Sociologie van de moderniteit
1) Thomas Hobbes (1588-1679)
2) Charles Montesquieu (1689-1755)
3) Jean-Jacques Rousseau (1712-1778)
4) Adam Smith (1723-1790)
5) Immanuel Kant (1724-1804)
6) Henri de Saint Simon (1760-1825)
7) Auguste Comte (1798-1857)
8) Alexis de Tocqueville (1805-1859)
9) Herbert Spencer (1820-1903)
10) Karl Marx (1818-1883) / Friedrich Engels (1820-1895)
11) Émile Durkheim (1858-1917)
12) Georg Simmel (1858-1918)
13) George Herbert Mead (1863-1931)
14) Max Weber (1864-1920)
15) Karl Mannheim (1893-1947)
16) Max Horkheimer (1895-1973)
a. Theodor W. Adorno (1903-1969)
b. Herbert Marcuse (1898-1979) /
c. Hannah Arendt (1906-1975)
17) Talcott Parsons (1902-1979)
18) Robert K. Merton (1910-2003)
19) Niklas Luhmann (1927-1997)
20) Pierre Bourdieu (1930-2002)
Sociologie in België
1. Adolphe Quetelet (1796-1874)
2. Auguste Comte (1798-1857)
3. Karl Marx (1818-1883)
4. Ernest Solvay (1838-1922)
5. Guillaume De Greef (1842-1924)
6. Désiré-Joseph Mercier (1851-1926)
7. Albion Small (1854-1926)
8. Émile Durkheim (1858-1917)
9. Max Weber (1864-1920)
10.Cyrille Van Overbergh (1866-1959)
11.Emile Waxweiler (1869-1916)
12.Jacques Leclercq (1891-1971)
13.Jean Haesaert (1892-1961)
14.Hendrik de Man (1895-1953)
15.Victor Leemans (1901-1971
16.Talcott Parsons (1902-1979)
17.Pierre De Bie (1917-1996)
18.Marthe Versichelen-Terryn (1917-2015)
19.Herman Brutsaert (°1941)
20.Vereniging voor Sociologie (1975), zie http://www.sociologie.be/
21.Tijdschrift voor Sociologie (1979-2013) / Sociologos (2014-2019)
,Les 1: inleiding
DOELSTELLINGEN CURSUS
- Inzicht in evolutie v sociologie als discipline, basisbegrippen, basisschema’s
zoals geformuleerd door klassiekers
- Inzicht in factoren die evolutie mogelijk maken, inzicht in argumentatiewijze
ve sociologie vd sociologie
- Inzicht in samenhang tussen interne (teksten zelf) en externe (context waarin
denkers gewerkt) verklaring v wetenschappelijke evoluties
SVDM: DUBBELE BETEKENIS VAN ‘VAN’
1. Klassieke sociologie die reflecteert op de moderne tijd, onderscheidt de
moderne tijd van de klassieke tijd -> vaak gepresenteerd als polariteit
2. Exponent van maatschappelijke verandering
- Product van moderne tijd, verklaart ook moderne tijd
o welke factoren leiden naar het feit dat er plots kritisch gekeken
wordt naar de samenleving: interesse in de sociale structuren.
INLEIDING
- Verlichting: anders (meer rationeel) kijken naar de wereld, observeren v
werkelijkheid en niet meer accepteren ‘wat is’, het wel in vraag stellen
o m’ij is modern omdat ze zichzelf observeert
- Eigenlijk 4 generaties van elk +- 30 jaar
- Sociologie bestaat uit 2 fases:
o Vooraanloop: niet aan universiteit gedoceerd en ook nt gezien als
echte discipline (lang deel van bredere stroming, soms deel van
filosofie, recht), denkers worden vaak tot andere disciplines
toegerekend
o Disciplinaire fase: sociologie krijgt onderdak aan uni + discipline en
eerste prof is Emile Durkheim 1902, opleiding 50 jaar oud
Verschil te zien bij Marx die schreef voor breed publiek,
weber niet, hij was kamergeleerde
- Sociologie ontstaat lokaal, en in nationale context (Durkheim en Weber zijn
bv tijdgenoten, maar verwezen nooit naar elkaar)
- Fase valt samen met institutionalisering (niet schrijven voor kranten etc.
maar wel voor peers (andere wetenschappers))
o -> Institutionalisering = er komt een universitaire opleiding,
professoren, tijdsch…
- Marx, Weber & Durkheim -> heilige Drievuldigheid
- Paar uitgangspunten
o Klassieke auteurs blijven relevant in sociologie, in andere
disciplines is dit minder (kenmerk sociologie), bv. geneeskunde
refereert nt meer naar visalius
o Classical sociological theory -> classical bevat klasse, iets wordt
klasiek omdat het wordt onderwezen in de klas, doordat het
onderwezen wordt, wordt het klassiek
o Klassiekers zijn europese mannen (blank) -> sociale beperking door
die achtergrond -> we moeten daar over reflecteren, history of his
story en niet her story, ook vrouwen hielpen aan sociologie maar
krijgen niet die erkenning
,Les 2: de verlichting
ONTDEKKING VAN DE MAATSCHAPPIJ
De interesse voor sociale condities ontstaat in de moderne tijd, in de moderne
maatschappij. Kenmerkend voor de moderne maatschappij is dat zij zichzelf (kritisch)
observeert. Aangezien de moderne sml oproept voor een vorm van reflectie en kritisch
nadenken over sociale structuren.
In de 17de eeuw is er een goddelijke orde, god heeft een structuur opgelegd die men
moet handhaven. In de moderne tijd worden er vragen gesteld bij deze structuur zoals
hoe de ongelijkheid gecorrigeerd kan worden. Sociologische observaties van de
maatschappij kunnen die maatschappij beïnvloeden en veranderen.
Mensen die ontevreden zijn met structuren die er zijn, willen die hervormen ->
kennis ‘wat is’ is nodig omdat te realiseren
o Ze denken dat maatschappij stuurbaar is en ze die kunnen hervormen
Er is een predisciplinair stadium = waar er breder en lager word geanalyseerd en er nog
geen sprake is van een echte discipline. Ook is er sprake van een disciplinair stadium als
er opleidingen zijn voor het vakgebied.
Sociologie is verantwoordelijk voor de ontdekking van de maatschappij. Dit is ook het
gevolg van verschillende maatschappelijke veranderingen: politieke revoluties zoals de
franse revolutie, secularisatie (twijfelen over god) en de economische revolutie. Deze
veranderingen zorgen allemaal voor een wetenschappelijke maatschappij waar er veel
data verzameld word zoals wie woont waar, hoe levensonderhoud enzovoort.
Wetenschappelijke reflexiviteit is het streefdoel: oog hebben voor standpuntelijkheid van
de eigen kennis. Ze proberen het hier en nu te determineren.
NIEUWE TERMEN
Staat-istiek => statistiek (nu) -> men krijgt info per land waarmee men dan de bevolking
in kaart weet te brengen. Iedereen probeert zijn verleden te achterhalen.
Auguste Comte introduceert als eerste de term sociologie.
Socius-logos = leven-leer => leer van het leven (Latijn-Grieks = bastaardwoord)
o Pas frequent gebruikt in 1870-1880
Marx en Engels willen zich geen socioloog noemen maar brengen wel sociale reflectie.
Die komen terecht bij de machthebbers.
Het ontstaan en de verbreiding van termen als ‘maatschappij’ of ‘samenleving’, of
bijvoeglijke naamwoorden als ‘sociaal’ of ‘maatschappelijk’, vormen een interessante
aanwijzing voor de opkomst van maatschappijtheorieën. Zoals ‘contrat social’: hoe
mensen kunnen samenleven met eerbied voor elkaars rechten.
Ook vergelijkbare termen, zoals beschaving en burgerschap, worden in deze periode
‘sattelzeit’ nieuw gemunt.=> als je klimt zie je nog altijd de oude begrippen maar eens je
over de top bent kan je niet meer terugkijken.
Door historici veel discoursanalyse -> betekenissen van bepaalde begrippen veranderen
doorheen de tijd
R Koselleck Sattelzeit = een soort van bergpas -> als je de berg opgaat ben je
over de top en zie je niet meer wat er achter je ligt
1750 het sociale was geen gegeven
Verandert helemaal
Grundbegriffe = artikel hoe een bepaald begrip van betekenis verandert
, Het sociale is een van de termen die een opgang maakt van 1750 -> societé
Sociale verbind met de beschaving -> vroeger was beschaving iemand die iets
schaaft
Hier zie je hoe deksels van alle sociale klassen worden afgeschaafd zodanig dat je
past in de sml
CHAIN OF BEING
Sociologie stelt de dominante wereldvisie (het religieuze model) in vraag
- Opdeling tekening
In het midden is er een ketting
Wereld is hiërarchisch geordend
o Onderaan = hel
o Bovenaan hemel en god
- Verschillende lagen/ strata die structuur wereld verklaren
o Jezus
o Heiligen
o Mensen
o Dieren lucht
o Dieren land
o Bomen en planten
Wereld die dor God gewild is met een hiërarchie aanwezig
Ontstaan van maatschappijtheorieën
Hobbes, hoofdstuk 1
leviathan (1651): gelijkheid van mensen en soort afsterving nodig is die gebeurt via de
leviathan (de leider).
Terugkeer naar de natuurtoestand van de mens -> hoe best een staat organiseren
Alle mensen zijn gelijk maar van nature is de mens slecht
o Homo homini lupus: de mens is een wolf voor zijn medemens
Mensen bedreigen elkaar constant
Er moet ingegerepen worden in de sml door de leviathan
In ruil voor de soevereiniteit zorgt de staat voor de ‘commonwealth’
Common wealth = gemeenschappelijk rijkdom van de natie, kan worden opgebouwd.
De mensen zijn voor elkaar een wolf. Het sociale moet bescherming kiezen voor
de ander. Anders blijft het een dierlijke beschaving waarbij men elkaar dood, rooft
enzovoort.
Ten aanzien van het hogere is er nog een hiërarchie. De leviathan (leider) moet zorgen
voor een mondelinge samenwerking om de comonwealth te verkrijgen
Rousseau, hoofdstuk 2
zijn uitgangspunt was het probleem van het kwaad en met name van de ongelijkheid. Dit
probleem ligt in de maatschappij en vooral op de maatschappelijke dwang en de macht
van het individu. Het maatschappelijk verdrag (contrat social) was een verbond tussen
alle leden van een gemeenschap ten behoeve van die gemeenschap. Het was een
verbintenis van gelijkwaardige mensen. Omdat de oorzaak van het kwaad
maatschappelijk was, moest ook de oplossing maatschappelijk zijn?
Mens is van nature goed en de maatschappij maakt hem slecht
o Door de ongelijkheid van sociale netwerken. We moeten sml veranderen
1) Thomas Hobbes (1588-1679)
2) Charles Montesquieu (1689-1755)
3) Jean-Jacques Rousseau (1712-1778)
4) Adam Smith (1723-1790)
5) Immanuel Kant (1724-1804)
6) Henri de Saint Simon (1760-1825)
7) Auguste Comte (1798-1857)
8) Alexis de Tocqueville (1805-1859)
9) Herbert Spencer (1820-1903)
10) Karl Marx (1818-1883) / Friedrich Engels (1820-1895)
11) Émile Durkheim (1858-1917)
12) Georg Simmel (1858-1918)
13) George Herbert Mead (1863-1931)
14) Max Weber (1864-1920)
15) Karl Mannheim (1893-1947)
16) Max Horkheimer (1895-1973)
a. Theodor W. Adorno (1903-1969)
b. Herbert Marcuse (1898-1979) /
c. Hannah Arendt (1906-1975)
17) Talcott Parsons (1902-1979)
18) Robert K. Merton (1910-2003)
19) Niklas Luhmann (1927-1997)
20) Pierre Bourdieu (1930-2002)
Sociologie in België
1. Adolphe Quetelet (1796-1874)
2. Auguste Comte (1798-1857)
3. Karl Marx (1818-1883)
4. Ernest Solvay (1838-1922)
5. Guillaume De Greef (1842-1924)
6. Désiré-Joseph Mercier (1851-1926)
7. Albion Small (1854-1926)
8. Émile Durkheim (1858-1917)
9. Max Weber (1864-1920)
10.Cyrille Van Overbergh (1866-1959)
11.Emile Waxweiler (1869-1916)
12.Jacques Leclercq (1891-1971)
13.Jean Haesaert (1892-1961)
14.Hendrik de Man (1895-1953)
15.Victor Leemans (1901-1971
16.Talcott Parsons (1902-1979)
17.Pierre De Bie (1917-1996)
18.Marthe Versichelen-Terryn (1917-2015)
19.Herman Brutsaert (°1941)
20.Vereniging voor Sociologie (1975), zie http://www.sociologie.be/
21.Tijdschrift voor Sociologie (1979-2013) / Sociologos (2014-2019)
,Les 1: inleiding
DOELSTELLINGEN CURSUS
- Inzicht in evolutie v sociologie als discipline, basisbegrippen, basisschema’s
zoals geformuleerd door klassiekers
- Inzicht in factoren die evolutie mogelijk maken, inzicht in argumentatiewijze
ve sociologie vd sociologie
- Inzicht in samenhang tussen interne (teksten zelf) en externe (context waarin
denkers gewerkt) verklaring v wetenschappelijke evoluties
SVDM: DUBBELE BETEKENIS VAN ‘VAN’
1. Klassieke sociologie die reflecteert op de moderne tijd, onderscheidt de
moderne tijd van de klassieke tijd -> vaak gepresenteerd als polariteit
2. Exponent van maatschappelijke verandering
- Product van moderne tijd, verklaart ook moderne tijd
o welke factoren leiden naar het feit dat er plots kritisch gekeken
wordt naar de samenleving: interesse in de sociale structuren.
INLEIDING
- Verlichting: anders (meer rationeel) kijken naar de wereld, observeren v
werkelijkheid en niet meer accepteren ‘wat is’, het wel in vraag stellen
o m’ij is modern omdat ze zichzelf observeert
- Eigenlijk 4 generaties van elk +- 30 jaar
- Sociologie bestaat uit 2 fases:
o Vooraanloop: niet aan universiteit gedoceerd en ook nt gezien als
echte discipline (lang deel van bredere stroming, soms deel van
filosofie, recht), denkers worden vaak tot andere disciplines
toegerekend
o Disciplinaire fase: sociologie krijgt onderdak aan uni + discipline en
eerste prof is Emile Durkheim 1902, opleiding 50 jaar oud
Verschil te zien bij Marx die schreef voor breed publiek,
weber niet, hij was kamergeleerde
- Sociologie ontstaat lokaal, en in nationale context (Durkheim en Weber zijn
bv tijdgenoten, maar verwezen nooit naar elkaar)
- Fase valt samen met institutionalisering (niet schrijven voor kranten etc.
maar wel voor peers (andere wetenschappers))
o -> Institutionalisering = er komt een universitaire opleiding,
professoren, tijdsch…
- Marx, Weber & Durkheim -> heilige Drievuldigheid
- Paar uitgangspunten
o Klassieke auteurs blijven relevant in sociologie, in andere
disciplines is dit minder (kenmerk sociologie), bv. geneeskunde
refereert nt meer naar visalius
o Classical sociological theory -> classical bevat klasse, iets wordt
klasiek omdat het wordt onderwezen in de klas, doordat het
onderwezen wordt, wordt het klassiek
o Klassiekers zijn europese mannen (blank) -> sociale beperking door
die achtergrond -> we moeten daar over reflecteren, history of his
story en niet her story, ook vrouwen hielpen aan sociologie maar
krijgen niet die erkenning
,Les 2: de verlichting
ONTDEKKING VAN DE MAATSCHAPPIJ
De interesse voor sociale condities ontstaat in de moderne tijd, in de moderne
maatschappij. Kenmerkend voor de moderne maatschappij is dat zij zichzelf (kritisch)
observeert. Aangezien de moderne sml oproept voor een vorm van reflectie en kritisch
nadenken over sociale structuren.
In de 17de eeuw is er een goddelijke orde, god heeft een structuur opgelegd die men
moet handhaven. In de moderne tijd worden er vragen gesteld bij deze structuur zoals
hoe de ongelijkheid gecorrigeerd kan worden. Sociologische observaties van de
maatschappij kunnen die maatschappij beïnvloeden en veranderen.
Mensen die ontevreden zijn met structuren die er zijn, willen die hervormen ->
kennis ‘wat is’ is nodig omdat te realiseren
o Ze denken dat maatschappij stuurbaar is en ze die kunnen hervormen
Er is een predisciplinair stadium = waar er breder en lager word geanalyseerd en er nog
geen sprake is van een echte discipline. Ook is er sprake van een disciplinair stadium als
er opleidingen zijn voor het vakgebied.
Sociologie is verantwoordelijk voor de ontdekking van de maatschappij. Dit is ook het
gevolg van verschillende maatschappelijke veranderingen: politieke revoluties zoals de
franse revolutie, secularisatie (twijfelen over god) en de economische revolutie. Deze
veranderingen zorgen allemaal voor een wetenschappelijke maatschappij waar er veel
data verzameld word zoals wie woont waar, hoe levensonderhoud enzovoort.
Wetenschappelijke reflexiviteit is het streefdoel: oog hebben voor standpuntelijkheid van
de eigen kennis. Ze proberen het hier en nu te determineren.
NIEUWE TERMEN
Staat-istiek => statistiek (nu) -> men krijgt info per land waarmee men dan de bevolking
in kaart weet te brengen. Iedereen probeert zijn verleden te achterhalen.
Auguste Comte introduceert als eerste de term sociologie.
Socius-logos = leven-leer => leer van het leven (Latijn-Grieks = bastaardwoord)
o Pas frequent gebruikt in 1870-1880
Marx en Engels willen zich geen socioloog noemen maar brengen wel sociale reflectie.
Die komen terecht bij de machthebbers.
Het ontstaan en de verbreiding van termen als ‘maatschappij’ of ‘samenleving’, of
bijvoeglijke naamwoorden als ‘sociaal’ of ‘maatschappelijk’, vormen een interessante
aanwijzing voor de opkomst van maatschappijtheorieën. Zoals ‘contrat social’: hoe
mensen kunnen samenleven met eerbied voor elkaars rechten.
Ook vergelijkbare termen, zoals beschaving en burgerschap, worden in deze periode
‘sattelzeit’ nieuw gemunt.=> als je klimt zie je nog altijd de oude begrippen maar eens je
over de top bent kan je niet meer terugkijken.
Door historici veel discoursanalyse -> betekenissen van bepaalde begrippen veranderen
doorheen de tijd
R Koselleck Sattelzeit = een soort van bergpas -> als je de berg opgaat ben je
over de top en zie je niet meer wat er achter je ligt
1750 het sociale was geen gegeven
Verandert helemaal
Grundbegriffe = artikel hoe een bepaald begrip van betekenis verandert
, Het sociale is een van de termen die een opgang maakt van 1750 -> societé
Sociale verbind met de beschaving -> vroeger was beschaving iemand die iets
schaaft
Hier zie je hoe deksels van alle sociale klassen worden afgeschaafd zodanig dat je
past in de sml
CHAIN OF BEING
Sociologie stelt de dominante wereldvisie (het religieuze model) in vraag
- Opdeling tekening
In het midden is er een ketting
Wereld is hiërarchisch geordend
o Onderaan = hel
o Bovenaan hemel en god
- Verschillende lagen/ strata die structuur wereld verklaren
o Jezus
o Heiligen
o Mensen
o Dieren lucht
o Dieren land
o Bomen en planten
Wereld die dor God gewild is met een hiërarchie aanwezig
Ontstaan van maatschappijtheorieën
Hobbes, hoofdstuk 1
leviathan (1651): gelijkheid van mensen en soort afsterving nodig is die gebeurt via de
leviathan (de leider).
Terugkeer naar de natuurtoestand van de mens -> hoe best een staat organiseren
Alle mensen zijn gelijk maar van nature is de mens slecht
o Homo homini lupus: de mens is een wolf voor zijn medemens
Mensen bedreigen elkaar constant
Er moet ingegerepen worden in de sml door de leviathan
In ruil voor de soevereiniteit zorgt de staat voor de ‘commonwealth’
Common wealth = gemeenschappelijk rijkdom van de natie, kan worden opgebouwd.
De mensen zijn voor elkaar een wolf. Het sociale moet bescherming kiezen voor
de ander. Anders blijft het een dierlijke beschaving waarbij men elkaar dood, rooft
enzovoort.
Ten aanzien van het hogere is er nog een hiërarchie. De leviathan (leider) moet zorgen
voor een mondelinge samenwerking om de comonwealth te verkrijgen
Rousseau, hoofdstuk 2
zijn uitgangspunt was het probleem van het kwaad en met name van de ongelijkheid. Dit
probleem ligt in de maatschappij en vooral op de maatschappelijke dwang en de macht
van het individu. Het maatschappelijk verdrag (contrat social) was een verbond tussen
alle leden van een gemeenschap ten behoeve van die gemeenschap. Het was een
verbintenis van gelijkwaardige mensen. Omdat de oorzaak van het kwaad
maatschappelijk was, moest ook de oplossing maatschappelijk zijn?
Mens is van nature goed en de maatschappij maakt hem slecht
o Door de ongelijkheid van sociale netwerken. We moeten sml veranderen