren om ‘betekenis’ te gebruiken
o wat is de betekenis v/h leven? wat betekent het woord ...? wat bedoel je?
- zondert één notie van ‘betekenis’ af
1.2 NATURAL VS. NON-NATURAL MEANING
1.2.1 (1) N-betekenis
= X betekent dat p, impliceert dat p → de verbinding tussen beide elementen is
‘natuurlijk’ (soms zelf: nomologisch)
- relatie is inferentieel
o x betekent y → ik kan uit x afleiden dat y
- relatie is factief
o X is factief als uit X logisch afgeleid kan w dat y is
o bv. x weet y, dus y → x weet y = factief
o bv. x betekent y, dus y → x betekent y = factief
o bv. Piet herinnert zich niet dat het gisteren geregend heeft, dus het heeft gisteren
geregend = factief
© Jeroen Goots Analytische wijsbegeerte en taalfilosofie 5
, o bv. Piet gelooft dat het gisteren geregend heeft, dus het heeft gisteren geregend
= niet factief
voorbeelden
- bv. die sporen in het zand betekenen dat er krokodillen in de buurt zijn
o inferentie: als ik die sporen in het zand aantref, kan ik daar uit afleiden dat er
krokodillen in de buurt zijn
o factief: die sporen in het zand betekenen dat er krokodillen in de buurt zijn, dus
er zijn krokodillen in de buurt
- bv. rook betekent vuur
o inferentie: als ik rook zie, leid ik daar uit af dat er vuur is
o factief: die rook betekent vuur, dus er is vuur
- bv. dit sediment betekent dat er kalk in de bodem zit
o inferentie: als ik die sedimenten zie, weet ik dat er kalk in de bodem zit
o factief: dit sediment betekent dat er kalk in de bodem zit, dus er zit kalk in de
bodem
- bv. dit type bijendans betekent dat er nectar te vinden is
o inferentie: als ik dit type bijendans zie, leid ik daar uit af dat er nectar te vinden
is
o factief: dit type bijendans betekent dat er nectar te vinden is, dus er is nectar te
vinden
1.2.2 (2) NN-betekenis
= wat een spreker hier en nu wil communiceren
- = noodzakelijke (geen voldoende) voorwaarde voor NN-betekenis: als x NN-betekenis
heeft, had een agent of spreker/zender een bedoeling met (de productie van) x
o agentief denken nodig
o interpretatie nodig
- relatie is niet factief
o ‘x betekent dat y, dus y’ is niet geldig
o bv. uit ‘het regent’ volgt niet logisch dat het regent
voorbeelden
- bv. de rode wimpel in de mast betekent dat er geen gevangenen worden gemaakt
- bv. ‘het regent’ betekent dat het regent
- bv. dat gebaar betekent dat hij je wil vermoorden
1.2.3 Herformulering van N-betekenis
1.2.3.1 Probabiliteit
(het fenomeen) X is een aanwijzing (evidence) voor Y
- ‘wat n-betekent X?’ =
o = wat kun je afleiden uit (het optreden van) X?
o = waarvoor is (het voorkomen van) X een aanwijzing?
© Jeroen Goots Analytische wijsbegeerte en taalfilosofie 6
, - regel: de probabiliteit van Y, gegeven X, stijgt als X optreedt
o een token van X verhoogt de waarschijnlijkheid van Y
o bv. de probabiliteit dat er vuur is, gegeven rook, stijgt als er meer rook optreedt
o bv. meer sporen in het zand zijn een nog betere aanwijzing voor krokodillen
- abductieve redenering
o = inference to the best explanation
o bv. de feiten betekenen dat de butler het heeft gedaan
o bv. verkoudheidssymptomen tijdens coronapandemie betekenen corona-infectie
o bv. zoveel rook betekent vuur
suggestie:
[1] X n-betekent Y = prob (Y ꓲ X) > prob (Y)
o met Y = hypothese, X = data
o regel geldt ruwweg
o bv. p (vuur ꓲ rook) > prob (vuur) → je hebt een bep. probabiliteit van vuur, en
die probabiliteit stijgt als je een aanwijzing hebt van vuur
[2] prob (Y ꓲ X) = [prob (Y ∧ X)]/prob (X)
o regel van Bayes
o prevalentie (a priori kans) van X (prob(X)) moet laag genoeg zijn om de breuk
opvallend te laten zijn; prevalentie mag niet algemeen zijn
o bv. als er overal rook zou zijn, zou rook geen opvallend signaal zijn →
aanwezigheid van rook zou veel minder een aanduiding van vuur zijn
o bv. als iedereen rode vlekken heeft, zouden rode vlekken geen opvallend signaal
zijn voor vlektyfus
o opm: availability bias: ‘ik denk meteen aan Y als ik X ziet’ → gebaseerd op
verwaarlozen van a priori kans van X
§ bv. ik kuch (X), dus ik geloof dat ik longkanker (Y) heb MAAR ik
vergeet dat kuchten (X) veel vaker voorkomt als een onschuldige klacht
die niet samenhangt met longkanker
twee complicaties:
[1] type- versus token relaties
o token-relatie = obv empirie hier en nu (bv. hier en nu rook zien en dat als
aanwijzing voor vuur zien)
o type-relatie = obv algemene kennis (bv. ik weet dat rook vuur betekent)
o door alles te probabiliseren, heeft Grice betekenis naar een type-relatie
overgebracht
[2] filosofisch wespennest
o ‘X n-betekent Y’, ‘X representeert Y’, ‘X staat over Y’ ... = uitdrukkingen die in
hetzelfde veld liggen
o omsluit ‘betekenen’ al deze uitdrukkingen?
o algemener: wat is het verband tussen betekenis en ‘over iets gaan’?
© Jeroen Goots Analytische wijsbegeerte en taalfilosofie 7
, 1.2.3.2 Ons innerlijke leven
uiterlijk teken zijn voor iets innerlijk is nog steeds natuurlijke betekenis
- reden: er w niets gecommuniceerd
o geen agentief, intentioneel denken
- voorbeelden
o bv. blozen betekent dat je je schaamt (je intendeert het niet; het overkomt je)
o bv. haar blik verraadde woede
o bv. die opvatting laat zien dat ze beïnvloed w door propaganda
o bv. met die Rolex signaleert hij macht/rijkdom/begeerlijkheid
opm: grijze zone
- in de biologie/evolutionaire psychologie is een ‘signaal’ een spectrumfenomeen dat in
een lijn staat met cues, informatieuitwisseling en communicatie
- bv. is met een Porsche rijden doelbewust; communiceer je er iets mee?
1.2.3.3 Vrijwilligheid
vrijwilligheid is geen voldoende voorwaarde voor communicatie
- problemen met vrijwilligheid
o vrijwilligheid impliceert dat de (taal)handeling onder intentionele controle staat,
en dus de persoon die de taalhandeling stelt mogelijks veinst (doet alsof)
o gevolg: vrijwilligheid van gedrag ondermijnt natuurlijke betekenis
- pijn tonen ↔ zeggen dat je pijn hebt
o zeggen = onder intentionele controle → natuurlijke betekenis niet zeker
o tonen = minder onder intentionele controle → natuurlijke betekenis zekerder
o bv. ik hoor Y ‘ik heb pijn’ zeggen, maar besef dat hij dat vrijwillig zei, waardoor
mijn neiging om tot de conclusie te komen dat Y in pijn is, w ondermijnd
algemeen: x NN-betekent dat y = niet factief (cf. supra)
- bv. Y zegt dat hij pijn heeft ↛ Y verkeert in pijn
- bv. Y roept op het toneelpodium ‘brand’ ↛ er is daadwerkelijk brand
- bv. Y zegt dat het regent ↛ het regent
1.2.4 Herformulering van NN-betekenis
situaties met een agent die een doel heeft
- doel/bedoeling/purpose van hetgeen de spreker uit
- teleologisch: met welk doel is het vervaardigd?
- we vragen naar wat een spreker/zender bedoelt te communiceren met iets (gebaar,
woorden...)
- bv. rode wimpel heeft een doel
opm: agentief denken als oorzaak van cognitieve vergissingen
- we kunnen als mens overshooten in het agentief denken, met name door het toe te
schrijven aan natuurlijke fenomenen
- bv. evolutie is geen agentief proces, maar toch zijn we geneigd om te denken dat de
wereld is geschapen door een agent
© Jeroen Goots Analytische wijsbegeerte en taalfilosofie 8