INLEIDING FICTIEBEPALINGEN ..................................................................................................................... 2
ART. 9 SW ............................................................................................................................................................... 2
ART. 15 SW ............................................................................................................................................................. 2
KLASSIEKE FICTIEBEPALINGEN ..................................................................................................................... 4
ART. 7 SUCCESSIEWET ............................................................................................................................................... 4
ART. 10 SUCCESSIEWET ............................................................................................................................................. 4
Schuldigerkenning uit vrijgevigheid ................................................................................................................ 5
Huur................................................................................................................................................................. 5
ARTIKEL 11 SUCCESSIEWET ......................................................................................................................................... 6
ARTIKEL 12 SUCCESSIEWET ......................................................................................................................................... 7
ARTIKEL 13 SUCCESSIEWET ......................................................................................................................................... 8
ARTIKEL 13A SUCCESSIEWET ....................................................................................................................................... 8
BEDRIJFSOPVOLGINGSFACILITEITEN ............................................................................................................ 9
FACILITEITEN ............................................................................................................................................................ 9
OBJECT ................................................................................................................................................................. 10
Preferente aandelen...................................................................................................................................... 10
Medegerechtigheid ....................................................................................................................................... 10
Holdingstructuren ......................................................................................................................................... 11
, Inleiding fictiebepalingen
Fictiebepalingen maken heffing mogelijk over verkrijgingen die in economisch opzicht op één lijn
kunnen worden gesteld met erfrechtelijke verkrijgingen of schenkingen, maar dit niet zijn of waarvan
het hoogst twijfelachtig is of deze dit zijn.
De fictiebepalingen van artt. 10, 11 lid 1 en 2, lid 13 lid 2 en lid 13a Sw zijn beperkt tot partners en
bloed- en aanverwanten tot en met de vierde graad ‘verdachtenclub’.
Een vruchtgebruik is een levenslang recht dat duurt tot het overlijden van een vruchtgebruiker. Als dat
recht eindigt, is dat civielrechtelijk geen erfrechtelijke verkrijging voor de blote eigenaar. Fiscaal wordt
er wel erfbelasting geheven.
Art. 9 Sw
Voorbeeld
Vader en moeder hebben ieder een vermogen van 100. Als vader komt te overlijden zonder testament,
is op zijn nalatenschap art. 4:13 BW van toepassing. Zijn nalatenschap van 100 wordt toebedeeld aan
de langstlevende echtgenoot. Op grond van art. 4:10 BW hebben de moeder en de zoon ieder recht
op de helft, dus 50 per persoon. De zoon krijgt dat in de vorm van een vordering op zijn moeder. Deze
vordering kan alleen een rente dragen voor zover de wettelijke rente hoger is dan 6%. Maar de
wettelijke bepaling biedt erfgenamen de mogelijkheid om onderling een andere rente af te spreken.
Als er geen rente is afgesproken, heb je te maken met een fictief vruchtgebruik (art. 21 lid 15 Sw). Er
is geen fictief vruchtgebruik bij een rente van 6% samengesteld. Zo’n rente doet de vordering in waarde
toenemen. Hierdoor zal het vermogen van de langstlevende in waarde dalen.
Art. 9 Sw bevat de fictiebepaling voor bovenmatige rente op erfrechtelijke vorderingen. Een vordering
kan bij het eerste overlijden niet boven nominaal worden gewaardeerd, ongeacht de hoogte van de
rente (lid 1). Hierdoor is 6% samengesteld de hoogste rente die je fiscaal kunt hanteren. Bij een hogere
rente, zal iemand wellicht een hogere waarde aan de vordering willen toekennen, maar de fictie zorgt
er dus voor dat de vordering altijd nominaal wordt gewaardeerd.
Stel dat er wordt afgesproken dat de vordering een rente draagt van 10%. Op een gegeven moment
wordt deze vordering opeisbaar. Op grond van art. 9 lid 2 Sw wordt dan (10%-6%) aangemerkt als een
fictieve verkrijging krachtens erfrecht bij overlijden of een fictieve verkrijging krachtens schenking bij
uitbetaling tijdens het leven van de langstlevende.
Art. 15 Sw
Art. 15 Sw ziet op renteloze of laagrentende leningen. Deze bepaling is in de wet gekomen door BNB
1986/162. Hierin heeft de Hoge Raad gezegd dat het verstrekken van een renteloze of laagrentende
lening geen schenking is, mits deze direct opeisbaar is en deze directe opeisbaarheid realiteitsgehalte
heeft.
Voorbeeld
Een vader leent € 100.000 aan zijn dochter tegen 0% rente. De dochter gaat met dit geleende geld
beleggen. Hiermee behaalt zij in één jaar een rendement van 15%. In het verstrekken van de renteloze
lening zit een bevoordeling. De bevoordelingsbedoeling is een van de kenmerken van een
gift/schenking. Toch heeft de Hoge Raad geoordeeld dat dit geen schenking is als deze lening direct
opeisbaar is. Dit moet blijken uit de leningsovereenkomst. Ook moet het feitelijk direct opeisbaar zijn.
Hiermee wordt bedoeld dat de vader op ieder moment bij de dochter aan moet kunnen kloppen om
2