HOOFDSTUK 1: INLEIDING
HOOFDSTUK 2: CELLEN EN ORGANEN
,Neutrofiel Morf:
• 12-15 µm diameter
• Gelobde kern (2-5 lobben)
• Ruim cytoplasma met fijne granules
Fysio:
1. 50-70% van circulerende leukocyten in bloed
2. 7 à 10 uur circuleren in bloed → enkele dagen in weefsel overleven (rolling en
extravasatie)
3. Ontwikkeling in beenmerg gestimuleerd door cytokines en groeifactoren
4. Transiente ↑ = ontsteking
5. Migreren v bloed naar plaats van ontsteking = chemotaxis (oiv chemokines)
6. Fagocyteren en lyseren pathogenen mbv enzymes en antimicrobiele proteines
uit granules die fuseren met fagosoom
7. Scheiden antimicrobiele proteines af
8. Genereren NETs voor bact (neutrophil extracellular traps)
9. Geheel vormt etter of pus
10. Secreteren cytokines die oa functie van B- en T-lymfocyten helpt reguleren
,Eosinofiel Morf:
• 12-17 µm
• 2-lobbige kern
• Ruim cytoplasma met granules (grote eosinofiele + fijne azurofiele)
Fysio:
1. 1-3% van circulerende leukocyten in bloed
2. Verdediging tegen parasitaire wormen (cathepsine)
3. Rol in asthma en allergische symptomen
4. Secreteren cytokines die functie van B- en T-lymfocyten helpt reguleren
Basofiel Morf:
• 7-11µm
• 2-lobbige kern verscholen achter granules
• Ruim cytoplasma met granules (zurofiele granules = lysosomen + granules
met histamine, leukotrienen, IL4, IL13, …)
Fysio:
1. <1% van circulerende leukocyten in bloed (5-6 uur)
2. Verdediging tegen parasitaire wormen (helminthen)
3. Faciliteren migratie van immuuncellen naar plaats van infectie via
vasodilatatie (granule-vrijzetting) + aantrekken van eosinofielen en lymfocyten
4. Rol in allergische symptomen (via IgE-binding)
Monocyt Morf:
• Grote, onregelmatige cellen
• Kern met indeukingen
• Vesikels in cytoplasma
Fysio:
• Componenten vh aangeboren immuunsysteem
• Afkomstig van myeloide cellijn
• 2-12% van circulerende leukocyten in bloed
• Differentieren tot macrofagen in de weefsels
• Antigeen presenterende cellen (APCs)
Macrofaag Afkomstig van inflammatoire monocyten:
1. In weefsel gedifferentieerd van monocyt naar macrofaag
2. APC activiteit
3. Fagocytose om pathogenen te verwijderen
Weefsel-residente macrofagen:
1. Al in embryonale fase aanwezig
2. Specifieke celtypes met weefsel-specifieke functies
3. Self-renewal
4. APC activiteit
• Long = alveolaire macrofaag : eliminatie van stof, allergenen en micro-
organismen
• Lever = Kupffer cel : klaring van pathogenen en toxines
• Beenmerg = osteoclast : botresorptie
• Milt = Splenic macrofaag : klaring van oude RBC (rode pulpa) en blood-
borne antigenen (marginale zone)
• Dunne darm = intestinal macrofaag : herkenning en verwijdering van
pathogenen + tolerantie van voedsel antigenen en microbiotica
• Lymfeknopen = subcapsulaire en medullaire macrofagen : antigeen vangen
en presenteren aan B cellen
, Dendritische cel Fysio:
• Aanwezig in weefsel (amper in perifeer bloed)
• Monitoren invaderende pathogenen, nemen AG op (via fagocytose, receptor
gemedieerde endocytose en pinocytose) en verwerken die, migreren naar
lymfoide organen
• Presenteren AG aan adaptief immuunsysteem
• APC functie = AG op plaats 1 capteren en presenteren op plaats 2
Lymfoide cel 1. B-lymfocyten = B cellen
2. T-lymfocyten = T cellen
3. Innate lymphoid cells (ILCs) = eigenschappen van zowel innate als adaptief
immuunsysteem
Plasma cel
Natural killer cel (NK)
Mast cel Fysio:
• In huid, slijmvliezen, bindweefsel van organen (niet in perifeer bloed)
• Verschillende granulen, kan cytokines (pro-inflammatoire mediatoren)
vrijzetten
• Monitoren aanwezigheid van pathogeen (of weefselschade)
• Verdediging tegen parasitaire infecties en allergische reacties
T-cel progenitor cellen van beenmerg via bloed naar thymus → rijpen (matureren) daar
Corticomedullaire junctie = zone/ overgang tussen cortex (buitenste deel van thymus) en medulla
(binnenste deel van thymus)
Dubbel negatief → dubbel positief → singular positief op junctie
Secundaire lymfoide organen/ entiteiten = legerkazerne van actieve (effector) cellen = lymfeknopen, milt,
tonsillen (amandelen), barriere weefsels, mucosa (vb MALT), huid
Lymfeknoop:
HOOFDSTUK 2: CELLEN EN ORGANEN
,Neutrofiel Morf:
• 12-15 µm diameter
• Gelobde kern (2-5 lobben)
• Ruim cytoplasma met fijne granules
Fysio:
1. 50-70% van circulerende leukocyten in bloed
2. 7 à 10 uur circuleren in bloed → enkele dagen in weefsel overleven (rolling en
extravasatie)
3. Ontwikkeling in beenmerg gestimuleerd door cytokines en groeifactoren
4. Transiente ↑ = ontsteking
5. Migreren v bloed naar plaats van ontsteking = chemotaxis (oiv chemokines)
6. Fagocyteren en lyseren pathogenen mbv enzymes en antimicrobiele proteines
uit granules die fuseren met fagosoom
7. Scheiden antimicrobiele proteines af
8. Genereren NETs voor bact (neutrophil extracellular traps)
9. Geheel vormt etter of pus
10. Secreteren cytokines die oa functie van B- en T-lymfocyten helpt reguleren
,Eosinofiel Morf:
• 12-17 µm
• 2-lobbige kern
• Ruim cytoplasma met granules (grote eosinofiele + fijne azurofiele)
Fysio:
1. 1-3% van circulerende leukocyten in bloed
2. Verdediging tegen parasitaire wormen (cathepsine)
3. Rol in asthma en allergische symptomen
4. Secreteren cytokines die functie van B- en T-lymfocyten helpt reguleren
Basofiel Morf:
• 7-11µm
• 2-lobbige kern verscholen achter granules
• Ruim cytoplasma met granules (zurofiele granules = lysosomen + granules
met histamine, leukotrienen, IL4, IL13, …)
Fysio:
1. <1% van circulerende leukocyten in bloed (5-6 uur)
2. Verdediging tegen parasitaire wormen (helminthen)
3. Faciliteren migratie van immuuncellen naar plaats van infectie via
vasodilatatie (granule-vrijzetting) + aantrekken van eosinofielen en lymfocyten
4. Rol in allergische symptomen (via IgE-binding)
Monocyt Morf:
• Grote, onregelmatige cellen
• Kern met indeukingen
• Vesikels in cytoplasma
Fysio:
• Componenten vh aangeboren immuunsysteem
• Afkomstig van myeloide cellijn
• 2-12% van circulerende leukocyten in bloed
• Differentieren tot macrofagen in de weefsels
• Antigeen presenterende cellen (APCs)
Macrofaag Afkomstig van inflammatoire monocyten:
1. In weefsel gedifferentieerd van monocyt naar macrofaag
2. APC activiteit
3. Fagocytose om pathogenen te verwijderen
Weefsel-residente macrofagen:
1. Al in embryonale fase aanwezig
2. Specifieke celtypes met weefsel-specifieke functies
3. Self-renewal
4. APC activiteit
• Long = alveolaire macrofaag : eliminatie van stof, allergenen en micro-
organismen
• Lever = Kupffer cel : klaring van pathogenen en toxines
• Beenmerg = osteoclast : botresorptie
• Milt = Splenic macrofaag : klaring van oude RBC (rode pulpa) en blood-
borne antigenen (marginale zone)
• Dunne darm = intestinal macrofaag : herkenning en verwijdering van
pathogenen + tolerantie van voedsel antigenen en microbiotica
• Lymfeknopen = subcapsulaire en medullaire macrofagen : antigeen vangen
en presenteren aan B cellen
, Dendritische cel Fysio:
• Aanwezig in weefsel (amper in perifeer bloed)
• Monitoren invaderende pathogenen, nemen AG op (via fagocytose, receptor
gemedieerde endocytose en pinocytose) en verwerken die, migreren naar
lymfoide organen
• Presenteren AG aan adaptief immuunsysteem
• APC functie = AG op plaats 1 capteren en presenteren op plaats 2
Lymfoide cel 1. B-lymfocyten = B cellen
2. T-lymfocyten = T cellen
3. Innate lymphoid cells (ILCs) = eigenschappen van zowel innate als adaptief
immuunsysteem
Plasma cel
Natural killer cel (NK)
Mast cel Fysio:
• In huid, slijmvliezen, bindweefsel van organen (niet in perifeer bloed)
• Verschillende granulen, kan cytokines (pro-inflammatoire mediatoren)
vrijzetten
• Monitoren aanwezigheid van pathogeen (of weefselschade)
• Verdediging tegen parasitaire infecties en allergische reacties
T-cel progenitor cellen van beenmerg via bloed naar thymus → rijpen (matureren) daar
Corticomedullaire junctie = zone/ overgang tussen cortex (buitenste deel van thymus) en medulla
(binnenste deel van thymus)
Dubbel negatief → dubbel positief → singular positief op junctie
Secundaire lymfoide organen/ entiteiten = legerkazerne van actieve (effector) cellen = lymfeknopen, milt,
tonsillen (amandelen), barriere weefsels, mucosa (vb MALT), huid
Lymfeknoop: