Het speelveld, de spelregels en de spelers
Prof. Vickie Dekocker
Deel 1: Sociologie, een wetenschap van de samenleving
Belangrijkste drijvende krachten in de samenleving, waarmee we een samenhangend geheel maken van de
verworvenheden van de sociologie:
• Gestructureerde gehelen: groepen (gezin), organisaties (onderneming, en instituties (cultuurpatroon).
→ Deelnemers brengen deze tot stand en veranderen deze door sociaal handelen.
• Vraagstuk van de ongelijkheid: hoe komen sociale orde en samenhang tot stand, ondanks ongelijkheden.
Paradigma: beschrijving van de interacties tussen mensen binnen een samenleving; brede perspectieven die
sociale wetenschappers een breed scala aan hulpmiddelen bieden om de samenleving te beschrijven en
vervolgens hypothesen en theorieën te kunnen ontwikkelen.
Rode draad in de sociologie: de samenleving is een objectieve werkelijkheid en een menselijk product en de
mens is een sociaal product.
H1. De eigen aard van de samenleving
Sociologie = samenlevingskunde (socius: metgezel/samenleving + logos: kunde/wetenschap): hoe kunnen
mensen samenleven verschillende sociale verbanden? Wat zijn de kenmerken van die verbanden? En door welke
wetmatigheden wordt het samenleven gestuurd?
1.1. Een beeld van een titel
De titel drukt de fundamenteel sociologische verhouding uit tussen het speelveld (de samenleving), de sociale
spelregels (wetten en gedragsregels), de maatschappelijke spelers (mensen, organisaties, instituties) en de
spellen die binnen dat veld worden gespeeld → het samenlevingsspel.
Er is pas vrijheid wanneer er spelregels zijn: deze zorgen voor zekerheid en voorspelbaarheid, mensen zijn niet
langer enkel wolven voor elkaar; ze geven de vrijheid om regels te respecteren of te overtreden.
1.2. Het dagelijks leven door de bril van een socioloog - C. Wright Mills, 1960
Sociologische verbeelding (C. Wright Mills): het inzicht dat persoonlijke ervaringen niet losstaan van de
samenleving, maar in verbinding staan met grotere maatschappelijke structuren; drie onderdelen van
sociologische verbeelding:
• Geschiedenis: hoe kwam de samenleving tot stand en hoe veranderd ze?
• Biografie: welke mensen bevolken een bepaalde samenleving?
• Sociale structuur: hoe werken maatschappelijke instituties, welke zijn dominant, hoe houden ze orde?
→ De ervaring van dagelijkse werkelijkheid niet zonder betekenis, maar moet in haar context worden geplaatst.
Alles is contingent (alles had anders kunnen zijn dan dat het nu is, het is niet zeker of noodzakelijk (zoals
natuurwetten)), maar niet arbitrair (niet willekeurig, er is een reden voor waarom dingen zijn zoals ze zijn door
sociale, economische of culturele oorzaken).
→ Alles had anders kunnen zijn, maar dat betekend niet dat de huidige uitkomst willekeurig is.
,1.3. Een stap verder
Gezond verstand is een losjes samenhangend deel van feiten, waarnemingen, ervaringen, inzichten en received
wisdom, gebaseerd op dagelijkse ervaringen, waarmee we zin geven aan situaties (praktisch van aard).
→ Geeft ons onmiddellijk antwoord op concrete problemen.
De sociologie observeert deze zichtbare fenomenen en gaat opzoek naar verklaringen hierachter.
Latente Deprivatiemodel (Marie Jahoda): arbeid is enige institutie die manifeste functie (inkomen en materiële
voordelen), en de volgende vijf latente functies kan vervullen:
• Structureren van tijd.
• Belangrijke bron sociale contacten en sociale ervaringen.
• Verbinden met groter geheel en doelen die verder reiken dan persoonlijke voorkeuren.
• Zorgen voor status en identiteit (en dus definitie van positie in samenleving).
• Dwingen tot activiteit, om zo competenties en vaardigeden te ontwikkelen en te gebruiken (zelfontplooiing).
→ Psychische welbevinden verslechterd bij wegvallen betaalde arbeid.
→ Maar bij lage kwaliteit arbeid, ontbreken een aantal van deze functies
Artefactverklaring: iets lijkt aanwezig of significant, maar is eigenlijk een bijproduct van het meetproces,
methode of toevallige omstandigheden en dus niet het gevolg van een ‘echt’ effect of verschijnsel.
1.4. Definitie sociologie
Sociologie is de wetenschap die de maatschappelijke patronen (gedragspatronen en opvattingen) en structuren
(positionele: interactie- en communicatiepatronen en symbolische: cultuurpatronen (normen, waarden,
doelstellingen en verwachtingen)) bestudeert in hun ontstaan, voortbestaan en veranderen, en tevens het
sociaal handelen in de interactie met deze patronen en structuren.
→ De patronen en structuren staan in voortdurende wisselwerking met sociaal handelen. Ze zijn het resultaat
van sociaal handelen, maar sturen ook op hun beurt weer het sociaal handelen.
H2. Tegengestelde krachten
Wat bevorderlijk lijkt voor het welzijn, vertoon vaak onbedoelde en/of perverse (tegengesteld aan bedoeling)
effecten. Er zijn vier tegengestelde krachten (debat over nature vs nurture):
• Individu vs. samenleving (ookwel: actor vs. factor).
• Mogelijkheden vs. beperkingen.
• Solidariteit (cohesie) vs. strijd (conflict).
• Ongelijkheid vs. gelijkheid.
Centrifugaal: middelpuntvliedend.
Centripetaal: middelpuntzoekend.
2.1. Individu en samenleving, vrijheid versus dwang.
Keuze tussen vrijheid en dwang, maar complexer: individu is niet vrij en ongebonden en samenleving is geen
onpersoonlijk iets dat vrijheid beknot en belemmert
→ Elk individu maakt onontkoombaar deel uit van een samenlevingsverband. Zonder dat sociale weefsel kunnen
we niet overleven (Mangelwesen, Herder).
Óók mensen die niets met samenleving te maken willen hebben, zijn dat toch: mensen kunnen vrijwillig uit
de samenleving stappen, maar alleen met behulp van het denken en spreken en overlevingsvaardigheden die
zij in de samenleving geleerd hebben.
Vervreemding: het gevoel dat iets wat je hebt voortgebracht, je ontglipt, waardoor je er afstand van ervaart.
Collectief conformisme: neiging om gedrag, overtuiging en mening aan te passen aan heersende normen en
waarden van een groep, door behoefte acceptatie en sociale cohesie (in mode vallen maatschappelijk
conformisme en de schijn van vrije eigen beslissing (individuele onderscheiding) samen).
,Actor-factor-dilemma: in hoeverre wordt menselijk gedrag bepaald door indiciduele keuzes (actoren) en in
hoeverre door sociale structuren of omstandigheden (factoren)? → samenleving en individu maken elkaar.
2.2. Mogelijkheden versus beperkingen
Mogelijkheden van de samenleving: gezondheidszorg, verzorgingsstaat, onderwijs (democratisering, maar niet
in termen van gelijke kansen), kinderwens, geografische mobiliteit, digitale communicatie.
Mattheus effect: voordelen stapelen zich op bij mensen die al voordeel hebben en nadelen stapelen zich op bij
mensen die al nadelen hebben (rijken worden rijker, kinderen hooggeschoolden meer kansen om te slagen,
premies komen terecht bij mensen die middelen hebben om dit te kennen en dus lopen mensen die ze het
meest nodig hebben ze juist mis).
Beperkingen scheppen ruimte voor vrijheid, voorspelbaarheid en veiligheid. Niet alleen expliciete geboden en
verboden, sommige liggen dieper: sociale krachten verkleinen of vergroten de sociale speelruimte:
• Impliciete handelingsmarges: ongeschreven regels of verwachtingen die bepalen wat hoort of kan in een
situatie, zonder dat iemand dat letterlijk zegt.
→ Maken voorspelbaar gedrag mogelijk, je weet wat gepast is, waardoor sociale interacties vlot verlopen.
• Institutionele en situationele beperkingen: regels, wetten en instellingen (school, werk, overheid, gezin)
en concrete context waarin je je bevind, de omstandigheden van het moment.
→ Structureren: zorgen zo voor orde en veiligheid.
• Dispositionele beperkingen: innerlijke neigingen, gewoontes en overtuigingen, voorgekomen uit
socialisatie (hoe ben je opgevoed, wat heb je geleerd, wat vind je vanzelfsprekend); liggen diep in jezelf.
→ Geven stabiliteit en identiteit.
• Routines: vaste patronen van gedrag, vaak zonder na te denken; beperken spontaniteit.
→ maken ons voorspelbaar en efficiënt, verlagen onzekerheid en geven veiligheid; omdat dingen vanzelf
gaan, blijft er mentale ruimte over voor andere dingen.
2.3. Solidariteit versus strijd
Solidariteit: centripetale kracht, zorgt voor structurele sociale cohesie; samenleving kan niet zonder bepaalde
mate van solidariteit (gedeelde identiteit):
• Warme solidariteit: komt uit persoonlijke betrokkenheid en nabijheid (emotionele verbondenheid).
→ Gebaseerd op vertrouwen, empathie en sociale relaties.
• Koude solidariteit: komt uit formele structuren en regels, georganiseerd door de staat of instellingen.
→ Gebaseerd op rechten en plichten.
• Mechanische solidariteit (traditionele/premoderne samenleving): mensen delen dezelfde religie, normen,
waarden en levenswijze en er is weinig arbeidsdeling; gemeenschap (niet individu) staat centraal; sociale
controle is sterk en sociale afwijkend gedrag wordt snel gestraft.
→ Komt voort uit overeenkomst.
• Organische solidariteit (moderne, industriële samenleving): grote arbeidsdeling, iedereen heeft specifieke
functie; mensen zijn verschillend, maar afhankelijk van elkaar; individuele vrijheden en diversiteit neemt
toe; sociale orde ontstaat uit samenwerking en wederzijdse afhankelijkheid.
→ Komt voort uit wederzijdse afhankelijkheid.
Emile Durkheim onderzoekt hoe solidariteit tot stand komt en veranderd in een steeds complexer wordende
samen-leving in “De la division du travail social”, 1893 → verdeling van arbeid als bron van sociale solidariteit.
→ solidariteit en cohesie maken groepen sterk en bieden geborgenheid, maar sluiten leden ook op (geringe
mobiliteitskansen) en maken het onmogelijk om mentaal te ontsnappen (blind voor wat er buiten afspeelt).
Paradox van de individualisering: maatschappelijke welvaart gaat samen met individuele hulpeloosheid. De
kans om zelf de gewenste activiteiten te ontplooien, is mogelijk door de arbeidsdeling op grote schaal.
Strijd (conflict): centrifugale kracht, gaat tussen individuen of groepen over schaarse sociale goederen (geld,
status en macht), maar kan ook gaan over religie of ideologie (verschillende/tegengestelde belangen); conflict is
onvermijdelijk en zelfs wenselijk zolang het collectieve belang de overhand houdt (nieuwe dingen gaan in gang,
verandering); Soorten conflicten:
, • Manifeste conflicten: conflict is zichtbaar en openlijk. De betrokken partijen zijn zich bewust van het
meningsverschil of de strijd, en het komt duidelijk naar buiten in gedrag, woorden of acties.
• Latente conflicten: verborgen conflict. Er is een tegenstrijdigheid in belangen of macht, maar betrokkenen
zijn zich daar (nog) niet bewust van, of uiten het conflict (nog) niet (angst, machteloosheid, sociale druk).
• Waardeconflict: twee actoren willen dezelfde, relatief schaarse, sociale goederen opeisen.
• Belangenconflict: ene actor wordt gedreven door overtuiging van het eigen morele gelijk en wil de andere
actor de eigen opvattingen, normen en waarden opleggen.
Conflict paradox: conflict is functioneel, maar wordt binnen samenlevingsverbanden vaak vermeden.
→ Middelen om te winnen zijn positioneel gebonden, door makkelijkere toegang tot massamedia,
onderwijsinstituties en rechtspraak en kan anderen overtuigen of inhuren om gelijk te krijgen.
2.4. Ongelijkheid versus gelijkheid
In kleine mate is ongelijkheid gunstig voor de samenleving: voor het belonen van arbeidsinspanning, talent en
innovatie (drie motoren economische groei en welvaartsschepping). Visies op wenselijkheid van (on)gelijkheid:
• Optimistische visie: in verdere economische ontwikkelingen sluimeren krachten die de ergste vormen van
ongelijkheid doen afnemen tot een aanvaardbaar niveau (ook Drukheim).
• Andere visie: economische en technologische ontwikkelingen zullen zorgen voor meer sociale mobiliteit en
vervagen van scheidingslijnen tussen klassen, maar zullen plaats maken voor nieuwe ongelijkheden.
Grote verschillen zorgen voor sociale problemen (gezondheid, onderwijsprestaties, levensverwachting en
sociale mobiliteit) en bedreigen de sociale samenhang.
→ Overheid moet institutionele onderbouw van de arbeidsmarkt (cao, minimumloon) en inkomensverdelings-
instrumenten (pensioen, uitkering) versterken en streven naar volledige werkgelegenheid.
→ Vakbonden dwingen via cao lonen en arbeidsvoorwaarden af, beperken loonverschillen, en beschermen
kwetsbare werknemers, om machtsongelijkheid tussen werkgevers en werknemers te verkleinen.
Drie perspectieven gelijkheid:
• Juridische gelijkheid: iedereen vertrekt in een democratisch geordende samenleving gelijk en achterstand
die ze tijdens hun leven oplopen, komt door onvermijdelijke risico’s (verzekeren) van het leven of door het
eigen gedrag (veranderen).
→ Geen beleid ter bestrijding of bevordering van ongelijkheid, het is in eigen handen van de mens.
• Uitkomst gelijkheid: de overheid moet er alles aan doen om gelijkheid als uitkomst te realiseren.
→ Overheid moet voortdurend (bij)sturen of interveniëren op alle terreinen van het leven.
• Kans gelijkheid: iedereen heeft gelijke rechten, maar geen gelijke kansen door etiketten waarmee je bent
geboren en opgegroeid: gender, etnische herkomst en sociaal milieu (omgeving).
→ Algemeen beleid is onvoldoende, overheid moet gericht ingrijpen door doelgroepen die structureel
minder kansen hebben te ondersteunen of sustemen en instituties die ongelijkheid in stand houden aan
te passen (gelijke toegang onderwijs en kinderopvang, arbeidsdiscriminatiewetgeving, etc).
H3. Waarmee zijn sociologen bezig
3.1. Een wetenschap als geen/een ander
In sociale wetenschap kijken we naar de sociale wetten die verklaren waarom sociale fenomenen zijn zoals ze
zijn en het in verband brengen van deze sociale wetten en fenomenen.
‘Ceteris paribus’ (alle andere dingen gelijk blijvend) als voorwaarde: we kunnen verbanden verklaren of meten
mits we aannemen dat tijd en sociale context niet veranderen/gelijk blijven.
Wetenschap zoekt, obv empirisch onderz naar regelmaat en voorspelbaarheid in waarneembare verschijnselen.
Natuurwetenschap: identieke en volkomen reproduceerbare elementen, die hun bestaan ondergaan en er vorm
aan geven (natuurwetten).
Sociale wetenschap: eigensoortige werkelijkheid, sociale werkelijkheid. De bouwstenen van deze werkelijkheid
zijn sociale feiten. Deze staan zijn met elkaar verbonden in een gestructureerd geheel.