1. Algemene inleiding
• Dierenwelzijn
o Het fysieke en gevoelsmatige welzijn van dieren
• Basisvoorwaarden voor welzijn
o Geschikt en voldoende voedsel en drinkwater
o Geschikte beschutting
o Mogelijkheid om normaal gedrag te vertonen
o Fysieke behandeling met een minimum aan pijn en ongemak
o Bescherming tegen letsels en ziekten
• Dierhygiëne
= het onderdeel vd DGK dat ervoor zorgt dat de kwaliteit vd omgeving waar het dier verblijft in
een goede staat is
-> gezondheid vh dier w gewaarborgd
1.1 Algemene concepten van ziekteverspreiding
• Uitleg grafiek
o Autotroof MO: voorziet zijn eigen voeding uit de omgeving
o Heterotroof MO: is afh van iets/iemand om aan zijn voedsel te geraken
▪ symbiont
= zowel gastheer als MO hebben voordeel aan elkaar
• vb: bacteriën in darm nodig voor vertering en hebben ons nodig voor
voeding
▪ saprofyt
= het één heeft een voordeel, het ander is neutraal
• vb: zwammen die door organisch materiaal opruimen
▪ parasitair
= kunnen aanleiding geven tot infectie, zijn volledig afh van gastheer en
zorgen voor neg effect op gastheer
• Als een parasitair MO een gastheer infecteert, wil het niet zeggen dat
er ziekte is
o Afh van pathogeen zelf en de infectiedruk
,• Transmissiecirkel van infectieziekten
o Doel van pathogeen
▪ Zich in stand houden door kolonisatie van bepaalde ecologische niches
(vb: dier, orgaan, cel…), uitscheiding, overleving buiten gastheer, spreiding,…
Eens pathogeen in gastheer zit ->
kolonisatie van gastheer (gaat
gepaard met ziekte)
Uitscheiding = verspreiding van
ziekten
• Intrede
o Manier van intrede = pathogeen specifiek!
o Ademhaling
▪ Inhalatie van infectieuze agentia
▪ Oorzaken: aanwezigheid infectieuze aërosols, slechte ventilatie gecombineerd
met overbevolking, ….
o Gastro-intestinaal
▪ Ingestie van pathogenen
▪ Oorzaken: contaminatie vd omgeving met pathogenen die buiten de gastheer
kunnen overleven , slechte disinfectie, ….
o Huid
▪ Oorzaken: wonden, insectenbeten, dierbeten, aanwezigheid schurende
planten, het scheren van schapen, gebruik van gecontamineerde naalden
o Reproductief systeem
▪ SOA en verticale transmissie
▪ Oorzaken: artificiële inseminatie
• Kolonisatie
Op T0 komt MO in gastheer
-> persoon heeft een incubatieperiode voor de
symptomen zich ontwikkelen
Als je geïnfecteerd bent, kan je zelf ook
verantwoordelijk zijn van de infectie bij andere
mensen via excretie
Je bent vaak besmettlijk voor de omgeving, voor
er effecten optreden
Latente drager = blijven heel kleine concentraties
van dat pathogeen uitscheiden gedurende heel
lange periode
,• Belang van subklinische infecties
o Afwezigheid symptomen ≠ afwezigheid infectie / ziekte
o Behandelen van alleen klinisch zieke dieren in groep kan inefficiënt zijn
o Klinische symptomen ≠ introductie pathogeen in groep
o Hou rekening met niet-detecteerbare infecties
▪ Continu max aan hygiênische maatregelen toepassel
▪ Belang van quarantaine
• Aankoop nieuw dier
• Zieke dieren + dieren die hiermee in contact zijn gekomen
• Verspreiding
o Als het onrechtstreeks gebeurt
-> overleving in omgeving of tussengastheer nodig
▪ Gedragen in/op vehikel
▪ Via faeces, urine, hoesten, materialen
o Als het rechtstreeks gebeurt
-> geen overleving in omgeving nodig
▪ Contact tss 2 dieren, hoesten, ….
Klinische symptomen die plots voorkomen wil niet zeggen dat die pathogeen er plots is in de
omgeving, maar als de infectiedruk ie bedrijf plots toeneemt kunnen dieren plots ziek worden door
een MO die altijd al aanwezig is maar nu een kritische drempel heeft berijkt
• Weerstand aan de omgeving
o Biologische factoren
▪ Sporen (basilus, clostridium), oöcysten, prionen….
o Zoötechnische factoren
▪ Overbezetting
▪ Acclimatisatie
▪ Niches met een bepaald microklimaat
1.2 Belangrijkste routes van ziekteverspreiding
• Aërosols en druppels, geïnfecteerd materiaal, water, ….
, 1.3 Belang van het pathogeen, de omgeving en de gastheer bij ziekteverspreiding
• De gastheer
o Leeftijdsgebonden perioden van stress!!!
2 momenten van veel stress: geboorte en spenen -> belang van lage infectiedruk deze periodes
Voor de geboorte: immuno-tolerantie
- Een jong dat nog in moeder zit hangt volledig af vd antistoffen van moederdier
Tijdens geboorte: kolonisatie
- Gaat direct gekoloniseerd worden door MO van het moederdier
- Interferentie: de MO vh moederdier interfereren met de kolonisatie slechte MO
-> het jong wordt beschermd
- Vb: roetbiggen = biggen die tijdens geboorde gekoloniseerd worden met bepaalde stafylokokken soort -> biggen
worden ziek en sterven uiteindelijk
Na geboorte: passieve immuniteit
- Antistoffen van moederdier overgedragen aan jong via bv colostrum
- In de loop van tijd gaat jong zelf in contact komen met bepaalde dingen en bouwen de actieve immuniteit op
Spenen
- Passieve immuniteit van dier verdwijnt -> stress -> ziekten
- Vb: ecoli-infectie bij biggen = ecoli produceert toxines -> BV kunnen lekken -> oedeemvorming rond BV -> big krijgt
zenuwverschijnselen en fietsende bewegingen
o Specifieke immuunresponsen
▪ Vaccinatie, immuniteit…
o Perioden van (extra) stress
▪ (Her)groeperen, dracht, transport
o Genetische actergrond en gevoeligheid voor infecties
▪ Meer maatregelen neonataal
▪ Specifieke maatregelen bij bepaalde rassen
o !! gastheerfactoren sturen het hygiëneplan !!